Mensenrechtenencyclopedie
© Flickr.com / CC / valerieroybal

Filosofie van de mensenrechten

De filosofie van de mensenrechten was eeuwenlang gestoeld op het natuurrecht. In de twintigste eeuw veranderde dat.

De oorsprong van ideeën over mensenrechten is te vinden in de veronderstelling van menselijke waardigheid, die eigen is aan alle wereldgodsdiensten, zoals hindoeïsme, boeddhisme, Chinees recht, christendom en islam, en aan het humanisme dat in de Griekse oudheid opkwam. Hierin zijn beginselen te vinden op terreinen van goed bestuur, democratie, gelijkheid, mensenrechten, plicht en vrijheid.

De filosofische grondslag van de mensenrechten was eeuwenlang gebaseerd op ideeën van het natuurrecht. Bepaalde rechten zouden mensen ‘aangeboren’ zijn en altijd toekomen puur en alleen op grond van het feit dat ze mensen zijn. Dergelijke opvattingen zijn te vinden bij de Griekse Stoa-filosofen (vanaf 300 v.C.), bij Thomas van Aquino (1224/5-1274) en bij Hugo de Groot (1583-1645).

Filosofie: sociaal contract

Vanaf de 17e eeuw vond het idee van een ‘sociaal contract’ weerklank, dat het eigendom als een basisrecht beschouwde. Het sociaal contract werd ontwikkeld door onder meer Thomas Hobbes (1588-1679) en Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). Hobbes zette zijn politieke filosofie uiteen in Leviathan (1651). Iedereen loert op de zwakke kanten van anderen om daarvan profijt te trekken: ‘de mens is de mens een wolf’. Er zijn echter natuurlijke wetten, regels van eigenbelang, waardoor de rationele mens inziet dat hij zijn vrijheid in overeenstemming met anderen moet beknotten.

Omdat individuele mensen die wetten niet naleven, moet een samenleving onder absolute macht van een soeverein worden geplaatst. Deze soeverein bepaalt ieders vrijheid en de grens tussen goed en kwaad. Verzet tegen de soeverein is altijd onrecht, omdat deze zijn macht ontleent aan een verdrag van onderdanen. Rousseau, een belangrijk filosoof van de Verlichting, meende dat de mens van nature goed is, maar door de cultuur wordt bedorven. In een verhandeling over het sociaal contract betoogde hij dat de maatschappij een uitdrukking is van de ‘algemene wil’, en daarmee van de gemeenschap. Wie zich daartegen verzet, mag door de meerderheid tot meegaandheid worden gedwongen.

Filosofie: 19e en 20ste eeuw

In de 19e eeuw kwam het idee van mensenrechten onder druk te staan van socialisme en communisme: door individuele rechten te benadrukken zou de heersende klasse slechts haar traditionele rechten veilig willen stellen en de revolutie willen afwenden.

In de 20ste eeuw ontwikkelden zich verschillende stromingen die het natuurrecht niet langer als uitgangspunt hebben.

  • Het existentialisme, zoals bij Jean Paul Sartre, stelt dat de mens ‘in de wereld is geworpen’ en moet zien te leven met de angst en ongewisheid die dat inhoudt. De beschaving moet op humanistische beginselen, zoals vertrouwen en oprechtheid, worden gebaseerd.
  • Het radicale socialisme, zoals bij Herbert Marcuse, benadrukt de noodzaak van een revolutionaire omwenteling, omdat klassentegenstellingen het belangrijkste obstakel voor de verwezenlijking van mensenrechten zijn.
  • Het moderne rationalisme, zoals bij Jürgen Habermas, stelt dat mensen in redelijkheid tot overeenstemming kunnen komen over de beste vorm van samenleving en dialoog. Een open communicatie is daarvoor de belangrijkste voorwaarde. De maatschappij moet ‘machtsvrije’ ruimtes hebben om belangrijke dingen te bespreken en tot overeenstemming te komen, zonder dat de belangen of de machtspositie van bepaalde partijen daarbij de doorslag geven.
  • Het pragmatisme, zoals bij Richard Rorty, stelt dat de waarden van democratie en mensenrechten in de praktijk hun betekenis hebben verworven als de ‘best denkbare’ oplossing voor onderhandelingen tussen autonome individuen. Rorty schreef dat de mensenrechten vooral een ‘sentimentele’ grondslag hebben: je gelooft in de universaliteit van mensenrechten omdat je niet alleen marteling in je eigen omgeving verafschuwt, maar ook die in landen verweg.
  • ‘Communitaristen’ als Charles Taylor benadrukken daarentegen dat individualisme kan leiden tot grof eigenbelang en dat mensen doordrongen moeten zijn van de waarde van de gemeenschap. Over ‘zwakke’ (minder belangrijke waarden) mag je best van mening verschillen, maar sterke waarden moeten serieus worden verdedigd en beschermd.

Filosofie: zijn mensenrechten universeel?

De belangrijkste hedendaagse kwestie in de filosofie van de mensenrechten is: zijn mensenrechten universeel, onvervreemdbaar en absoluut, of zijn ze eerder historisch bepaald, lokaal invulbaar en verder te ontwikkelen? Tegen het idee van de universaliteit verzetten zich onder meer ondemocratische regeringen, die doen dat uit politieke motieven. Tegen het idee dat mensenrechten niet universeel zouden zijn verzetten zich vooral de mensenrechtenorganisaties; hun werk is immers gebaseerd op het uitgangspunt dat mensenrechten overal en voor iedereen gelden.

Een middenweg is het idee dat mensenrechten universeel zijn in zoverre ze door een grote meerderheid van staten worden aanvaard. Ze zijn niet ‘onvervreemdbaar’ omdat ze aangeboren zijn, ze moeten wel in alle gevallen en voor iedereen worden beschermd, omdat zonder mensenrechten een waardig leven onmogelijk is. De mensenrechten kunnen verder worden ontwikkeld en er kunnen nieuwe rechten aan worden toegevoegd, maar dat moet dan in het bewustzijn dat uitbreiding met nieuwe rechten ook kan leiden tot verzwakking van de mensenrechten die al breed aanvaard zijn.