Mensenrechtenencyclopedie
© Flickr.com / CC / valerieroybal

Natuurrecht en mensenrechten

Natuurrecht is het idee dat voor iedereen, ongeacht plaats of tijd, rechten gelden omdat ze door de ‘natuur’ zijn gegeven. Natuurrechten zijn aangeboren en onvervreemdbaar. Het natuurrecht wordt onderscheiden van positief recht, dat door nationale wetgevers wordt gemaakt en uitgevoerd.

Het natuurrecht heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de filosofie van de mensenrechten en, in het algemeen, in de geschiedenis van de mensenrechten. Lange tijd beschouwde men de fundamentele rechten, zoals de mensenrechten, als natuurrecht. Griekse filosofen uit de 5e en 4e eeuw v.C. maakten een onderscheid tussen physis (natuurrecht) en nomos (door mensen gemaakt recht). Socrates, Plato en Aristoteles beweerden dat het mogelijk moest zijn onveranderlijke rechtsregels te onderscheiden.

Sociaal contract

In de middeleeuwen werd het natuurrecht afgeleid uit de Bijbel. Goddelijk recht, natuurrecht en positief recht mochten nooit met elkaar in strijd zijn. Hugo de Groot (1583-1645) maakte de morele standaard los van God of kerk, en stelde dat er onveranderlijke minimum vereisten waren voor een stabiele samenleving. Dit is de oorsprong van het idee van een sociaal contract, dat in de Verlichting van de 17e en 18e eeuw werd uitgewerkt. Met de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (1776) kreeg het natuurrecht het karakter van de formulering van grondrechten die te allen tijde voor individuen zouden gelden.

In de twintigste eeuw nam de belangstelling voor onveranderlijke rechtsregels af, door de invloed van rechtspositivisme en pragmatisme: steeds meer wordt aanvaard dat geen enkel recht door de natuur is gegeven, maar dat alle rechten door mensen zijn bedacht en ingevoerd. Dit pragmatisme is uitgewerkt door onder meer de Amerikaanse filosoof Richard Rorty.

Wetten van de natuur?

‘Dat is een wet van de natuur’, luidt de gevleugelde uitdrukking voor tal van maatschappelijke zaken die mensen als onontkoombaar beschouwen. Oorlog, strijd, verovering en onderwerping lijken een ‘natuurlijk’ gegeven, afgeleid uit het agressieve karakter dat mensen van de dieren hebben geërfd. Sinds mensenheugenis heeft zich de vraag voorgedaan of tegenover die wrede wetmatigheid ook een recht van de natuur kon worden verondersteld. Kunnen mensen puur en alleen vanwege hun mens zijn aanspraak maken op rechten die ze met hun geboorte meekrijgen? Want als er geen ‘natuurwetten’ zijn, geldt dan alleen wat mensen bedenken, of geldt simpelweg het recht van de sterkste?

Het natuurrecht is een van de meest uitgesponnen problemen in de geschiedenis van de filosofie, zowel in de westerse als in de oosterse. De Chinese confucianist Mencius bijvoorbeeld boog zich rond 300 v.Chr., net als de Griekse filosofen, over kwesties van wat ‘van nature’ goed en rechtvaardig en logisch is. Maar de westerse filosofie heeft er de meeste aandacht aan besteed. Tot op de dag van vandaag leeft het idee. Zo houden sommige rooms-katholieke theologen vol dat anticonceptie of homoseksualiteit immoreel zijn omdat ze ‘onnatuurlijk’ zijn.

Nieuwe natuurrecht

Het nieuwe natuurrecht kwam tot stand vanaf het begin van de zeventiende eeuw. De ideeën waren niet nieuw, maar er kwam nu een logica onder te liggen. Hugo de Groot wilde voor het recht doen wat Galileo voor de natuurkunde deed: bewijzen aandragen voor de beginselen ‘zelfs als we zouden veronderstellen, hoe verwerpelijk die gedachte ook is, dat God niet bestaat of zich niet bemoeit met de menselijke aangelegenheden … Net zo als zelfs God niet kan veroorzaken dat twee keer twee geen vier zou zijn, zo kan hij ook niet veroorzaken dat wat slecht is, niet slecht zou zijn.’

De Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (1776) stelt dat gelijkheid en andere ‘onvervreemdbare rechten’ self-evident (vanzelfsprekend) zijn en niet bewezen hoeven te worden. En ook de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, uit 1948, spreekt meteen in de eerste zin van ‘inherente waardigheid, en gelijke en onvervreemdbare rechten’.

(Niet helemaal) verdwenen

Het natuurrecht was een enorm succesvol idee. Het belang ervan kan eigenlijk niet worden overschat. Het leidde tot rationeel gedrag op alle denkbare terreinen van de menselijke samenleving. In de 17e en 18e eeuw zagen dat gebeuren op gebied van onder meer recht, economie, staatsbeheer, opvoeding en moraal. Toch ging het natuurrecht teloor. De Schotse filosoof David Hume begon rond 1750 met de afbraak: hij constateerde dat er van echte wetmatigheden in de ethiek geen sprake was.

En hedendaagse ‘pragmatische’ filosofen zoals de Amerikaan Richard Rorty stellen dat bijvoorbeeld de mensenrechten alleen maar waarde hebben omdat ze in de praktijk blijken te werken. Maar het idee van ‘natuurlijke rechten’ is nooit helemaal verdwenen. Ronald Dworkin, een hedendaagse Amerikaanse rechtsfilosoof, houdt bijvoorbeeld staande dat rechters intuïtief weten dat er één juiste beslissing is, ook al kunnen ze niet bewijzen waarom dat zo is.