Mensenrechtenencyclopedie
© Flickr.com / CC / valerieroybal

Tolerantie en mensenrechten

Tolerantie, of verdraagzaamheid is de erkenning dat naast de eigen denkbeelden, gewoonten en kenmerken, er andere zijn van gelijke waarde. Tolerantie betekent dat afwijkende meningen en gedragingen niet met sancties bestreden worden.

Voltaire (1694-1778) bepleitte verdraagzaamheid vooral tegenover nieuwe ideeën: ‘Wat is tolerantie? Ze is de consequentie van de menselijkheid. We worden allemaal gevormd door kwetsbaarheid en vergissing. Laten we elkaar onze dwaasheden vergeven – dat is de eerste wet van de natuur.’

Tolerantie is een element van bijvoorbeeld het recht op vrijheid van meningsuiting, maar volgens Thomas Paine (1737-1809) is tolerantie niet genoeg. Met alleen tolerantie ga je geen dialoog aan met de ander, je neemt de andere partij dan mogelijk niet serieus. Tolerantie heeft betrekking op geloofszaken en vrijheid van meningsuiting, maar ook op seksuele oriëntatie, levensstijl, enzovoort.

De grenzen van tolerantie

De grenzen van tolerantie worden bepaald door belangen van nationale veiligheid, openbare gezondheid, algemeen aanvaarde zedelijke standaarden, bescherming van andere leden van de maatschappij en ook door de gezondheid van betrokkenen, zoals bij drugsgebruik. In de jaren zestig ontstond onder invloed van denkers als Herbert Marcuse het idee van de permissive society waarin grote verschillen in denkbeelden en zeden getolereerd konden worden.

Vanaf de jaren tachtig was een verschuiving te zien naar minder vrijblijvendheid jegens ongewenst geachte ontwikkelingen, zoals drugsgebruik, racisme en seksuele uitwassen. Tolerantie werd ook inzet van discussie over de multiculturele samenleving: tolerantie voor ieders gebruiken en denkbeelden kan leiden tot het mislukken van integratie.

Tolerantie voldoet niet als basis van mensenrechten, omdat behalve aanvaarding ook een actief uitgedragen respect voor mensen en hun kenmerken nodig is. Pragmatisten als de Amerikaanse filosoof Richard Rorty menen dat de democratische samenleving een hoge mate van tolerantie moet hebben, maar dat solidariteit, vooral met zwakkeren, een voorwaarde is.

Vanwaar de eeuwige angst voor de ‘ander’?

De vader van de moderne sociologie, Emile Durkheim, beweerde rond 1900 dat bepaalde groepen of individuen in de maatschappij als afwijkend worden beschouwd om zo de eenheid van de overigen te versterken. In allerlei moderne dictaturen zou je dat patroon gemakkelijk kunnen herkennen. Politieke gevangenen en gewetensgevangenen zijn ‘anders’ dan de gevestigde orde. Ze moeten dus worden weggestopt of geëlimineerd.

Modern is het verschijnsel allerminst. De historicus T.I. Moore onderzocht de vervolging van bepaalde bevolkingsgroepen in de jaren 950 tot 1250. Het ging om ketters, Joden, melaatsen, prostituees, homoseksuelen en zo meer. De stelling van Moore is dat de vervolging van deze bevolkingsgroepen niet zozeer een gevolg was van het reële gevaar dat zij opleverden voor de rest van de bevolking, maar dat die in de hand werd gewerkt door bepaalde machtsgroepen die daarin een middel zagen om hun eigen positie te versterken. Alle ‘afwijkende’ personen werden afgeschilderd als één enkele, zij het veelkoppige bedreiging voor de veiligheid van de christelijke orde.

In de 12e en 13e eeuw ging men dan ook steeds meer en meer deze vervolging ‘institutionaliseren’. Men creëerde een stereotype van hen die de gevestigde orde bedreigden, een stereotype dat de werkelijkheid en fantasie vermengde tot een consequent, samenhangend en angstaanjagend geheel. De geletterde christelijke minderheid trok de macht volledig naar zich toe en zij die niet in hun ‘orde’ pasten, zoals de Joden, moesten maar verwijderd worden.

De historicus Barrington Moore schreef in 2000 dat door de hele geschiedenis heen bepaalde groepen een ‘morele zuiverheid’ nastreven ten koste van andere groepen. Dat streven leidt desnoods tot uitroeiing van andere groepen, in Bosnië of Rwanda of Congo: ‘Niet lang geleden, zeg kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog, leek het alsof de strijd tegen de meest venijnige vormen van onredelijkheid en intolerantie voor bij was. We konden ons nu eindelijk richten, zo werd beweerd, op de strijd tegen onwetendheid, ziekte en honger. Een halve eeuw later, met de terugkeer van alle oude boze geesten van onverdraagzaamheid en de schepping van nieuwe verschrikkingen, lijkt dat de grote illusie van de twintigste eeuw.’