Mensenrechtenencyclopedie
© Flickr.com / CC / valerieroybal

Gelijkheid en gelijke behandeling

Alle mensen zijn van gelijke waarde en moeten daarom gelijk behandeld worden. Dat is het beginsel van mensenrechten.

Gelijkheid houdt in: gelijke behandeling voor de wet. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens stelt dat alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en rechten worden geboren. In de juridische zin gaat gelijkheid terug op het idee van het natuurrecht, waarin ieder mens is begiftigd met een gelijke vrije wil. Een gevolg daarvan is dat het recht gelijkelijk geldt voor iedereen, behalve bij goed gemotiveerde uitzonderingen.

Een overheid mag geen groep of individu discrimineren (achterstellen). Gelijkheid wil niet zeggen dat iedereen recht heeft op evenveel bezit, of dat de overheid er zich zou voor moeten inzetten dat mensen zo veel mogelijk op elkaar lijken in levenswijze. In een wet mag onderscheid worden gemaakt als dat duidelijk is vastgelegd, bijvoorbeeld dat een bepaalde voorziening geldt voor langdurig werklozen of dat vrouwen recht hebben op zwangerschapsverlof. Belangrijke toepassingen van het gelijkheidsbeginsel zijn onder meer de gelijke rechten van man en vrouw, gelijke betaling voor gelijk werk en gelijke rechten bij verkiezingen.

Gelijke behandeling

‘Gelijke behandeling’ is een gangbare aanduiding van gelijkberechtiging in toegang tot werk, betaling, toekenning van status en dergelijke. De term heeft vooral betrekking op het vermijden van achterstelling van onder meer vrouwen, etnische minderheden en LHBTI’ers. Gelijke behandeling wordt onder meer voorgeschreven door de VN-verdragen van 1966. De Europese Gemeenschap heeft tussen 1975 en 1986 vijf richtlijnen uitgevaardigd over de gelijke behandeling van man en vrouw wat betreft beloning, arbeidsvoorwaarden en sociale zekerheid. Deze moeten in de wetgeving van de lidstaten worden overgenomen.

Artikel 1 van de Nederlandse grondwet zegt: ‘Allen die zich in Nederland bevinden worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie op welke grond dan ook is niet toegestaan.’ De gelijkheid geldt dus uitdrukkelijk niet alleen voor Nederlanders, maar voor iedereen die zich in Nederland bevindt.

De ‘Algemene wet gelijke behandeling’ (1994) maakt het wel mogelijk om onderscheid te maken, bijvoorbeeld voor vrouwen die zwanger of moeder zijn. Ook mag onderscheid worden gemaakt als dat ‘objectief gerechtvaardigd’ is, bijvoorbeeld als voor een functie sollicitanten worden gevraagd die goed Nederlands schrijven, als een acteur een donker uiterlijk moet hebben, of als de marechaussee vrouwen nodig heeft voor het fouilleren van vrouwelijke arrestanten. In het onderwijs op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag mag men eisen stellen aan de overtuiging van leraren en leerlingen.

Kijk op de website van de Rijksoverheid voor vragen en klachten over gelijke behandeling en discriminatie.

Wat is de rechtvaardiging voor ongelijkheid?

Nationale wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling, zoals die in Nederland, stuit op verschillende problemen. Is gelijke behandeling verenigbaar met ‘positieve actie‘? Vereist gelijke behandeling registratie van minderheden? Hoe kan achterstelling in toegang tot bepaalde banen worden vastgesteld?

De Amerikaanse filosoof John Rawls (1921-2002), misschien wel de invloedrijkste denker van de late 20ste eeuw, ontwierp in A Theory of Justice (1971) een politieke theorie voor een rechtvaardige democratische samenleving. De maatschappij is volgens hem een samenwerkingsverband tussen rationele en redelijke individuen. Het beginsel van de verdeling van schaarse goederen is ‘rechtvaardigheid als billijkheid’. Mensen zijn zelf verantwoordelijk voor hun geluk. Maar mensen worden geboren met ongelijke kansen: ze hebben verschillende talenten, behoren tot verschillende sociale klassen, of hebben handicaps of ziektes of domweg pech.

Een rechtvaardige maatschappij corrigeert die nadelen. De taak van de overheid is onverdiende achterstanden op te heffen. Hoe moet ze dat doen? Stel, zegt Rawls, dat wij onze samenleving vanuit het niets moesten bedenken. We zouden niet weten waar en hoe we geboren werden; we zouden ons achter een ‘sluier van onwetendheid’ bevinden. In dat geval zouden we aan de samenleving drie eisen stellen. Ten eerste: dat iedereen gelijke rechten heeft en daarvan ook gebruik kan maken. Ten tweede: dat iedereen een zo groot mogelijke kans heeft om het best mogelijke voor zichzelf te krijgen. En ten derde: dat elke maatregel die een overheid neemt erop gericht moet zijn om degenen die het minst bedeeld zijn naar verhouding het meest te bevoordelen.

Als de overheid bijvoorbeeld onderwijs subsidieert, dan moet ze ten eerste dat onderwijs voor iedereen open stellen, ten tweede dat onderwijs zo inrichten dat de talenten leerlingen zo goed mogelijk aan bod komen, en ten derde speciaal zorgen voor goede kansen voor de leerlingen die het niet zo goed met hun talenten of leefomstandigheden getroffen hebben.