Demonstranten tonen in Warschau hun solidariteit met Elzbieta Podlesna. Ze wordt beschuldigd van het beledigen van religieuze overtuigingen. Geloof en godsdienst zijn in Polen en heel veel andere landen nog steeds een gevoelig thema.
© SOPA Images

Godsdienst, geloof en mensenrechten

Godsdienst is een geloof beleden binnen een bepaalde (kerk)gemeenschap. De grootste godsdiensten zijn het christendom (2,4 miljard mensen, 30 procent van de wereldbevolking), de islam (24 procent), het hindoeïsme (15 procent) en het boeddhisme (6 procent). Zo’n 15 procent van de wereldbevolking (1,2 miljard mensen) zegt geen godsdienst aan te hangen.

Vrijheid van godsdienst

Volgens het VN-verdrag (BuPo) moet geloof individueel of in gemeenschap kunnen worden beleden en onderwezen, maar mag een staat wettelijke beperkingen aanbrengen op grond van bijvoorbeeld de openbare orde. Ouders mogen voor hun kinderen een opvoeding kiezen die recht doet aan hun geloof. Dit alles geldt net zo voor een niet-religieuze overtuiging of levensbeschouwing.

De vrijheid tot het hebben van een geloof of overtuiging valt onder de niet-opschortbare rechten. Maar uiting geven aan je geloof of aan een godsdienstige activiteit deelnemen valt onder de categorie van de vrijheid van meningsuiting, die minder absoluut is beschermd. Zo mag volgens het internationaal recht de vrijheid van godsdienst niet worden misbruikt voor discriminatie of haatzaaien, en mag de nationale wet grenzen stellen aan de godsdienstuitoefening (zie hieronder: ‘Godsdienstvrijheid in Nederland’).

Religieuze onverdraagzaamheid

Vooral aanhangers van extremisme leggen de godsdienstvrijheid vaak sterk aan banden. Met name communistische landen kenden of kennen bepalingen die godsdienstige propaganda verbieden. In China is de godsdienstvrijheid beperkt. Men mag bijvoorbeeld slechts katholiek zijn binnen de ‘patriottische kerk’; de rooms-katholieke kerk van Rome wordt als een buitenlandse religie beschouwd en pas in 2018 werd de paus erkend als hoofd van China’s katholieke gelovigen.

Een speciale rapporteur over religieuze onverdraagzaamheid, voor het eerst door de VN aangesteld in 1986, doet verslag van talloze maatregelen en praktijken als het verbieden van erediensten, de inbeslagname van religieuze voorwerpen en literatuur, het verbod op religieus onderwijs en het uitspreken van doodvonnissen over ketters. De rapporteur deed als aanbeveling dat niet alleen de rechten van gelovigen, maar ook van niet-gelovigen zoals atheïsten en vrijdenkers beschermd moeten worden tegen discriminatie.

Godsdienst en afvalligheid

In veel landen worden niet- of andersgelovigen vervolgd. In ruim tachtig landen ter wereld is godslastering zelfs strafbaar. En in ruim tien landen, waaronder Saudi-Arabië, Qatar en Iran, staat hier zelfs de doodstraf op. Hetzelfde geldt voor ‘afvalligheid’ en ‘bekering’.

Ook proselitisme, het bekeren van een individu of een groep mensen, staat in soms op gespannen voet met mensenrechten. Afhankelijk van wat voor methoden er gebruikt worden, mag de staat ingrijpen. Manipulatie is bijvoorbeeld niet toegestaan. Maar wetten die proselitisme aan banden leggen kunnen ook in strijd zijn met mensenrechten. Zo tikte het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in 1993 Griekenland op de vingers voor de veroordeling van een Jehova’s getuige, die anderen probeerde te bekeren.

Godsdienstvrijheid in Nederland

In de Nederlandse Grondwet geldt het recht op vrijheid van godsdienst ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet’. De Hoge Raad bepaalde dat de vrijheid van godsdienst niet inhoudt dat men zich naar eigen inzicht mag onttrekken aan bijvoorbeeld het betalen van bepaalde belastingen. Artikel 6 van de Grondwet garandeert het vrijelijk belijden van godsdienst en levensovertuiging, maar dat recht kan ‘buiten gebouwen en besloten plaatsen’ aan banden worden gelegd ‘ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden [de bescherming van de openbare orde]’. Toch mochten kerken, moskeeën en andere gebedshuizen open blijven ten tijde van de lockdowns in Nederland, vanwege de coronapandemie. Volgens het kabinet Rutte III was sluiting in strijd met de Grondwet.

Een ander voorbeeld waarbij de godsdienstvrijheid ter discussie staat, gaat over het dragen van een hoofddoek. Volgens een uitspraak uit 2016 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens mag een bedrijf een werkneemster verbieden een hoofddoek te dragen, als het verbod gebaseerd is op een bedrijfsreglement waarin staat dat zichtbare politieke of religieuze symbolen niet zijn toegestaan. Dat geldt ook voor scholen.

Godsdienst en de schoolstrijd

In Nederland bestaat ook veel discussie over de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder of religieus onderwijs. Deze discussie laaide bijvoorbeeld op toen eind 2020 bleek dat sommige reformatorische scholen ouders vroegen om een antihomoverklaring te onderteken. Volgens critici zouden dit soort scholen geen geld meer moeten krijgen van de overheid, net als sommige islamitische scholen.

Dat zowel openbaar als religieus onderwijs gefinancierd wordt door de overheid, is uniek in Nederland. Dit is het gevolg van de zogenoemde Schoolstrijd, die resulteerde in de Pacificatie van 1917. Sindsdien is de financiële gelijkstelling vastgelegd in Artikel 23 van de Nederlandse Grondwet, waarin de vrijheid van onderwijs is vastgelegd.

Geloof en fundamentalisme

Oorspronkelijk was fundamentalisme de benaming voor een conservatieve beweging in het Amerikaans protestantisme in de 19e eeuw. Na de Tweede Wereldoorlog ontplooide de beweging zich vooral als een anticommunistische stroming, die werd vertegenwoordigd door predikanten als de Amerikaan Billy Graham. Fundamentalisme was ook te vinden bij de Zuid-Afrikaanse Nederduits Gereformeerde Kerk, die apartheid verdedigde als de wil van God. Fundamentalisme komt tegenwoordig in alle godsdiensten voor. De fundamentalistische aanhangers van de islam worden ‘islamisten’ genoemd. Fundamentalistische opvattingen zijn vaak strijdig met de mensenrechten, zoals de ideeën over de ondergeschikte positie van de vrouw, de verkettering en vervolging van degenen die geen of een andere godsdienst zijn toegedaan, en de weigering om het gezag van internationale verdragen te erkennen.

De fundamentalistische islam (of een fundamentalistische stroming in een andere godsdienst) kan niet gelijk worden gesteld met terrorisme en zelfmoordaanslagen. Sommige fundamentalisten nemen inderdaad hun toevlucht tot geweld, maar er zijn veel fundamentalisten die langs vreedzame weg hun overtuiging uitdragen.

Geloof: Amnesty’s visie

Amnesty zet zich in voor de vrijheid van meningsuiting, geloof en overtuiging. Mensen mogen nooit worden vervolgd vanwege het vreedzaam belijden of uitdragen van hun geloof. De wet mag alleen beperkingen stellen aan godsdienstuitoefening voor zover dat vanwege de openbare orde duidelijk nodig is. Een godsdienst (of een groep binnen een godsdienst) mag mensen geen plichten opleggen die strijdig zijn met de mensenrechten, zoals de dwang tot bekering of geweld tegen ongelovigen.

Een godsdienst mag geen vrijbrief zijn voor haatzaaien: het oproepen tot discriminatie en geweld. Religieuze leiders en gemeenschappen moeten bijdragen aan de verwezenlijking van de mensenrechten, zoals verwoord in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Daarom roept Amnesty hen op tot het uitdrukkelijk verwerpen van de doodstrafgeweld tegen vrouwenrassendiscriminatie, religieuze onverdraagzaamheid en andere mensenrechtenschendingen.