Mensenrechtenencyclopedie
© Flickr.com / CC / valerieroybal

Godsdienst, geloof en mensenrechten

Godsdienst is een geloof beleden binnen een bepaalde (kerk)gemeenschap. De grootste godsdiensten zijn het christendom (2,4 miljard mensen, 33% van de wereldbevolking), de islam (24%), het hindoeïsme (15%) en het boeddhisme (7%). Zo’n 16% van de wereldbevolking (1,2 miljard mensen) zegt geen godsdienst aan te hangen.

Vrijheid van godsdienst

Volgens het VN-verdrag (BuPo) moet geloof individueel of in gemeenschap kunnen worden beleden en onderwezen, maar mag een staat wettelijke beperkingen aanbrengen op grond van bijvoorbeeld de openbare orde. Ouders mogen voor hun kinderen een opvoeding kiezen die recht doet aan hun geloof. Dit alles geldt net zo voor een niet-religieuze overtuiging of levensbeschouwing.

De vrijheid tot het hebben van een geloof of overtuiging valt onder de niet-opschortbare rechten. Maar uiting geven aan je geloof of aan een godsdienstige activiteit deelnemen valt onder de categorie van de vrijheid van meningsuiting, die minder absoluut is beschermd. Zo mag volgens internationaal recht de vrijheid van godsdienst niet worden misbruikt voor discriminatie of haatzaaien, en mag de nationale wet grenzen stellen aan de godsdienstuitoefening (zie hieronder: ‘Godsdienstvrijheid in Nederland’).

Religieuze onverdraagzaamheid

Vooral aanhangers van fundamentalisme in de godsdienst leggen de godsdienstvrijheid sterk aan banden. In de strenge interpretatie van de wetgeving van de islam (sharia) staat op godslastering (blasfemie) de doodstraf. Ook is het een moslim verboden tot een andere godsdienst over te gaan of met een partner van een andere godsdienst te trouwen. Vooral de communistische landen kenden of kennen bepalingen die godsdienstige propaganda verbieden. In China is de godsdienstvrijheid beperkt. Men mag bijvoorbeeld slechts katholiek zijn binnen de ‘patriottische kerk’; de rooms-katholieke kerk van Rome wordt als een buitenlandse religie beschouwd en pas in 2018 werd de paus erkend als hoofd van China’s katholieke gelovigen.

Een speciale rapporteur over religieuze onverdraagzaamheid, voor het eerst door de VN aangesteld in 1986, doet verslag van talloze maatregelen en praktijken als het verbieden van erediensten, de inbeslagname van religieuze voorwerpen en literatuur, het verbod op religieus onderwijs en het uitspreken van doodvonnissen over ketters. De rapporteur beval aan dat niet alleen de rechten van gelovigen, maar ook van niet-gelovigen zoals atheïsten en vrijdenkers beschermd moeten worden tegen discriminatie.

Godsdienstvrijheid in Nederland

In de Nederlandse Grondwet geldt het recht op vrijheid van godsdienst ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet’. De Hoge Raad bepaalde dat de vrijheid van godsdienst niet inhoudt dat men zich naar eigen inzicht mag onttrekken aan bijvoorbeeld het betalen van bepaalde belastingen. Artikel 6 van de Grondwet garandeert het vrijelijk belijden van godsdienst en levensovertuiging, maar dat recht kan ‘buiten gebouwen en besloten plaatsen’ aan banden worden gelegd ‘ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden [de bescherming van de openbare orde]’. Volgens een uitspraak uit 2016 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens mag een bedrijf een werkneemster verbieden een hoofddoek te dragen, als het verbod gebaseerd is op een bedrijfsreglement waarin staat dat zichtbare politieke of religieuze symbolen niet zijn toegestaan. Dat geldt ook voor scholen.

Geloof en fundamentalisme

Oorspronkelijk was fundamentalisme de benaming voor een conservatieve beweging in het Amerikaans protestantisme in de 19e eeuw. Na de Tweede Wereldoorlog ontplooide de beweging zich vooral als een anticommunistische stroming, die werd vertegenwoordigd door predikanten als Billy Graham. Fundamentalisme was ook te vinden bij de Zuid-Afrikaanse Nederduits Gereformeerde Kerk, die apartheid verdedigde als de wil van God. Fundamentalisme komt tegenwoordig in alle godsdiensten voor. De fundamentalistische aanhangers van de islam worden ‘islamisten’ genoemd. Fundamentalistische opvattingen zijn vaak strijdig met de mensenrechten, zoals in de ideeën over de ondergeschikte positie van de vrouw, de verkettering en vervolging van degenen die geen of een andere godsdienst zijn toegedaan, en de weigering om het gezag van internationale verdragen te erkennen.

De fundamentalistische islam (of een fundamentalistische stroming in een andere godsdienst) kan niet gelijk worden gesteld met terrorisme en zelfmoordaanslagen. Sommige fundamentalisten nemen inderdaad hun toevlucht tot geweld, maar er zijn veel fundamentalisten die langs vreedzame weg hun overtuiging uitdragen.

Geloof: Amnesty’s visie

Amnesty zet zich in voor de vrijheid van meningsuiting, geloof en overtuiging. Mensen mogen nooit worden vervolgd vanwege het vreedzaam belijden of uitdragen van hun geloof. De wet mag alleen beperkingen stellen aan godsdienstuitoefening voor zover dat vanwege de openbare orde duidelijk nodig is. Een godsdienst (of een groep binnen een godsdienst) mag mensen geen plichten opleggen die strijdig zijn met de mensenrechten, zoals de dwang tot bekering of geweld tegen ongelovigen. Een godsdienst mag geen vrijbrief zijn voor haatzaaien: het oproepen tot discriminatie en geweld. Religieuze leiders en gemeenschappen moeten bijdragen aan de verwezenlijking van de mensenrechten, zoals verwoord in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Daarom roept Amnesty hen op tot het uitdrukkelijk verwerpen van de doodstraf, geweld tegen vrouwen, rassendiscriminatie, religieuze onverdraagzaamheid en andere mensenrechtenschendingen.

zie ook Christendom en mensenrechten; Islam en mensenrechten