Mensenrechtenencyclopedie
© Flickr.com / CC / valerieroybal

Universaliteit en universele waarden

‘Universaliteit’ betekent dat mensenrechten zoals gedefinieerd in internationale verdragen overal en altijd geldig zijn, ongeacht traditie en cultuur. Het zijn dus universele waarden.

De Griekse Stoa-filosofen (vanaf 300 v.C.) vonden al dat bepaalde menselijke waarden (gelijkheid, menselijke waardigheid, vrijheid van gedachte) universeel zijn, dus geldend voor ieder mens. In de praktijk accepteerden filosofen tot in de moderne tijd praktijken die tegen universele waarden ingingen, zoals slavernij, verbod op ketterij, achterstelling van vrouwen en het onthouden van rechten aan een kind.

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 is de eerste juridische tekst die pretendeert universeel geldend te zijn, hoewel al in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776 universele principes met betrekking tot zaken als gelijkheid en recht waren opgenomen. Tot de hedendaagse universele waarden kunnen de niet-opschortbare rechten worden gerekend, waaronder vrijheid van geloof en verbod op marteling.

Discussie over universaliteit

Geregeld is de universaliteit ter discussie gesteld, zoals op de VN-wereldconferentie over mensenrechten (Wenen, 1993). Enkele regeringen, zoals die van China en Iran, stelden dat tradities en gebruiken soms sterker moeten wegen dan mensenrechten. Desondanks eindigde de Wereldconferentie met een bevestiging van de universaliteit. Ook stelde de conferentie dat mensenrechten ‘ondeelbaar’ zijn, dat wil zeggen dat alle mensenrechten onderling van elkaar afhankelijk zijn en bepaalde rechten niet belangrijker of doorslaggevender zijn dan andere. Maar alle lidstaten van de Verenigde Naties hebben in 1968 (Proclamatie van Teheran) en 1993 (Wereldconferentie Mensenrechten) wel ingestemd met een tekst die de universele betekenis van de UVRM bevestigde.

Amnesty’s werk is gebaseerd op het beginsel dat de mensenrechten universele waarden zijn die in wereldwijd aanvaarde verklaringen en verdragen zijn vastgelegd. In de naleving en uitvoering van de mensenrechten is er ruimte voor eigen culturele gebruiken en tradities. Maar die gebruiken en tradities mogen nooit worden aangevoerd als excuus om de mensenrechten te schenden.

Kunnen mensenrechten werkelijk universeel zijn?

De geschiedenis geeft alle reden om mensenrechten als iets universeels te beschouwen. De grondslagen van mensenrechten zijn in alle culturen terug te vinden. Vooral in de wereldreligies zie je dat regels voor een fatsoenlijke maatschappij zijn vastgelegd. Boeddhisme, hindoeïsme, jodendom, islam, christendom – ze benadrukken elk de waardigheid van de mens, het belang van recht en rechtvaardigheid, de hulp waarop de zwakkeren recht hebben, en zo meer.

Toegegeven, de termen die in de hedendaagse mensenrechten worden gebruikt zijn voor een groot deel afkomstig uit het Westen. Maar dat bijvoorbeeld de stoommachine een westerse vinding is, wil niet zeggen dat die alleen in westerse landen heeft gewerkt. Een hedendaagse reden om de mensenrechten als universeel te zien, is dat het overgrote deel van de landen zich aan die mensenrechten heeft verbonden.

Elke nieuwe lidstaat van de Verenigde Naties onderschrijft, door lid te worden, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM). Die verklaring is trouwens opgesteld na een vergelijking van alle grote culturele tradities, en door vertegenwoordigers uit zo uiteenlopende landen als China, Chili en Pakistan. Bovendien heeft zo’n tachtig procent van alle staten de grote VN-verdragen bekrachtigd.

Desondanks zijn er regeringen die de universaliteit ter discussie willen blijven stellen. Ze voeren bijvoorbeeld aan: ‘Toen de UVRM werd opgesteld, waren de meeste landen van de “Derde Wereld” nog kolonies, zonder een zetel in de VN. In 1948 hebben onder meer de Sovjet-Unie, Zuid-Afrika en Saoedi-Arabië niet ingestemd met de UVRM. Sinds 1948 is de wereld veranderd, een ‘nieuwe’ verklaring zou meer aandacht moeten schenken aan ontwikkelingslanden en hun problematiek. En er zijn naast rechten van individuele mensen ook rechten van de gemeenschap en de cultuur, die zijn in de UVRM onvoldoende opgenomen.’

Pogingen tot hervorming van de Universele Verklaring hebben vooralsnog niets opgeleverd. Een ‘nieuwe’ verklaring over mensenrechten met meer aandacht voor gemeenschapsrechten en -plichten, die in 1968 werd opgesteld in Teheran, heeft nooit veel betekenis gekregen. En in 1993 verklaarden alle landen op de VN-Wereldconferentie Mensenrechten dat ze de UVRM zouden blijven respecteren. De discussie is daarmee niet gesloten. Maar de gedachte van universaliteit wordt niet ernstig bedreigd. De kritiek op de universaliteit kwam overwegend van regeringen die het met de mensenrechten zelf niet zo nauw namen: China, Indonesië, Maleisië, Iran.

Die regeringen willen geen échte discussie over mensenrechten, omdat dat alleen maar de aandacht op hun praktijken zou richten. Bovendien wordt de aandacht voor mensenrechten sowieso niet op de eerste plaats vastgehouden door regeringen. Het zijn Amnesty en andere niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) die het eigenlijke werk doen. En die ngo’s, hoe verschillend ze ook zijn in hun werkwijze en doelstellingen, voelen zich in overgrote meerderheid goed thuis bij de Universele Verklaring.