Mensenrechtenencyclopedie
© Flickr.com / CC / valerieroybal

Vrijheid en mensenrechten (in 10 vragen)

Vrijheid is een centraal begrip in de mensenrechten, waar het in een groot aantal betekenissen en verbindingen wordt gebruikt.

Er is zowel vrijheid tot als vrijheid (of vrijwaring) van. Er is persoonlijke, intellectuele, politieke en academische vrijheid. Tot de vrijheidsrechten behoren die op vrijheid van geweten, godsdienst, meningsuiting, vereniging en drukpers. Men is vrij in de keuze van geloof, opvoeding (ouderlijke macht), werk, partner voor een huwelijk, enzovoort. Sommige delen van de wereld zijn ‘vrij’, dat wil zeggen dat ze niet behoren tot het territorium van een staat, zoals de open zee.

Vrijheid volgens Kant

De Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804) onderscheidde in het begrip ‘vrijheid’ enerzijds natuurlijke of handelsvrijheid, en anderzijds autonomie. Het eerste begrip, ook wel negatieve vrijheid genoemd, houdt in dat wij vrij zijn te handelen zoals wij willen. De vrijheid mag slechts aan banden worden gelegd in zoverre dat noodzakelijk is om anderen optimale vrijheid te garanderen. Het tweede begrip, ook wel positieve vrijheid genoemd, houdt in dat wat men wil ook werkelijk in vrijheid en zelfstandigheid kan worden nagestreefd. Het is de vrijheid om het leven zoveel als kan zelf vorm te geven.

Veel auteurs menen dat het begrip vrijheid centraal staat in de mensenrechten, dus dat de mensenrechten als belangrijkste doel hebben de twee soorten vrijheid in zo groot mogelijke mate te garanderen. De negatieve vrijheid wordt vooral door de fundamentele mensenrechten gegarandeerd (bijvoorbeeld vrijwaring van marteling), de positieve vrijheid door de garantie van sociaaleconomische en culturele mensenrechten (bijvoorbeeld vrije keuze van beroep). Een kernachtige formulering van fundamentele rechten is te vinden in de ‘vier vrijheden‘ zoals geformuleerd door de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt in 1941: vrijheid van meningsuitinggodsdienstvrijheid, vrijwaring van gebrek en vrijwaring van vrees.

Vrijheid en beperkingen

De bepalingen voor vrijheid die in mensenrechtenverdragen zijn te vinden, stellen daaraan ook vaak beperkingen. Voorbeelden: in de vrijheid van meningsuiting is het niet toegestaan op te roepen tot haat of geweld (het verbod op haatspraak). In de vrijheid van beweging mag een staat bepalen of iemand al dan niet wordt toegelaten tot het grondgebied.

In de vrijheid van godsdienst mag de overheid grenzen stellen aan onder meer de keuze voor de plaats van eredienst, de kleding die als religieuze uiting wordt gedragen en de wijze waarop kinderen in een bepaald geloof worden grootgebracht. In de vrijheid van omgang met het eigen lichaam (medicijngebruik, drugs, tatoeage, verminking en dergelijke) mag een overheid ingrijpen als het individu niet toerekeningsvatbaar is. In de vrijheid van expressie, zoals bij kunst op openbare plaatsen, mag de overheid grenzen stellen om de openbare orde en zedelijkheid te bewaren.

Vrijheid en mensenrechten in 10 vragen

1 Wat is vrijheid?

De essentie van vrijheid is dat je niet gehinderd wordt om te zeggen en te doen wat je wilt. Vrijheid wordt ingeperkt door het recht en door de omgangsvormen (de zeden, het fatsoen). Het recht staat vast; als er een geschil is moet de rechter erover beslissen. De omgangsvormen staan niet vast; er is geen autoriteit die erover kan beslissen.

2 Wat zeggen de mensenrechten over vrijheid?

In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staat in artikel 1: ‘Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren.’ En in artikel 2: ‘Een ieder heeft aanspraak op alle rechten en vrijheden die in deze Verklaring zijn opgesomd, zonder onderscheid naar ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.’ Vrijheid is dus het uitgangspunt, inperking ervan is de uitzondering.

3 Mag vrijheid in noodsituaties worden opgeschort?

In een officiële noodtoestand mag een staat veel vrijheid opschorten, maar alleen tijdelijk en alleen voor zover direct nodig voor de veiligheid. Maar ook als een staat een noodtoestand heeft uitgeroepen, mag niet alle vrijheid worden opgeheven. Zo moeten de vrijheid van denken en de vrijwaring van slavernij en marteling altijd gerespecteerd blijven.

4 Mag vrijheid worden aangepast aan de omstandigheden?

Vaak wordt beweerd dat vrijheid mag worden ingeperkt als de situatie daarom vraagt. Als er te veel criminaliteit, te weinig fatsoen, te veel invloed van religie, te weinig gelijkheid, te veel overlast, te weinig veiligheid zou zijn, wordt dat aangevoerd als reden om de vrijheid aan banden te leggen. Maar de mensenrechten staan beperking van vrijheid alleen toe als daar een goede grond voor bestaat en als dat in de wet staat. Uitgangspunt is dat er, bijvoorbeeld, vrijheid van demonstratie en vereniging is. Dus de overheid mag een demonstratie of samenscholing alleen verbieden voor zover de wet dat, bij uitzondering, mogelijk maakt. Privacy, dat is de vrijheid om ongestoord te kunnen leven, mag alleen worden ingeperkt als dat voor naleving van de wet noodzakelijk is.

5 Hoe ver gaat vrijheid van meningsuiting?

Je mag zeggen wat je denkt of voelt. Er is maar één belangrijke beperking: je uiting mag geen haatzaaien  zijn. Dat betekent dat je niet mag oproepen tot geweld of discriminatie. Je negatief uitlaten over de islam (het geloof) mag, je negatief uitlaten over moslims (de mensen) mag niet. Je mag pleiten voor strengere straffen, maar je mag geen oproep doen om tegen wetsovertreders het recht in eigen hand te namen. Je mag protesteren tegen een geplande homodisco in jouw straat, want dat is een kwestie van openbare orde, maar je mag niet zeggen dat homo’s niet in jouw straat mogen wonen, want dat is discriminatie op grond van seksuele oriëntatie.

6 Hoe ver gaat vrijheid van godsdienst?

Je mag geloven of niet geloven wat je wilt en je daarover uitspreken, mits dat niet ontaardt in haatzaaien. Ouders mogen hun kinderen opvoeden in de godsdienst van hun keuze. In de Nederlandse Grondwet staat dat de overheid beperkingen mag stellen aan de plaatsen waar mensen hun geloof belijden of de manier waarop dat gebeurt. De overheid mag bijvoorbeeld bepalen of een kerk of moskee op een bepaalde plaats is toegestaan. Of ze mag verbieden dat mensen hun geloof al te luidruchtig beleven, of dat ze andere mensen in gevaar brengen (door bijvoorbeeld een verbranding). De Tweede Kamer heeft in 2016 ingestemd met een voorstel voor de ‘Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding’. Dat verbiedt dergelijke kleding in het onderwijs, de zorg, het openbaar vervoer en overheidsgebouwen. Een geloof mag ook geen reden zijn om te weigeren belasting te betalen. Een geloof mag niet dwingend worden opgelegd, niet door de staat en niet door mensen onderling. Elf islamlanden hebben op afvalligheid straffen staan in de wet. Soms is dat de doodstraf, wat in strijd is met de mensenrechten.

7 Hoe ver gaat vrijheid van zelfbeschikking?

Zelfbeschikking betekent dat je vrij bent om keuzes te maken over je eigen leven. Je mag vrienden en partners kiezen, je mag zelf bepalen of je kinderen wilt krijgen, je mag besluiten over je seksuele oriëntatie. Je bent ook vrij om aan je eigen leven een einde te maken. De beperkingen aan zelfbeschikking liggen vast in de wet: je keuzevrijheid houdt niet in dat je misdrijven mag plegen.

8 Hoe ver gaat vrijheid van handelen?

In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de internationale mensenrechtenverdragen staat een heel aantal vrijheden. Die zijn geformuleerd als rechten: ‘het recht op’ wil zeggen dat je vrij bent om iets te doen of dat je gevrijwaard moet blijven van dwang. Zo heb je het recht om je eigen land te verlaten en daarnaar terug te keren. Je hebt het recht om aan het bestuur van je land deel te nemen en je stem uit te brengen. Je hebt de vrijheid om kunst en wetenschap te bedrijven, om eigendom te hebben, om in een ander land asiel te vragen als je in eigen land bedreigd wordt.

9 Hoe ver gaat vrijheid van kleding?

Een voorbeeld van de vrijheid van handelen is kleding. In beginsel mag je dragen wat je wilt. De wet kan daaraan beperkingen stellen, bijvoorbeeld dat je verschijning niet aanstootgevend mag zijn. Als je naakt over straat loopt, word je opgepakt. Een vrouw mag in Nederland een boerka dragen, maar niet overal – bijvoorbeeld niet in het openbaar vervoer. De wet, of de rechter, volgt hier vooral wat de heersende norm van ‘fatsoenlijk’ of ‘niet-bedreigend’ is. Een bedrijf, school of instelling mag eigen eisen stellen aan wat wel en niet gedragen kan worden binnen het bedrijf. Zo mag in de reglementen staan dat een uniform verplicht is, of een hoofddoek niet is toegestaan. Dat moet dan wel duidelijk geregeld zijn. Een winkel die een vrouw ontslaat omdat ze een hoofddoek draagt, zit fout als zo’n regel niet tevoren was vastgelegd.

10 Welke vrijheid hebben kinderen?

Minderjarigen hebben niet de keuzevrijheid die volwassenen hebben. Ze zijn geen eigen rechtspersoon. Maar, zo staat in de Universele Verklaring, alle mensen zijn vrij geboren. Dus ook kinderen mogen niet tot slaaf worden gemaakt of worden uitgebuit. Om dwang en uitbuiting te voorkomen, zijn de rechten van het kind geformuleerd. In het internationaal Kinderrechtenverdrag staat dat kinderen vrij zijn om hun mening te uiten.