Mensenrechtenencyclopedie
© Flickr.com / CC / valerieroybal

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: ontstaan en actualiteit (in 10 vragen)

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ontstond in 1948 op basis van studie van veel rechtsbronnen van de westerse geschiedenis, maar met weglating van verwijzingen naar een geloof of traditie.

1. Hoe kwam de Universele Verklaring tot stand?

Bij het ontstaan van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) waren mensen met heel verscheiden beroepsachtergronden en met uiteenlopende overtuigingen en ideologieëen betrokken. De tekst is gebaseerd op rechtsbronnen van de westerse geschiedenis, maar met weglating van verwijzingen naar een geloof of traditie. Dat er in de verklaring een breed scala van mensenrechten kwam te staan, ook sociaaleconomische rechten, is te danken aan de heel verschillende achtergronden van vooral de westerse deelnemers. Bij het ontstaan stemden niet alle landen met de UVRM in, maar de verklaring is later door alle staten van de wereld erkend.

2. Wie waren de belangrijkste personen?

De besprekingen over de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, van januari 1947 tot 10 december 1948, hadden plaats in New York, Genève en ten slotte in het Palais Chaillot in Parijs. Sleutelfiguur was Eleanor Roosevelt, die al erg actief was als echtgenote van de Amerikaanse president en na zijn dood in 1945 voorzitter werd van de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens. Roosevelt drong aan op een niet-bindende minimum-verklaring die brede instemming zou krijgen. Initiatiefnemers voor de UVRM waren onder meer niet-gouvernementele Joodse organisaties in de Verenigde Staten, de Britse jurist Hersch Lauterpacht en de Franse intellectuelen Henri Laugier en Jacques Maritain. De leden van de eerste redactiegroep waren behalve Eleanor Roosevelt: de Franse jurist René Cassin, de Libanese filosoof Charles Malik en de Chinese diplomaat Peng Chang Chun. De Canadese hoogleraar John Humphrey was secretaris. Aan latere redactiegroepen werden leden toegevoegd uit onder meer Chili, Panama, Uruguay, Mexico, Iran, India en de Sovjet-Unie. Vrouwen als Bodil Begtrup (Denemarken), Minerva Bernardino (Dominicaanse Republiek) en Hansa Mehta (India) ijverden voor de rechten van vrouwen in de verklaring.

3. Welke teksten waren grondslag voor de UVRM?

Onder de teksten die voor de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bestudeerd werden waren grondwetten, verdragen, godsdienstige teksten en commentaren uit alle delen van de wereld. Veruit het belangrijkste waren de grondwetten en verdragen van westerse landen. Een comité van Unesco bracht een document uit waarin het verslag deed van een onderzoek naar mensenrechten in alle culturen en religieuze stromingen. Dat document, Gronden voor een internationale verklaring van mensenrechten (31 juli 1947), werd opgesteld door de Amerikaanse hoogleraar Richard McKeon en formuleert grotendeels dezelfde beginselen als die uiteindelijk in de UVRM kwamen te staan. Aan dat document besteedden de opstellers van de Universele Verklaring weinig aandacht. Ook genegeerd werd een document van internationale antropologen dat betoogde dat er geen echt universele waarden bestaan. In 1999 heeft de internationale vereniging van antropologen dat herroepen met een verklaring dat ze de universele beginselen van de UVRM aanvaardt.

4. Zijn er religieuze of ideologische sporen te zien in de UVRM?

Het overgrote deel van de tekst is ontleend aan de juridische taal van grondwetten en verdragen. Gelijkheid en non-discriminatie zijn de leidende beginselen. Individuele vrijheid en rechtsbescherming staan voorop; vrijheid kan alleen worden ingeperkt voor zover dat nodig is voor de mensenrechten van anderen (zoals de vrijheid van meningsuiting: oproepen tot discriminatie schaadt anderen). Slechts enkele bepalingen lijken ideologisch-religieus geïnspireerd, zoals die over het gezin als ‘de natuurlijke en fundamentele groepseenheid van de maatschappij’ (art. 16). Er werd van verschillende kanten, onder meer door de Nederlandse afgevaardigde pater Leo Beaufort, aangedrongen op het noemen van God als de bron van mensenrechten, maar de uiteindelijke tekst van de UVRM verwijst daar niet naar: ‘Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen’ (art. 1).

5. Hoe kwamen de sociaaleconomische rechten in de UVRM?

De oproep om sociaaleconomische rechten in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens op te nemen kwam vooral van de Latijns-Amerikanen, die eerder in 1948 al een Inter-Amerikaanse Verklaring van de Mensenrechten hadden aangenomen. Deze rechten vonden weerklank bij twee belangrijke auteurs van de tekst, John Humphrey en René Cassin, die beiden socialistische idealen koesterden. De Sovjetstaten brachten het beginsel van non-discriminatie sterk naar voren, vooral om de Amerikanen dwars te zitten (de VS kenden toen nog een beleid van rassensegregatie). Omdat de sociaaleconomische rechten (of ESC-rechten) in de UVRM staan, gelden ze als net zo belangrijke mensenrechten als alle andere mensenrechten. Later is dat de ‘ondeelbaarheid van alle mensenrechten’ genoemd: het ene recht kan niet boven het andere worden gesteld, het recht op voedsel is niet belangrijker dan het recht op vrije meningsuiting of geloof. Vanzelfsprekend verschillen wel de middelen om die rechten te verwezenlijken. Er wordt wel een onderscheid gemaakt tussen mensenrechten waar de overheid vooral iets niet moet doen (marteling, gevangenschap, censuur) en waar ze vooral wel iets moet doen (zoals om werk, voedsel en huisvesting te helpen garanderen).

6. Was de UVRM een reactie op de Holocaust?

Diverse auteurs stellen dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens op de eerste plaats is ingegeven door de ervaringen van de Holocaust. In de Preambule van de UVRM staat de overweging ‘dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan …’. Rechten als die op erkenning als persoon voor de wet, de gelijkheid voor de wet, en de keuzevrijheid in huwelijk, beroep en onderwijs waren bij uitstek door de nazi’s geschonden. Het recht op asiel was door de Jodenvervolging heel belangrijk geworden. Maar die rechten, en de meeste andere van de UVRM, waren al eerder en soms lang vóór de Holocaust erkend in grondwetten, verdragen en rechtszaken. Opvallend is dat in de UVRM niets te vinden is over de bescherming van minderheden, een gebrek dat juist door de Holocaust naar de voorgrond was gebracht. Veel staten, zowel communistische als die met koloniën, waren beducht voor een sterkere positie van minderheden op hun grondgebied.

7. Hoe was de stemming in de vergadering die de UVRM aanvaardde?

De UVRM werd aangenomen op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de VN. Er waren geen tegenstemmen. 48 staten stemden vóór en 8 onthielden zich (zes Oostbloklanden, Zuid-Afrika en Saudi-Arabië). Bij de laatste stemming legde de Sovjet-Unie een heel lange verklaring af. De redenen van onthouding waren, in de woorden van Eleanor Roosevelt: ‘De Sovjet-Unie en haar satellietstaten onthielden zich omdat de Russische delegatie ons voorhield dat de verklaring de nadruk legde op “18e-eeuwse rechten” en niet voldoende op economische, sociale en culturele rechten. De gedelegeerde van Saoedi-Arabië onthield zich, zeggende dat hij er heel zeker van was dat de koning niet zou instemmen met de interpretatie van de Koran. Zuid-Afrika onthield zich tot mijn verdriet ook; zijn vertegenwoordiger zei dat zij hun mensen basismensenrechten hoopten te geven, maar dat de verklaring te ver ging.’ 

8. Hoeveel  verzet was er tegen de Universele Verklaring van de Rechten van Mens?

Tijdens de vergaderingen eind 1948 kwam, volgens John Humphrey, het belangrijkste verzet van twee kanten: van de Sovjet-Unie en staten waarover zij heerschappij had, en van bepaalde katholieke delegatieleden zoals die van Cuba.  Humphrey noteerde kort voor de aanvaarding over de Cubaanse afgevaardigde: ‘Mocht de Universele Verklaring er niet komen, dan is dat meer zijn fout dan die van iemand anders.’ Sovjet-afgevaardigde Andrej Vysjinski, die rechter was geweest in de stalinistische showprocessen, noemde in een lange slotverklaring de UVRM ‘een ontoelaatbare inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van staten’. Behalve Saudi-Arabië stemden de landen met een moslimmeerderheid vóór: Afghanistan, Egypte, Iran, Irak, Jemen, Syrië en Turkije. Later hebben alle landen van de wereld de UVRM bevestigd – zie de laatste vraag.

9. Hoe was de diversiteit onder de opstellers?

Als je een lijst maakt van de vijftig mensen die het meest prominent waren in de notulen en de literatuur over het ontstaan van de UVRM, zie je dat die afkomstig waren uit bijna alle continenten. Maar zó groot was hun diversiteit niet:

  • Onder de vijftig prominente mensen waren zes vrouwen. Onder hen de cruciale persoon in de voorbereidingen: Eleanor Roosevelt. 
  • Er waren beduidend meer mensen van een humanistische, socialistische of liberale overtuiging (zo’n twintig) dan mensen die zich op de eerste plaats als christen identificeerden (zo’n tien). Verder waren vier joods, drie moslim en zeven communist; van anderen was de overtuiging of religie niet duidelijk. Alle communisten onthielden zich aan het slot van stemming.
  • 15 mensen waren afkomstig uit West-Europa, 7 uit Oost-Europa, 9 uit Noord-Amerika en Oceanië, 8 uit Latijns-Amerika, 8 uit Azië, 3 uit het Midden-Oosten en geen uit Afrika. Veel Aziatische en bijna alle Afrikaanse landen waren in 1948 nog koloniën en daarom niet vertegenwoordigd in de Verenigde Naties.
  • Ook de grote meerderheid van prominenten van buiten Europa en Noord-Amerika had in een westers land gestudeerd of was als diplomaat werkzaam in een westers land.

10. Hoe universeel is de Universele Verklaring?

Het gebrek aan diversiteit bij het ontstaan is ruimschoots goedgemaakt door brede erkenning sindsdien. Beslissingen om de Universele Verklaring níét aan te passen zijn in 1968 (Teheran) en 1993 (Wenen) zonder tegenstem genomen door de lidstaten van de VN. Dat betekent dat alle lidstaten van de Verenigde Naties, en niet alleen de landen die in 1948 instemden, de UVRM nu hebben aanvaard (Taiwan, in 1971 uit de VN gezet, onderschrijft de UVRM ook). Sinds 1948 hebben de Verenigde Naties zo’n driehonderd verdragen en verklaringen op het terrein van mensenrechten aangenomen. Verwijzingen naar de Universele Verklaring zijn te vinden in de grondwetten van meer dan negentig landen.