Mensenrechtenencyclopedie
© Flickr.com / CC / valerieroybal

Haatzaaien en haatspraak

Haatzaaien of haatspraak is taalgebruik dat een persoon of groep aanvalt op grond van godsdienst of seksuele oriëntatie, of een uiting is van xenofobie of rassendiscriminatie.

Haatzaaien of haatspraak (Engels: hate speech) valt volgens het VN-verdrag (BuPo) niet onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting omdat ze, door op te roepen tot geweld en discriminatie, geldt als een misbruik van dat recht. In westerse landen wordt holocaustontkenning vaak tot haatzaaien gerekend. In bijvoorbeeld Canada kan ook het maken van laatdunkende grappen over vrouwen of First Nations (‘indianen’) als haatzaaien worden bestraft.

Verwant aan haatzaaien is oorlogspropaganda, dat in het internationale recht en in veel landen verboden is, maar bijvoorbeeld niet in Nederland. In het Nederlandse parlement zijn er echter stemmen om die propaganda alsnog strafbaar te stellen.

Haatzaaien in het Nederlandse strafrecht

Artikel 137d van het Nederlands Wetboek van Strafrecht zegt:
1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
2. Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van de vierde categorie opgelegd.

Haatzaaien: Amnesty’s visie

Amnesty bestrijdt discriminatie, maar is in het algemeen voorstander van terughoudendheid bij het wettelijk beperken van de vrijheid van meningsuiting. Haatzaaien is  gevaarlijk als het met gewelddadige actie. of oproepen daartoe gepaard gaat. Zo zijn in het Rwanda-tribunaal personen veroordeeld voor het oproepen tot geweld tegen de Tutsi’s (‘kakkerlakken’), onder meer via nationale radiostations. Het misdrijf was niet het haatzaaien als zodanig, maar het directe verband met het bewapenen van de Hutu’s.

Amnesty onderschrijft het beginsel dat degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan haatzaaien voor de rechter moeten worden gebracht. Amnesty vindt ook dat, afgezien van rechterlijke uitspraken, politici, opinieleiders en burgers moeten opkomen tegen uitingen die bepaalde (religieuze of etnische) groepen uitsluiten of in het nauw drijven. Ook waar niet direct sprake is van haatzaaien, kan een geheel van uitingen en praktijken wel degelijk gelijkstaan aan discriminatie.