Mensenrechtenencyclopedie
© Flickr.com / CC / valerieroybal

Geschiedenis van de mensenrechten

De geschiedenis van de mensenrechten kan op verschillende manieren geschreven worden. Dat is omdat ‘de mensenrechten’ verschillende betekenissen hebben.

De geschiedenis van de mensenrechten is een combinatie van verschillende geschiedenissen.

  • Mensenrechten in de filosofie: de ideeën over menselijke waardigheid en de rechten die iedereen overal toekomen.
  • Mensenrechten in internationaal recht: de normen en sancties die door de eeuwen heen zijn vastgelegd in verdragen, verklaringen en nationale wetten.
  • Mensenrechten in de politiek en in campagnes: de praktijk om schendingen van regeringen aan de kaak te stellen en te pleiten voor solidariteit en actie voor de slachtoffers.

Zijn mensenrechten zo oud als de menselijke beschaving?

Sommige mensenrechtenideeën zijn zo oud als de beschaving. Vanaf de vroegste tijden, bijvoorbeeld in Hammurabi’s Wetboek van Babylon uit ca. 1750 v. C., zijn wetten geschreven (of in steen gehouwen) die beginselen van rechtvaardigheid, billijkheid en bescherming omvatten. Dergelijke wetten schrijven onder meer voor:

  • Mensen moeten wettelijk worden beschermd;
  • Een heerser is beperkt door de wet zodat hij zijn onderdanen niet naar willekeur kan behandelen;
  • Vrouwen, kinderen, buitenlanders en andere groepen verdienen speciale bescherming;
  • Zelfs slaven mogen niet zomaar mishandeld worden;
  • Rechtbanken moeten vrij zijn van corruptie en willekeur.

Deze oude wetten kunnen niet zonder meer gelijkgesteld worden met ‘mensenrechten’. Ze waren niet universeel: ze waren van toepassing op een bepaalde staat of samenleving, niet op de mensheid als geheel. Ze handhaafden grove ongelijkheid: er was geen twijfel dat een vorst, een burger en een slaaf dezelfde rechten zouden hebben. En veel van wat we tegenwoordig mensenrechten noemen wordt niet genoemd in die oude wetten, zoals het recht op vrijheid van meningsuiting of het verbod op marteling.

Een tijdlijn

In de geschiedenis van de mensenrechten is er geen lineaire ontwikkeling. Wel kan een reeks fasen worden onderscheiden. ‘Fase’ betekent hier dat bepaalde ideeën en praktijken een doorbraak hadden of bloei doormaakten in een bepaalde periode, ook al bestonden ze misschien al eerder.

  1. Oude geschiedenis: de waardigheid van de mens. Ideeën over de inherente waardigheid van de mens ontstonden duizenden jaren geleden, in de wet en in religie. Bij die waardigheid hoorden beginselen zoals dat je geen willekeurig geweld zou moeten gebruiken, liegen, stelen of contracten verbreken. Al vóór 200 v.C. waren de meeste van ’s werelds belangrijkste geloofssystemen gesticht: het joodse geloof (later ontwikkeld tot het christendom), het confucianisme en het taoïsme in China, het hindoeïsme en het boeddhisme in India, en de humanistische filosofie van Athene.
  2. 3de eeuw voor Christus: gelijkheid. Het idee dat gelijkheid van rechten op alle mensen van toepassing is, vinden we bij de Griekse filosofen van de Stoa. Ze beschouwden man en vrouw als gelijk. Ze pleitten voor respect voor vrouwen en kinderen, voor compassie en tolerantie jegens de ander, voor opname van ‘barbaren’ in de mensengemeenschap. Sommige stoïcijnen beschouwden slaven als gelijkwaardig aan andere mensen.
  3. 13e eeuw: de volksvertegenwoordiging. De praktijk dat de overheid verantwoording verschuldigd is aan volksvertegenwoordigers bestond al in Griekse stadstaten zoals Athene, maar verdween daarna vele eeuwen. Vanaf de 12e eeuw werden kleine parlementen opgericht in Schotland, Polen, het koninkrijk León en Parijs. Het meest opvallend was de Engelse Magna Carta van 1215, een contract tussen de vorst en de (welgestelde) burgers die een ‘parlamentium’ (praathuis) vormden. Later kwamen de Bill of Rights (1689) en de erkenning van ieder persoon voor de wet in de Engelse habeas corpus (1679). Binnen de democratie werden aanvankelijk vooral de vrijheids- en participatierechten ontwikkeld. Ook werden de beginselen van de rechtsstaat en de rechtvaardige oorlog geformuleerd, en werden de eerste ideeën ontwikkeld over geweldloze weerbaarheid, onder meer door de Quakers.
  4. 18e eeuw: het recht op individuele vrijheid. Enkele hoofdrolspelers van deze periode worden in de volgende paragraaf beschreven. Dit was het tijdperk waarin de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (1776) en de Franse Verklaring van de rechten van de mens en de burger (1789) het licht zagen.
  5. 19e eeuw: sociaaleconomische rechten en afschaffing van de slavernij. Het recht op bescherming op het gebied van werk en werkloosheid ontstond in de 19e eeuw onder druk van de vakbondsbeweging. Een Britse nationale vakbond werd opgericht in 1830. Onder druk van binnen en buiten het parlement heeft het Britse rijk de slavenhandel in 1807 en de slavernij in 1833 afgeschaft. Slavernij werd later afgeschaft in landen zoals Rusland (1861), Nederland (1863) ) en de Verenigde Staten (1865).
  6. Begin 20e eeuw: gelijke rechten voor vrouwen en mannen. Het kiesrecht voor vrouwen werd geïntroduceerd in Nieuw-Zeeland (1893), vervolgens in landen als Nederland en Rusland (1917), de Verenigde Staten (1920) en het Verenigd Koninkrijk (1928).
  7. Sinds 1948: universele normen. Uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) is een nog altijd groeiende reeks internationale mensenrechtenverdragen, verklaringen en toezichthoudende instellingen voortgekomen.

Vijf hoofdrolspelers in de individuele vrijheid

Veel filosofen, activisten, politici en anderen hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van mensenrechten. Grote doorbraken vonden plaats in de 18e eeuw, tijdens de Verlichting. Dit zijn vijf personen wier handelingen en geschriften grote invloed hadden tot ver buiten de grenzen van hun geboorteland.

  • Voltaire (Frankrijk, 1694-1778) bepleitte het recht om een ​​religie te kiezen of niet. Vanaf 1726 leefde hij afwisselend in ballingschap en onder een valse naam in Frankrijk. Pas aan het einde van zijn leven ontving hij grote onderscheidingen in Frankrijk. Zijn geschriften gaven vorm aan de ideeën van de Verlichting, zijn acties voor slachtoffers van religieuze vervolging gaven het ​​voorbeeld voor onafhankelijke campagnes tegen onrecht en onverdraagzaamheid. De uitspraak die hem wordt toegeschreven: ‘Ik verafschuw uw ideeën maar ben bereid te sterven voor uw recht om ze te verspreiden’ is eigenlijk van een biograaf, maar geeft goed zijn leven en werk weer.
  • John Locke (Engeland, 1632-1704) deed veel inspiratie op tijdens zijn vijf jaar durende ballingschap in Nederland, van 1683 tot 1688. In zijn Twee verhandelingen over het regeren (1690) nam hij een ‘natuurlijke staat’ aan waarin alle mensen vrij en gelijk worden geboren, niet onderworpen aan enige autoriteit. Het maatschappelijk middenveld vervangt die natuurlijke staat. De Staat wordt zo het resultaat van een ‘sociaal contract’ waarin mensen zich vrijwillig verplichten de beslissingen van de meerderheid na te komen. In die samenleving heeft de koning geen goddelijk recht en heeft iedereen onvervreemdbare rechten op leven, vrijheid, eigendom en gezondheid.
  • Cesare Beccaria (Italië, 1735-1794) publiceerde Over misdaad en straf in 1764. Het rechtssysteem moet bijdragen aan het grootste geluk van het grootste aantal, het kan nooit de rechtvaardiging zijn van de macht van koningen en adel. Straffen moeten humaan zijn, doodstraf en marteling moeten worden afgeschaft. Vanwege zijn logisch opgebouwd systeem is Beccaria een grondlegger van de rechtsstaat.
  • Thomas Paine (1737-1809) werd geboren in Engeland en emigreerde in 1774 naar Amerika. Daar publiceerde hij Common Sense, een oproep tot Amerikaanse onafhankelijkheid, waarvan binnen een jaar honderdduizend exemplaren werden verkocht. Daarna ging hij naar Frankrijk en publiceerde De rechten van de mens (1791). De principes ervan zijn, ten eerste, dat alle mensen vrij worden geboren en gelijke rechten hebben. Ten tweede, de politiek mag zich niet mengen in ‘natuurlijke’ rechten van mensen zoals vrijheid, eigendom, veiligheid en het recht om in verzet te komen tegen aan onderdrukking. En ten derde, de macht van de staat wordt gelegitimeerd door het volk.
  • Mary Wollstonecraft (Engeland, 1759-1797), die bevriend was met Paine, schreef het eerste boek over hoe vrouwen volledig gelijk moeten zijn aan mannen: in hun rechten, hun opleidingsmogelijkheden, hun vertegenwoordiging in de politiek. In haar Pleidooi voor de rechten van de vrouw (1791) schrijft ze: ‘Vrouwen hebben, dat erken ik, andere taken te vervullen; maar de principes waaraan ze zijn onderworpen moeten, dat zal ik koppig volhouden, hetzelfde zijn.’ En: ‘Ik denk echt dat vrouwen vertegenwoordigd moeten zijn [in de politiek] ’. Na haar vroege dood toonde het publiek meer interesse in haar liefdesleven dan in haar geschriften. Het duurde nog honderd jaar voordat haar ideeën op grote schaal serieus werden genomen.

Wat dreef de ontwikkeling van mensenrechten?

  • Een factor achter de ontwikkeling van mensenrechten is het streven naar vrijheid in de zin van emancipatie voor groepen als burgers, werknemers, vrouwen en slaven.
  • Er is ook het streven naar vastlegging in wetten, zoals in internationale wetten tegen wreedheden zoals slavernij, marteling en gevangenschap.
  • In de mensenrechten is er een streven naar objectiviteit, verslaggeving moet feitelijk en eerlijk zijn. De Romeinse historicus Tacitus (1e eeuw) schreef al dat historische beschrijvingen ‘sine ira et studio’ zouden moeten zijn (zonder wrok of vooringenomenheid).
  • Medemenselijkheid is een drijvende kracht achter de inspanningen om zowel fysieke als mentale wreedheid te beperken.
  • Sentimentaliteit doet een beroep op compassie voor anderen omdat ze mensen zijn die gevoelens hebben zoals jij: slaven, armen, krankzinnigen, criminelen, vrouwen en kinderen. Rond 1750 ontstond in Europa een romanliteratuur waarin empathie voor de minder bedeelden een belangrijke rol speelt. In zijn toespraak tijdens de ceremonie rond de uitreiking van de Nobelprijs voor de Vrede vatte Barack Obama het proces samen als ‘de voortdurende uitbreiding van morele verbeelding’.
  • Het idee van toenemende universaliteit benadrukt de geldigheid van de mensheid, normen en morele oordelen, waar en wanneer dan ook. We zien het al in de Griekse Stoa-filosofie.
  • Ten slotte is er de oproep tot activisme. Karl Marx schreef in 1845: ‘Filosofen hebben de wereld alleen maar geïnterpreteerd. De zaak is die te veranderen.’ In de mensenrechten is het pad naar die verandering onpartijdig en geweldloos.

De Universele Verklaring

Pas in 1948 kwam er een echte wereldwijde verklaring: de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM). In wezen is de tekst de uitwerking van een idee dat al sinds mensenheugenis bestaat: gemeenschappelijke fundamentele rechten zijn nodig omdat de samenleving zonder die rechten niet kan bestaan. Een samenleving die willekeur toestaat in de vorm van misleiding, contractbreuk of willekeurig geweld en machtsmisbruik, is een gevaar voor zichzelf.

De tekst van de UVRM is tot stand gekomen op basis van een studie van vele rechtsbronnen uit de westerse geschiedenis, maar zonder verwijzing naar een geloof of traditie. Mensen met zeer verschillende professionele achtergronden en met uiteenlopende overtuigingen en ideologieën waren bij de creatie betrokken. Dat een breed scala van mensenrechten, inclusief sociaaleconomische rechten, is opgenomen, was vooral te danken aan de heel verschillende achtergronden van westerse deelnemers in de voorbereidende debatten. Toen ze tot stand kwam, waren niet alle landen het eens met de UVRM. Toch hebben de VN-lidstaten in 1968 (Teheran) en 1993 (Wenen) zonder tegenstem besloten om de Universele Verklaring niet te wijzigen. Dat betekent dat alle lidstaten van de Verenigde Naties, en niet alleen degenen die het in 1948 eens waren, nu de UVRM hebben aanvaard. Sinds 1948 hebben de Verenigde Naties zo’n driehonderd verdragen en verklaringen op het gebied van mensenrechten aangenomen. Verwijzingen naar de Universele Verklaring zijn te vinden in de grondwetten van ten minste negentig landen.

Maar zijn mensenrechten niet van recente datum?

In zijn boek The Last Utopia: Human Rights in History (2010) betoogde de Amerikaanse historicus Samuel Moyn dat ‘de mensenrechten’ pas rond 1968 een begrip werden dat de mensheid verenigde in haar strijd voor gerechtigheid. In Oost- en West-Europa, evenals in de Verenigde Staten en Latijns-Amerika, werd ‘mensenrechten’ binnen enkele jaren het sleutelwoord in sociaal activisme, de retoriek van de internationale politiek en de acties van de Verenigde Naties. Dat gebeurde in de ruimte die was ontstaan door de ondergang van eerdere politieke utopieën, zoals communisme en nationalisme.

Moyn beschrijft hoe de moderne mensenrechtenideologie een hoge vlucht nam met Amnesty International, de organisatie die werd opgericht in 1961 en in de jaren zeventig uitgroeide tot een echte transnationale beweging. Nu was er voor het eerst een organisatie die zich richtte op de individuele slachtoffers van dictators en junta’s, die buiten regeringen om werkte en burgers aanmoedigde om brieven te schrijven aan regeringen. Amnesty werd in 1977 bekroond met de Nobelprijs voor de Vrede. In hetzelfde jaar maakte de Amerikaanse president Carter de mensenrechten tot hoeksteen van zijn buitenlands beleid.

De mensenrechtenverdedigers van Amnesty en andere organisaties verwijzen geregeld naar historische bronnen voor hun werk en noemen dan in het bijzonder de Verlichting. Moyn vindt dat niet terecht: ‘Tijdens de Verlichting staken mensen geen kaarsen aan om gevangenen vrij te krijgen. Ze legden liever de nek van de koning onder de guillotine.’ Dus zijn de mensenrechten slechts enkele decennia oud? In de zin van een wereldwijd erkende term: ja. Maar zoals dit lemma betoogt, hebben ideeën en praktijken van lang geleden vorm gegeven aan wat we nu mensenrechten noemen.