Mensenrechtenencyclopedie
© Flickr.com / CC / valerieroybal

Geweldloze weerbaarheid en mensenrechten

Geweldloze weerbaarheid is het oplossen van conflicten zonder geweld te gebruiken of daarmee te dreigen.

De oudste ideeën over geweldloze weerbaarheid zijn te vinden in het Indiase hindoeïsme en het Chinese taoïsme, vanaf de 4e eeuw v.Chr. In het Westen weigerden bijvoorbeeld de Quakers dienst. In de 20e eeuw ontwikkelde de Indiase leider Mahatma Gandhi (1869-1948) de gedachte van de satyagraha (een reeks ethische normen die onder meer geweldloosheid, gelijkheid, respect en eerlijkheid voorschrijft). Gandhi leidde de eerste massale campagnes van geweldloos verzet uit de geschiedenis. Zijn methoden waren van grote invloed op de beweging voor burgerrechten, waarvan Martin Luther King (1929-68) een bekende voorman was. Een moderne theorie over geweldloze weerbaarheid is die van de Noorse polemoloog Johan Galtung, die stelt dat het eerste doel niet de verdediging van een territorium is, maar de verdediging van bepaalde waarden van de samenleving.

Geweldloze weerbaarheid: sociale verdediging en burgerlijke ongehoorzaamheid

Met ‘sociale verdediging’ wordt vaak gedefinieerd als verzet tegen een bezetter, zonder wapens maar door daden van sabotage, het onthouden van medewerking, boycots, stakingen en publicitaire acties. ‘Burgerlijke ongehoorzaamheid’ is de symbolische, niet-gewelddadige overtreding van de wet als protest tegen onrecht. Burgerlijke ongehoorzaamheid is veelvuldig gepleegd door nationalistische bewegingen, de vredesbeweging en bewegingen voor burgerrechten. In de moderne tijd heeft burgerlijke ongehoorzaamheid onder meer de vorm aangenomen van het niet betalen van bepaalde belastingen als protest tegen defensie-uitgaven.

Geweldloze weerbaarheid: bekende voorbeelden

Geweldloze weerbaarheid speelde een belangrijke rol in het activisme van onder meer de Birmese politica Aung San Suu Kyi, bisschop Belo van Oost-Timor, de dalai lama van Tibet, de Italiaanse vredesactiviste Chiara Lubich, de Zuid-Afrikaan John Lutuli, bisschop Oscar Romero van El Salvador en de Britse filosoof Bertrand Russell. Geweldloosheid behoort tot de kenmerken van het werk van mensenrechtenverdedigers. Soms besloten oorspronkelijk geweldloze activisten zich alsnog bij het gewapend verzet aan te sluiten, zoals de Colombiaanse priester Camilo Torres.

Naast de al genoemde methodes zijn er tientallen andere vormen van geweldloos verzet, waaronder hongerstaking, demonstratie, ondergrondse pers en stiptheidsacties. Mensenrechtenactivisten hebben voorgesteld dergelijke technieken op scholen te onderwijzen, als middel van geweldloze verdediging in tijd van oorlog, maar overheden durven dat niet aan, omdat ze bang zijn dat het verzet zich tegen hen zelf zal keren.