Mensenrechtenencyclopedie
© Flickr.com / CC / valerieroybal

Internationaal recht, internationale rechtspraak en tribunalen

Internationaal recht is ten eerste het straf- en privaatrecht tussen staten (ook volkenrecht genoemd) en ten tweede het recht dat boven nationaal recht gaat.

De mensenrechten die in internationale verdragen zijn vastgelegd vallen onder de laatste categorie. In sommige staten, bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, geldt dat internationaal recht pas geldig is nadat de staat de bepalingen in de eigen wetgeving heeft opgenomen. In andere staten, waaronder Nederland, wordt aan internationaal recht een rechtstreekse werking toegekend.

Rechters kunnen dan mede aan de hand van internationale verdragen tot een vonnis komen, als ze aan nationaal recht niet genoeg hebben. Ook verklaringen van de VN en andere intergouvernementele organisaties die geen bindend karakter hebben (zoals dat wel het geval is bij verdragen) kunnen als een vorm van gewoonterecht toch tot de algemeen aanvaarde rechtsnormen gaan behoren.

Internationaal recht: verdragen

De term ‘internationaal recht’ werd in 1780 voor het eerst gebruikt door de Britse filosoof Jeremy Bentham (1748-1832). Eerder werden al ideeën ontwikkeld door Hugo de Groot (1583-1645), op grond van het natuurrecht en het Romeinse ius gentium (recht der volken). Modern internationaal recht heeft niet alleen betrekking op staten, maar ook op internationale en regionale organen, politieke lichamen en zelfs op individuele burgers, vooral wat de mensenrechten betreft.

Voorbeelden zijn de VN-verdragen van 1966, het Genocide-verdrag, de Geneefse verdragen inzake humanitair oorlogsrecht en het VN-verdrag tegen marteling. Regionale mensenrechtenverdragen zijn het Europees Verdrag, het Amerikaans Verdrag, het Afrikaans Handvest en het Arabisch Handvest. Het internationaal recht is bij uitstek een vorm van recht die erga omnes geldt, dat wil zeggen dat de bepalingen overal en voor iedereen geldig zijn.

Internationaal recht: Amnesty’s visie

Amnesty baseert de opvattingen die zij uitdraagt over wat regeringen (en anderen) moeten doen om de mensenrechten na te leven, primair op de tekst van internationale mensenrechtenverklaringen en –verdragen. Daarbij worden vaak interpretaties aangehaald die onder die verdragen ingestelde gerechtshoven en toezichthoudende organen aan de bepalingen van de verdragen hebben gegeven.

Amnesty beperkt zich niet tot bestaand internationaal recht. De organisatie voert actie om nieuwe interpretaties ingang te doen vinden (bijvoorbeeld dat het recht op leven inhoudt dat de doodstraf moet worden verboden) en ook voor geheel nieuwe verdragen (bijvoorbeeld voor het instellen van het Internationaal Strafhof, dat in 1998 werd verwezenlijkt).

Internationale rechtspraak

Internationale rechtspraak is gebaseerd op beginselen en verdragen van het internationaal recht. Historische pogingen tot internationale berechting waren er in verband met Napoleon (1815) , de Duitse keizer Wilhelm II (1918) en de genocide op Armeniërs in Turkije (1919). Geen van deze pogingen lukte. Na de processen in Neurenberg (1945-1946) en Tokio (1946-1948) kwamen er niet meteen nieuwe internationale tribunalen. Na de Tweede Wereldoorlog koesterden velen nog de hoop op een permanent internationaal tribunaal, maar de stap daartoe werd lange tijd niet gemaakt.

Lange tijd was het enige internationaal rechtsprekend lichaam het Internationaal Hof van Justitie, dat echter geen andere sancties kan opleggen dan die door de betrokken partijen aanvaard worden. Wel kwamen er twee regionale rechtbanken, het Europese Hof voor Mensenrechten en het Inter-Amerikaanse Hof (Amerikaans Verdrag), respectievelijk voor het rechtsgebied van de Raad van Europa en dat van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS). Staten die de rechtspraak van deze hoven hebben erkend hebben zich verplicht de uitspraken na te leven.

Internationale tribunalen

In de jaren negentig ontstonden internationale tribunalen voor voormalig Joegoslavië en Rwanda, en in 1998 werd het Statuut van het Internationaal Strafhof aanvaard. Een bijzondere vorm van internationale rechtspraak is gebaseerd op de universaliteit van jurisdictie, waarbij een land recht spreekt over misdrijven die door buitenlanders in het buitenland zijn begaan. Het VN-tribunaal voor voormalig Joegoslavië (1993) is gevestigd in Den Haag, het Rwanda-tribunaal (1994) in Arusha, Tanzania.

De tribunalen kunnen rechtspreken over oorlogsmisdrijven (Geneefse verdragen), misdrijven tegen de menselijkheid, genocide en de misdaad van agressie.Er kwamen ook internationale tribunalen voor Sierra Leone (2000), Cambodja (2002) en Libanon (2009). Het Internationaal Strafhof, dat in 2003 zijn werkzaamheden begon, zal de behoefte aan aparte internationale tribunalen doen verdwijnen.

Internationale rechtbanken: Amnesty’s visie

Internationale organisaties, zoals de ILO, hebben eigen tribunalen. Niet-gouvernementele organisaties belegden tribunalen die  een symbolische en geen bindende juridische betekenis hadden, zoals de tribunalen vernoemd naar Bertrand Russell. Amnesty heeft de ontwikkelingen van internationale rechtbanken steeds kritisch gevolgd. In het algemeen is Amnesty een voorstander van die rechtbanken, omdat het straffeloos blijven van de verantwoordelijken voor schendingen van mensenrechten een belangrijke oorzaak is van het dóórgaan van die schendingen.

Waarom zijn internationale verdragen belangrijk?

Er zijn op het gebied van de mensenrechten en andere fundamentele rechten honderden verdragen. Als een staat eenmaal een bepaald verdrag geratificeerd heeft, is die staat eraan gebonden. Het internationaal recht gaat meestal zelfs boven wat er in het nationaal recht is geregeld. Maar alleen de grootste optimist zou beweren dat daarmee de belangrijkste stap in de bescherming van mensenrechten is genomen.

Staten schenden de internationale verdragen op grote schaal. Het overgrote deel van de bijna tweehonderd staten van de wereld heeft verdragen bekrachtigd die marteling verbieden, maar volgens Amnesty worden in zo’n 150 landen arrestanten geregeld gemarteld of mishandeld. Internationale wetten worden nog slechter nageleefd dan nationale. De reden daarvan ligt voor de hand: er is geen internationale politie die de wetten handhaaft.

Er is sinds 2003 wel een Internationaal Strafhof, maar dat zal nog lange tijd van heel beperkte betekenis zijn. Er zijn bij veel verdragen comités van toezicht ingesteld, bijvoorbeeld voor het VN-verdrag voor burgerrechten en politieke rechten. Maar in de praktijk bestaat zo’n comité uit een groepje diplomaten en ambtenaren die van de ontelbare schendingen er jaarlijks hooguit enkele tientallen behandelen.

Wat hebben die internationale verdragen dan voor zin? Dat moet zich op de langere termijn bewijzen. Een verdrag stelt normen. Op grond daarvan kan bijvoorbeeld een rapporteur worden aangewezen, die over schendingen bericht. Een volgende stap is het instellen van een comité van toezicht. Ten slotte kan er op grond van het verdrag een gerechtshof komen. Zo’n hof hoort bijvoorbeeld bij het Europees mensenrechtenverdrag. Wie kan aantonen dat zijn of haar zaak in eigen land niet goed wordt behandeld, kan daar alsnog recht halen.

Maar enig optimisme over de betekenis van verdragen is gerechtvaardigd. Internationale verdragen worden lang niet altijd gerespecteerd, maar ze worden bijna nooit teruggedraaid.