Rechtbank in Chengdu
© Amnesty International

Het rechtssysteem

In de afgelopen 40 jaar werd het Chinese rechtssysteem enorm uitgebouwd. Toch is China geen rechtsstaat. De communistische machthebbers onderwerpen zich niet aan de bepalingen van het Chinese recht.

Staat en partij

Formeel zijn er in de Volksrepubliek China twee afzonderlijke bestuurlijke instituten met elk hun eigen verantwoordelijkheden: de Chinese staat en de Communistische Partij. Tijdens de jaren waarin Mao Zedong de absolute leider was (1949-1976), was de staat zeer ondergeschikt en besliste de Chinese Communistische Partij (CCP) feitelijk over alles. Dit veranderde in 1978, met de hervormingen die Deng Xiaoping doorvoerde. Staatsorganen kregen een steeds belangrijker aandeel in het bestuur. Het rechtssysteem, dat volledig in onbruik was geraakt onder Mao Zedong, werd heropgebouwd. Maar vooral sinds het aantreden van Xi Jinping zien we dat de CCP zich steeds nadrukkelijker opstelt als de absolute leider, die controle kan en moet uitoefenen over alle overheidszaken en over de rechtspraak.

Grondwet

De Chinese grondwet bevat de belangrijkste regels voor de organisatie van de staat. In hoofdstuk 2 staan de artikelen over de “fundamentele rechten en plichten” van de Chinese burgers. Het stelt onder meer dat alle burgers gelijk zijn voor de wet, en ook dat zij kunnen genieten van een breed gamma aan rechten zoals kiesrecht, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging en vergadering, en vrijheid van godsdienst. Artikel 33 van de grondwet luidt: “De staat respecteert en beschermt de mensenrechten”.

In realiteit worden de rechten van Chinese burgers echter zeer gebrekkig gewaarborgd, en worden de mensenrechten systematisch geschonden. China begaat zo niet alleen inbreuken op de verplichtingen die het is aangegaan in internationale mensenrechtenverdragen, maar de overheid schendt ook consequent haar eigen grondwet. Er is echter geen mogelijkheid voor burgers om de grondwettelijkheid van overheidsacties aan te kaarten.

De huidige Chinese grondwet dateert van 1982 en werd sindsdien verschillende keren aangepast. Dit gebeurde steeds na belangrijke politieke omwentelingen. De wijzigingen vertaalden zo de nieuwe politieke visies van de communistische leiders. De laatste keer dat de grondwet werd gewijzigd was in 2018. Xi Jinping schrapte toen de presidentiële ambtstermijnen en zorgde ervoor dat hij de rest van zijn leven aan de macht kan blijven.

Gedwongen huisuitzettingen in het Haidan-district in Beijing in 2013. De autoriteiten hadden de grond verkocht aan projectontwikkelaars.
Gedwongen huisuitzettingen in het Haidan-district in Beijing in 2013. De autoriteiten hadden de grond verkocht aan projectontwikkelaars.

Democratisch centralisme

De Chinese overheid opereert op verschillende bestuursniveaus. Het belangrijkste niveau is het centrale niveau, de regering in Beijing. Daaronder bevindt zich het provinciale niveau: dit omvat onder meer de 22 provincies in China (officieel zijn dit er 23, omdat de Volksrepubliek ook de regio Taiwan als een provincie beschouwt), de 5 autonome gewesten met een grote concentratie van etnische minderheden (zoals Tibet en Xinjiang), de 4 stadsprovincies (Beijing, Tianjin, Shanghai en Chongqing) en de 2 Bijzondere Administratieve Gebieden (Hong Kong en Macau). Hieronder bevinden zich verschillende lokale bestuursniveaus, waaronder de prefecturen, de districten, de steden en de dorpen.

De Chinese staat, net zoals de Chinese partij, is hiërarchisch georganiseerd volgens het principe van het democratisch centralisme. Dit betekent dat de centrale staatsorganen het absolute leiderschap uitoefenen, en dat alle lokale bestuursniveaus moeten gehoorzamen aan het centrale bestuursniveau (centralisme). Tegelijkertijd moeten centrale leiders ondersteund worden door lokale bestuursniveaus om naar de top te klimmen en daar te blijven (democratisch), en hebben lokale bestuursniveaus belangrijke bevoegdheden om zaken van lokaal belang te regelen.

Omwille van China’s grootte en verscheidenheid, is de macht die gegeven wordt aan lokale autoriteiten zeer belangrijk. China is zo divers dat het onmogelijk is om het land volledig centraal vanuit Beijing te regeren. Het is daarom inzichtelijker om China op het vlak van bestuur te vergelijken met de Europese Unie, in plaats van parallellen te trekken met een land zoals Nederland. Sinds de economische hervormingen die werden ingezet door Deng Xiaoping is er sprake van een belangrijke decentralisatie, met meer verantwoordelijkheden voor lokale autoriteiten. Zij zijn in belangrijke mate afhankelijk van de belastinginkomsten in hun eigen gebied, en doen er dan ook alles aan om de lokale economie aan te zwengelen, ook al is dit niet altijd in lijn met de centrale nationale regels. Dit verklaart ook de grote verschillen in rijkdom tussen de Chinese regio’s en provincies. Xi Jinping probeert de macht in China weer sterker te centraliseren, maar ook hij heeft de grootste moeite om de provinciale en andere besturen te controleren.

Geen scheiding der machten

De Chinese staatsorganen kunnen grotendeels opgedeeld worden in organen van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Er bestaat echter geen strikte scheiding der machten. Zo is de rechterlijke macht niet onafhankelijk: de rechtbanken maken integraal deel uit van de staatsstructuur, net zoals andere staatsorganen, en kunnen niet onafhankelijk opereren van de wetgevende en uitvoerende staatsorganen. Bovendien is de Communistische Partij aanwezig in elk van de staatsorganen en heeft zij een grote controle op alle onderdelen van de staat.

Belangrijkste staatsorganen

De Nationale Volksvergadering is op centraal niveau officieel de belangrijkste wetgever. Dit orgaan telt ongeveer 3000 leden en komt eenmaal per jaar samen in Beijing. De andere bestuursniveaus kennen elk ook een volksvergadering, dat officieel de belangrijkste wetgevende taken op zich neemt. De Staatsraad is op centraal niveau officieel het belangrijkste orgaan wat betreft de uitvoerende macht. Alle ministers, die elk een eigen ministerie leiden, hebben zitting in dit orgaan, dat enkele keren per jaar bijeenkomt. De andere bestuursniveaus kennen elk ook een volksregering, onderverdeeld in verschillende departementen.

De Opperste Volksrechtbank organiseert het gerechtelijk systeem, en heeft de supervisie over de verschillende volksrechtbanken die op elk bestuursniveau aanwezig zijn. Tot slot is er de Nationale Toezichtcommissie, die corruptie onderzoekt en de toezichtcommissies op de verschillende bestuursniveaus coördineert. Dit zijn onafhankelijke organen, die opereren buiten het gerechtelijk systeem om, en die zowel leden van de Communistische Partij als staatsambtenaren kunnen onderzoeken en vervolgen op verdenking van corruptie.

Opbouw van het rechtssysteem

Veertig jaar geleden, bij het einde van de heerschappij van Mao, bestond er vrijwel geen gerechtelijke structuur. De rechtbanken waren een puinhoop, er waren helemaal geen advocaten, en academische juridische opleidingen waren stopgezet. Dit veranderde met de hervormingen die Deng Xiaoping doorvoerde. De economie moest worden ontwikkeld en tegelijkertijd moest het rechtssysteem worden versterkt. Het recht werd beschouwd als belangrijk voor de opbouw van een stabiele maatschappelijke orde die moest zorgen voor economische ontwikkeling. De autoriteiten werkten gestaag aan het opbouwen van het rechtssysteem, een project dat wel eens is beschreven als het bouwen van een tweede Chinees Muur.

Vandaag is er een uitgebreid systeem van rechtbanken met een grote hoeveelheid rechters. Ook zijn er zeer veel advocaten werkzaam. Er zijn meer dan 500 universiteiten en hogescholen waar je rechten kunt studeren. De boekhandels hebben tegenwoordig een heel grote rechtsafdeling, met daarbij heel wat educatiemateriaal voor de gewone burger die overweegt naar de rechter te stappen. Er zijn meer dan 90 populaire magazines die het recht bespreken, en er zijn verschillende educatieve tv-programma’s over recht.

Socialistische rechtsstaat met Chinese karakteristieken

Gedurende lange tijd dachten zowel buitenlandse waarnemers als Chinese rechtsgeleerden dat de Chinese staat zou evolueren naar een rechtsstaat, waarbij iedereen – en dus ook de communistische machthebbers – onderworpen zou zijn aan de bepalingen van het Chinese recht. Dit is echter nooit gebeurd en zal waarschijnlijk ook nooit gebeuren. Dit werd duidelijk gemaakt door Xi Jinping toen hij aan de macht kwam. Hij is voorstander van een “socialistische rechtsstaat met Chinese karakteristieken” en heeft stelselmatig benadrukt dat het leiderschap van de Communistische Partij de belangrijkste karaktertrek is van het Chinese rechtssysteem. Xi begrijpt het belang van een goed werkend rechtssysteem voor de Chinese economie en buitenlandse handel, en begrijpt ook dat het recht voor orde en stabiliteit kan zorgen in de snel veranderende maatschappij. Maar tegelijkertijd wil hij dat de Communistische Partij de ultieme controle over het rechtssysteem bewaard, om te vermijden dat de stabiliteit van het communistische regime in het gedrang komt.

In rechtsterminologie is het Chinese systeem rule by law; het recht wordt gebruikt als instrument om te regeren en verzet tegen de machthebbers te onderdrukken. Dit staat in scherp contrast met een systeem van rule of law, waarin iedereen verantwoording af moet leggen aan het recht, en waar niemand boven de wet staat. In dit laatste systeem garanderen onafhankelijke rechtsinstanties dat de staat, en ook de communistische partij, zich plooit naar het recht. In China bestaat dergelijke onafhankelijkheid van de rechter echter niet.

Burger vs. overheid

Sinds 2008 kunnen Chinese burgers regeringsorganen vragen om “openbaarheid van bestuur”. Zij kunnen allerlei regeringsinformatie aanvragen: statistische informatie over hun regio, rapporten over de financiën van het regeringsorgaan, ontwikkelingsplannen, enz. Dit is één van de manieren waarop de Chinese leiders transparantie van bestuur van staatsorganen aanmoedigen. Zo willen ze ervoor zorgen dat deze organen op centraal en lokaal niveau zich houden aan het rechtssysteem, en dat er minder corruptie is. Let wel: voor de Communistische Partij geldt er geen openbaarheid van bestuur, enkel voor de Chinese staat.

Burgers kunnen de regering ook voor de rechtbank dagen wanneer zij het niet eens zijn met regeringsacties, en wanneer zij menen dat deze inbreuk maken op het recht. Dit kan al sinds 1989, toen de Administratieve Procedurewet werd ingevoerd. Burgers kunnen hiermee ageren tegen instanties van machtsmisbruik en corruptie door regeringsorganen, om zo de socialistische rechtsstaat proberen te versterken. Ook hier kan de burger echter niets beginnen tegen de Communistische Partij: de handelswijze van de partij kan via deze wet niet worden betwist. Zodoende kunnen zelfs gevallen waarin de autoriteiten eigen wetten overtreden niet aan de kaak gesteld worden. Bovendien is het ook helemaal niet eenvoudig om een zaak te winnen tegen de overheid. Vooral bij gevoelige zaken is het moeilijk om een advocaat te vinden die zich sterk wil maken tegen de regering. Ook zijn rechtbanken in China niet onafhankelijk, en spreken zij zich niet gauw uit tegen andere regeringsorganen.

Veruit de populairste manier om misstanden bij de overheid aan te kaarten heet xìnfǎng (信访): het systeem van klachtbrieven en -bezoeken, ook “petities” genaamd. Dit is een eeuwenoude praktijk, die reeds bestond in de keizertijd en ook onder Mao Zedong werd aangehouden. Via dit systeem kun je petitie aantekenen tegen overheidsbeslissingen en -acties, of tegen vonnissen uitgevaardigd door volksrechtbanken. Op elk bestuursniveau moeten regeringen zich ontfermen over klachtbrieven en -bezoeken. Bij lokale klachten moeten burgers zich eerst wenden tot de lokale petitiekantoren. Zijn ze dan nog steeds ontevreden, dan kunnen ze naar petitiekantoren hogerop de ladder stappen, met als eindstop Beijing.

Maar dat is lang niet altijd effectief voor de klager. Deskundigen hebben geconstateerd dat de overheid de petities vooral gebruikt om informatie te verzamelen van burgers, en veel minder om klachten te verhelpen. In de straten van vooral Beijing zie je mensen die soms weken of maandenlang op straat bivakkeren in afwachting van een antwoord. Ook willen plaatselijke autoriteiten vaak verhinderen dat klagers naar de hoofdstad komen, en worden klagers vaak hardhandig verwijderd als er belangrijke gebeurtenissen (zoals een partijcongres) op stapel staan.

Een paramilitair houdt de menigte in de gaten die toegang zoekt tot het Tiananmenplein in Beijing op de Nationale Dag van de Volksrepubliek China op 1 oktober 2015.
Een paramilitair houdt de menigte in de gaten die toegang zoekt tot het Tiananmenplein in Beijing op de Nationale Dag van de Volksrepubliek China op 1 oktober 2015.

Repressieve wetgeving

De Chinese wet bevat zelf een hele hoop bepalingen die in strijd zijn met de verplichtingen die het land is aangegaan in internationale mensenrechtenverdragen. Dit alomtegenwoordig probleem wordt steeds erger. Zo hebben de autoriteiten recent nieuwe veiligheidswetten en regelgeving ingevoerd die de vrijheden van Chinese staatsburgers sterk beknotten. Deze wetten zorgen voor meer machtsmiddelen om dissidenten monddood te maken, informatie te censureren en het werk van mensenrechtenverdedigers en advocaten te dwarsbomen.

  • De nieuwe Nationale Veiligheidswet werd in juli 2015 van kracht. De wet is gebaseerd op een even breed als vaag geformuleerde definitie van nationale veiligheid, waarmee de autoriteiten vrij spel krijgen in het toezicht op en ingrijpen in nagenoeg alle facetten van de maatschappij. Op basis van deze wet worden mensenrechtenverdedigers en advocaten regelmatig veroordeeld voor (aanzetting tot) “het ondermijnen van de staat”. Met dit vonnis kan een gevangenisstraf van 15 jaar tot levenslang worden opgelegd. Bij verdenkingen heeft de politie het recht om mensen zonder tussenkomst van advocaten gedurende zes maanden op een geheime locatie vast te houden.
  • In de antiterrorismewet uit 2015 is “terrorisme” zo vaag gedefinieerd dat mensen die het regeringsbeleid bekritiseren gemakkelijk kunnen worden vastgezet. Vooral etnische minderheden zijn hiervan de dupe. De religieuze en andere vrijheden van de overwegend islamitische Oeigoeren zijn zwaar onder druk komen te staan in een recente golf van repressie en massale detentie.
  • De Wet op buitenlandse ngo’s, van kracht sinds 2017, verplicht buitenlandse ngo’s om zich onder de controle te stellen van het ministerie van Openbare Veiligheid, en geeft veiligheidsdiensten nagenoeg onbeperkte macht om activiteiten van onafhankelijke niet-gouvernementele organisaties aan banden te leggen. Buitenlandse ngo’s kunnen alleen met door de overheid goedgekeurde Chinese partners samenwerken. Hiermee wordt de bewegingsruimte van zowel internationale als nationale actoren in het Chinese maatschappelijk middenveld ernstig beperkt.
  • De Wet op internetveiligheid werd in mei 2017 van kracht. Deze wet bepaalt onder meer dat internetproviders verplicht zijn persoonlijke data van gebruikers beschikbaar te stellen aan de autoriteiten. Bovendien mag het internet niet gebruikt worden om de nationale veiligheid en de maatschappelijke orde te “beschadigen”.

Problematische rechtsgang: rechters

De Chinese wet bevat ook bepalingen die rechtsbescherming bieden aan individuen en organisaties. Maar er is weinig garantie dat die bepalingen worden nageleefd. De Chinese rechterlijke macht is niet onafhankelijk. Ze staat onder controle van zowel nationale en lokale staatsorganen als van de Communistische Partij. Een lokale rechtbank zal zo dikwijls druk ondervinden van de lokale overheid bij het beoordelen van zaken die mogelijk economisch nadeel kunnen opleveren voor een lokale onderneming (en dus voor de lokale belastinginkomsten). Bij rechtszaken over politiek gevoelige onderwerpen worden rechtbanken door de overheid en de partij strak in de hand gehouden. In strafzaken valt de gebrekkige naleving van de wet sterk op.

Een internationaal beginsel van een eerlijk proces stelt dat iemand voor onschuldig moet worden gehouden zolang het tegendeel niet is bewezen. Maar de Chinese rechtspraktijk toont grote vooringenomenheid in het vermoeden van schuld, vooral in spraakmakende of politiek gevoelige zaken. Volgens officiële cijfers (2016) volgde slechts in 0,08 procent van de strafzaken een vrijspraak. Beroepsprocedures leiden bovendien zelden tot het terugdraaien van een veroordeling.

In politiek gevoelige zaken worden de deuren van de rechtbank vaak gesloten voor de buitenwereld. Volgens de Chinese wet staan strafzaken echter open ​​voor het publiek, met uitzondering van zaken die betrekking hebben op staatsgeheimen, privacykwesties of handelsgeheimen. De autoriteiten gebruiken de vage bepaling “staatsgeheim” echter vaak om de deuren van de rechtbank te sluiten, zelfs voor familieleden van de verdachte. De autoriteiten verhinderen ook vaak dat buitenlandse diplomaten en journalisten (straf)processen kunnen bijwonen.

Problematische rechtsgang: advocaten

Volgens de Chinese wet hebben verdachten in strafzaken recht op een advocaat. In de praktijk is het echter moeilijk om in politiek gevoelige zaken een advocaat te vinden. Advocaten worden nog steeds voor een groot deel beschouwd als “staatswerkers”, die eerst en vooral moeten luisteren naar de Communistische Partij en pas dan naar hun cliënten. Als advocaten te vurig hun cliënten verdedigen in zaken waarin het regime van de Communistische Partij in twijfel getrokken wordt, worden ze gezien als een probleem en – net zoals hun cliënten – hard aangepakt.

De hoofddoelen van de leiders bij het ontwikkelen van het rechtssysteem zijn economische groei en het bewaren van maatschappelijke stabiliteit. Zij willen hierbij zorgen voor meer legitimiteit van het rechtssysteem, en om chaos te vermijden willen ze dat Chinese burgers dit systeem ook meer gebruiken voor het aankaarten van hun frustraties. Ze trekken hierbij echter een duidelijke lijn: er mag geen twijfel bestaan over de legitimiteit van het communistische regime, ook niet via het rechtssysteem. Rechtszaken die de stabiliteit van het regime kunnen aantasten en haar legitimiteit betwisten (zaken over de essentiële bescherming van mensenrechten, over de houding van het regime tegenover dissidenten, etnische minderheden, geloofsgroepen, etc.), kunnen niet door de beugel. Om ervoor te zorgen dat de politieke richtlijnen van de Communistische Partij geen onderwerp van gesprek worden, aarzelen de autoriteiten niet om ook advocaten die dergelijke gevoelige zaken voor de rechtbank brengen, op te pakken en te intimideren.

Op 9 juli 2015 pakten de autoriteiten een groot aantal mensenrechtenadvocaten op. In de dagen, weken en maanden daarop groeide hun aantal tot meer dan 200. Deze advocaten werkten rond prominente en politiek gevoelige zaken: de meesten van hen specialiseerden zich in mensenrechtenzaken, en verdedigden dikwijls burgers in zaken tegen de overheid. Zij werden opgepakt op basis van vage verdenkingen met betrekking tot het verstoren van de publieke orde en obstructie van de rechtsgang. Een aantal van hen werd vrijgelaten, maar anderen werden formeel gearresteerd en vervolgd voor de rechtbank.

Deze campagne veroorzaakte een schokgolf door de geledingen van de advocatuur. Advocaten werden steeds voorzichtiger bij het aannemen van zaken waarin mogelijk kritiek geuit wordt op de visie van de Communistische Partij. De communistische leiders hebben duidelijk gemaakt dat een verdediging van de rechten van hun dissidente cliënten er gemakkelijk toe kan leiden dat ook zijzelf vervolgd zullen worden.

Vandaag worden advocaten ook op andere manieren buitenspel gezet. Regels over hoe advocaten en advocatenfirma’s zich moeten gedragen onderstrepen dat ze “het leiderschap van de Communistische Partij” moeten steunen en dat er in advocatenfirma’s partijcellen opgericht moeten worden. Bovendien wordt hen verboden opinies te uiten die “het fundamentele politieke systeem van China” ontkennen, de nationale veiligheid in gevaar brengen, of ontevredenheid over de Communistische Partij en de regering uitlokken. Het ministerie van Justitie heeft een breed gedefinieerde bevoegdheid om advocaten en advocatenfirma’s te inspecteren, en kan hun licenties intrekken als het niet tevreden is over hun handelswijze of houding.

Chinese politieagenten proberen Oeigoerse vrouwen in bedwang te houden in Urumqi, de hoofdstad van Xinjiang, op 7 juli 2009. De vrouwen protesteren tegen de arrestatie van hun echtgenoten.
Chinese politieagenten proberen Oeigoerse vrouwen in bedwang te houden in Urumqi, de hoofdstad van Xinjiang, op 7 juli 2009. De vrouwen protesteren tegen de arrestatie van hun echtgenoten.

Problematische rechtsgang: administratieve detentie

Administratieve detentie is gevangenhouding zonder tussenkomst van een rechter, op grond van een beschikking door de politie of een overheidsinstelling. Administratieve detentie komt in China op grote schaal voor. De politie (veiligheidsdienst) kan mensen op eigen gezag opsluiten in kampen of gevangenissen, zonder proces.

Tot voor kort bestond het systeem van de “heropvoeding door arbeid”, waarbij mensen tot een periode van 4 jaar konden worden opgesloten in arbeidskampen. Veel Falun Gong-beoefenaars werden op basis hiervan opgesloten, maar ook sekswerkers en druggebruikers vielen dikwijls aan dit systeem ten prooi. Officieel werd dit systeem afgeschaft in 2013.

Helaas werd snel duidelijk dat het systeem op verschillende manieren verder voortleeft. Zo kan men zonder proces belanden in een “drug rehabilitation centre”, waar ook dwangarbeid moet verricht worden, en zijn er zogenaamde “hechtenis- en educatie”-centra, waar mensen zoals sekswerkers en hun klanten zonder proces kunnen worden opgesloten voor een periode tot 2 jaar. Vrij recent kwam in de provincie Xinjiang een nieuwe vorm van dergelijke kampen aan het licht. Volgens de Verenigde Naties zijn daar tot een miljoen mensen opgesloten in “heropvoedingskampen”. Dit ook zonder enige vorm van proces. Volgens de New York Times en andere media is ook hier sprake van dwangarbeid.

Voorts voorzien verschillende wetten in lange periodes van detentie zonder tussenkomst van de rechter. Zo bepaalt de strafproceswet dat verdachten van terrorisme of misdaden die de nationale veiligheid in gevaar brengen tot 6 maanden vastgehouden kunnen worden onder “residential surveillance at a designated location”.

Ook kunnen toezichtcommissies iedereen die ze verdenken van corruptie gevangenzetten en ondervragen. Dit zonder aanklacht, zonder proces, zonder toegang tot een advocaat, en zonder dat hun familie wordt ingelicht. Dit soort incommunicado detentie kan tot zes maanden duren. Door de complete isolatie van de buitenwereld is er een grotere kans op marteling en gedwongen “bekentenissen”.

Marteling

China aanvaardde in 1988 het VN-Verdrag tegen Marteling. Hiermee zouden de autoriteiten inspanningen moeten leveren om marteling uit te bannen. Maar de praktijk is weerbarstiger. De wet- en regelgeving die gevangenen moet beschermen tegen marteling wordt vaak niet nageleefd. Zo krijgen gevangenen geregeld geen medische verzorging. Dit heeft er in 2017 onder andere toe geleid dat mensenrechtenactivisten Liu Xiaobo en Yang Tongyan stierven aan de gevolgen van kanker. Marteling van gevangenen tijdens verhoor en detentie komt in China veelvuldig voor. Zo werd advocaat Yu Wensheng tijdens zijn detentie van oktober 2014 tot januari 2015 gemarteld. Elke dag werd hij gedurende 15 tot 16 uur verhoord en langdurig uit zijn slaap gehouden.

Mobiele politiepost in Chengdu
Mobiele politiepost in Chengdu

Doodstraf

De doodstraf kan in China voor 46 misdrijven worden opgelegd. Hoe vaak dit ook daadwerkelijk gebeurt is onbekend, want cijfers over de doodstraf zijn staatsgeheim. De autoriteiten veroordelen mensen ter dood voor misdaden zoals drugshandel, verduistering, omkoping en brandstichting. Deze vergrijpen voldoen niet aan de internationale normen van de “ernstigste” misdrijven zoals omschreven in het VN-verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, dat China in 1998 heeft ondertekend, maar nog niet heeft geratificeerd. In sommige gevallen krijgen familieleden van terdoodveroordeelden pas op de dag van de executie bericht over de voltrekking van het vonnis.

Er zijn aanwijzingen dat het aantal executies in China de afgelopen jaren is afgenomen, maar de geheimhouding rond de doodstraf maakt het onmogelijk om dit te bevestigen. In 2015 namen de Chinese autoriteiten maatregelen om de rechten van terdoodveroordeelden te beschermen en misstappen door justitie te voorkomen. Op 29 augustus 2015 werden negen misdrijven geschrapt waarvoor de doodstraf kan worden opgelegd: het smokkelen van wapens, munitie, nucleair materiaal en vals geld, het vervalsen van geld, oneerlijke fondsenwerving, gedwongen prostitutie, dienstweigering, en het verspreiden van geruchten. Schattingen laten echter zien dat ook in 2015 duizenden mensen geëxecuteerd werden – meer dan in alle andere landen ter wereld tezamen. Ook kregen nog eens duizenden andere gevangenen in dat jaar een doodvonnis opgelegd. Op 17 en 18 november 2015 uitte het VN-Comité tegen Marteling zijn bezorgdheid over het feit dat ‘door het ontbreken van specifieke gegevens over de toepassing van de doodstraf het niet mogelijk is om na te gaan of de nieuwe wetgeving ook wordt toegepast’. Amnesty onderzoekt de doodstraf in China op basis van de wel beschikbare gegevens, waaronder berichten in de Chinese media en meldingen door familie en advocaten. In 2017 kwam hierover het rapport “China’s Deadly Secrets” uit.

De internationale ngo International Coalition to End Transplant Abuse in China (ETAC) stelde een onafhankelijk China tribunaal samen om orgaanroof in China te onderzoeken. De Chinese regering beloofde officieel om vanaf januari 2015 de praktijk te beëindigen van het onvrijwillig oogsten van de organen van geëxecuteerde gevangenen voor gebruik bij transplantaties. Maar de organisatie ETAC vermoedde dat daarmee de praktijken van orgaanroof niet gestopt waren en dat de Chinese overheid ook betrokken is bij orgaanroof van gewetensgevangenen, en stelde daarom een onafhankelijk tribunaal samen om dit te onderzoeken. Op 17 juni 2019 sprak het China tribunaal zich uit.

In het verdict stelt het China Tribunaal: ‘Orgaanroof [forced organ harvesting] werd jarenlang verricht doorheen China op aanzienlijke schaal. Falun Gong-aanhangers waren één – en waarschijnlijk de voornaamste – bron van orgaanvoorziening. De gecoördineerde vervolging en het medische testen van Oeigoeren is meer recent, en mogelijk zal bewijs van orgaanroof bij deze groep later opduiken. Het Tribunaal heeft geen bewijs dat de aanzienlijke infrastructuur verbonden aan de Chinese transplantatie industrie werd afgebroken. Bij gebrek van een bevredigende verklaring die de bron aanduidt van direct beschikbare organen, besluit het dat orgaanroof tot op de dag van vandaag voortgaat.’