Mensenrechtenencyclopedie
© Flickr.com / CC / valerieroybal

Plakkaat van Verlatinghe en de mensenrechten

Het Plakkaat of de Akte van Verlatinghe uit 1581 is een uniek document. Het wordt beschouwd als een baanbrekende verklaring van zelfbeschikking en de ondertekening ervan was een belangrijk moment in de geschiedenis van de mensenrechten.

Acht Nederlandse gewesten verklaarden in het document, dat op 26 juli 1581 in Den Haag werd ondertekend, dat ze ‘wettig overgaan tot de keuze van een andere vorst.’ De staten bleven koningsgezind – ze verkondigden slechts het recht van vorst te veranderen. Men probeerde eerst de Franse prins van Anjou en daarna de Engelse graaf Leicester die rol van koning te laten vervullen. Pas toen dat niet bleek te werken, werd openlijk uitgesproken dat de Staten eigenlijk de ware soevereinen waren, en dit altijd waren geweest.

Internationale betekenis

Het idee kreeg internationale bijval. Een Franse schrijver gaf in een boek uit 1600 een naam aan de aanhangers: monarchomachen, ‘koningschapbestrijders’. Het Plakkaat van Verlatinge werd bestudeerd door de Pelgrimfathers die voor de godsdiensttwisten uit Engeland waren gevlucht en een tijd in Leiden doorbrachten. Zij namen het Plakkaat vervolgens mee naar Amerika, waar de geest van het geschrift nog doorklinkt in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776.

Daarin staat dat de Britse vorsten geen macht meer hebben over de staten van Amerika, omdat niemand het recht heeft te regeren zonder toestemming van de geregeerden. In 1928 pleitte de vrijheidsstrijder Soekarno in Nederlands-Indië voor onafhankelijkheid van de archipel ‘zoals de Nederlanden met de Akte van Verlatinghe onafhankelijkheid verwierven’.

Droit divin

Voor de mensenrechten is de betekenis van het Plakkaat vooral dat het een ontkenning is van het droit divin, een door God gegeven recht dat de vorst op zijn of haar troon zou hebben. Die ontkenning houdt ook in dat verzet tegen een vorst niet godslasterlijk is. 

Uit het Plakkaat

‘Als een prins van den lande door God is aangesteld om hoofd te zijn over zijn onderdanen, om deze te bewaren en te beschermen voor alle ongelijk, overlast en geweld, gelijk een herder tot bewaring en bescherming van zijn schapen, en dat de onderdanen niet door God zijn geschapen tot behoefte van de prins, om hem in ongeacht of wat hij beveelt goddelijk of ongoddelijk recht of onrecht is onderdanig te wezen, en als slaven te dienen, maar de prins omwille van de onderdanen, zonder welke hij geen prins is, om hen met recht en redenen te regeren, voor te staan, en lief te hebben als een vader zijn kinderen. En dus wanneer hij zulks niet doet, maar in plaats van zijn onderdanen te beschermen hen probeert de onderdrukken, te overlasten, hun oude vrijheid, privileges en oude gebruiken te nemen en hen te gebieden en gebruiken als slaven, hij gehouden moet worden niet voor een prins, maar voor een Tiran.’