Ontwikkelingshulp, ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten

Ontwikkelingssamenwerking kan bilateraal (tussen twee landen) of multilateraal zijn (bijvoorbeeld via organisaties van de Verenigde Naties).

In het huidige Nederlandse en Belgische ontwikkelingssamenwerkingsbeleid staat de zeggenschap van de ontwikkelingslanden voorop. Doel van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking is duurzame armoedevermindering. De ervaring leert dat hulp aan afzonderlijke projecten minder effectief is dan steun aan brede programma ‘s. De ‘sectorale’ benadering is ook steeds meer de basis van samenwerking met andere donoren.

In de ontwikkelingshulp wordt veel samengewerkt met ngo’s en bedrijven. Volgens critici raakt het budget voor ontwikkelingssamenwerking vaak ‘vervuild’, bijvoorbeeld doordat de hulp grotendeels ten goede komt aan bedrijven in de rijke landen, of binnenlandse asielopvang ervan wordt betaald. Het streven van de VN is dat rijke landen ten minste 0,7% van hun bruto nationaal product aan ontwikkelingslanden geven. Dat streefcijfer wordt alleen, of bijna, door Noorwegen, Zweden, Luxemburg, Nederland en Denemarken gehaald.

Ontwikkelingssamenwerking: Amnesty’s visie

Amnesty benadrukt dat ontwikkelingssamenwerking de optimale garanties voor mensenrechten moet geven.

  1. In afspraken tussen landen moeten clausules aangaande mensenrechten worden opgenomen (zie Conditionaliteit).
  2. Elke vorm van ontwikkelingssamenwerking moet de naleving van mensenrechten bevorderen.
  3. Als een van de partijen de mensenrechten schendt, moeten afspraken voorzien in positieve en negatieve sancties die de naleving van mensenrechten bevorderen.
  4. In alle betrekkingen tussen landen, waaronder die op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, handel en juridische samenwerking, moet rekening worden gehouden met het effect van beleid en activiteiten op mensenrechten (zie Human Rights Impact Assessment).
  5. Ernstige schendingen van mensenrechten, zoals misdrijven tegen de menselijkheid, moeten voor de rechter worden gebracht en mogen nooit worden genegeerd in het kader van onder meer amnestie, ‘stabiliteit’ en ‘goede betrekkingen’.
  6. Mensen die werkzaam zijn in ontwikkelingssamenwerking moeten goed worden geïnstrueerd, zodat ze niet bij schendingen van mensenrechten betrokken raken (bijvoorbeeld misbruik van arbeidskrachten, gedwongen prostitutie, corruptie).
  7. Mensen die in ontwikkelingssamenwerking werkzaam zijn moeten tegen schendingen van hun mensenrechten worden beschermd en mogen nooit tot betrokkenheid bij schendingen worden gedwongen (zoals wanneer artsen moeten assisteren bij lijfstraffen).