© Jitske Schols

Wacht maar, je wordt net als ik

Wacht maar, je wordt net als ik

Toen mijn moeder 40 werd, kwamen mijn grootmoeder en andere vrouwen uit de buurt bij elkaar – ieder met een mix van natuurlijke kruiden. Ik was een tiener en kon het niet laten om ze af te luisteren. De vrouwen ruzieden over of mijn moeder een baby moest krijgen. Sommige waren ervoor, want dat het nog kon zou ze toch niet onbenut moeten laten? Andere waren tegen een zwangerschap op die leeftijd, vanwege het gevaar voor zowel moeder als baby.

Zodra mijn moeder haar vriendinnen had uitgezwaaid, raakten we in een verhitte discussie over de verschillen in onze levens, de omstandigheden en de generaties, waarop mijn moeder het gesprek beëindigde met: ‘Wacht maar, je wordt later net als ik.’ Ik stikte bijna van het lachen.

Maanden later kwam ik thuis, na een werkdag bij het radiostation in Aleppo.
Ik wist dat mijn moeder alleen thuis was, maar hoorde haar zachtjes praten: ‘Laat het goed met je gaan. Het is warm hier. Ik weet dat je niet van de zon houdt. Ik verontschuldig me voor mijn zoon zijn gedrag, dat hij je plek heeft veranderd. Ik zie een knopje hier… Kom op, wees sterk en help het groeien en bloeien.’

Haar woorden klonken als gebrabbel, dus ik schoof, expres langzaam, dichterbij. ‘Tegen wie heb je het?’ ‘Tegen de Arabische jasmijn… Ze is verdrietig en weigert te bloeien.’ ‘Ben je gek geworden? Wie praat er tegen een plant?’ Mijn moeder legde geduldig maar teleurgesteld uit: ‘Planten hebben een ziel, maar de mensen letten niet op. Hoe kun je anders de suïcide van een plant verklaren?’

Iedere dag als ik wakker word, wacht ik op een zonnestraal om me op te warmen

Intussen is het twintig jaar geleden dat ik mijn moeder beloofde nooit zoals haar te worden. Ik kwam in Nederland terecht en zij bleef thuis, op zichzelf, zonder dochter die haar uitlachte als ze weer eens tegen de tuin sprak.

Iedere dag als ik wakker word, ga ik met een kopje koffie in het portiek zitten, en wacht op een zonnestraal om me op te warmen. Vrienden hielden op met langskomen vanwege het virus dat iedereen bang maakte voor elkaar. Ik verdrink dieper en dieper in mijn eenzaamheid. Ik scroll door mijn telefoon, op zoek naar iemand om mee te chatten. Ik overpeins de groene blaadjes van de Arabische jasmijn.

Ik zoek door heel Nederland, tot ik ze vind – blaadjes die al aan het verdrogen zijn. Ik had verwacht dat de bloem een heel jaar zou bloeien, hopend dat het daarmee mijn verlangen naar een land dat overvloeide van jasmijn zou uitdoven. Ik begin te praten met de blaadjes, te fluisteren, ik zing een wiegeliedje dat mijn moeder voor me zong bij het slapengaan. Ik vang mezelf op, in mijn moeders lange jurk, achternagezeten door beelden van de weelderige klimplant die zich stoutmoedig langs mijn moeders raam uitstrekte. Ik vraag me af of het leven zich herhaalt, om vanuit een hoekje in onze dromen de tong uit te steken – wijs en vol vergelding.