Wat we weten over marteling
Wat is marteling?
De definitie in het VN-verdrag tegen marteling is de meest geciteerde: marteling is het toebrengen van ernstige lichamelijke of geestelijke pijn, door of in opdracht van de overheid, met als doel een bekentenis te krijgen of te angst aan te jagen. Amnesty neemt die definitie iets breder ze beschouwt ook wat oppositiegroepen in die zin doen marteling.
Hoe verbreid is marteling?
Amnesty zegt: in meer dan 150 landen. Maar dat cijfer verhult grote verschillen. Volgens recente Jaarboeken wordt in 20 procent van die landen stelselmatig en in 55 procent geregeld gemarteld, zonder dat dat leidt tot officieel onderzoek of berechting. In 10 procent is marteling onderdeel van oorlogsmisdrijven. In 15 procent is marteling of ernstige mishandeling incidenteel en volgt er meestal een onderzoek. Dat laatste cijfer is ongetwijfeld te laag. Er is waarschijnlijk geen land ter wereld waar nooit een gevangene, een arrestant of een dronkelap door de politie wordt mishandeld.
Neemt marteling toe of af?
Waarschijnlijk af, in de zin van stelselmatige marteling voor politieke doeleinden. Er zijn veel minder dictaturen in de wereld dan twintig jaar geleden, en daarmee ook minder martelcentra. Maar politiegeweld neemt toe in vooral de `overgangslanden' waar de dictatuur is weggevallen. Meestal groeit daar mét de economische vrijheid de criminaliteit, en neemt het ontzag voor de overheid af. De politie krijgt bovendien vaak minder middelen en minder salaris. Het gevolg is dat ze er gemakkelijker `op los slaat'.
Veranderen de methoden van marteling?
Nauwelijks. In het overgrote aantal gevallen van marteling is de methode simpel, en eeuwenoud: slaan, schoppen, vastbinden, dreigen, verkrachten. In recente literatuur vind je daarnaast zeker honderd andere vormen van marteling. Zo is in Syrische gevangenissen de 'Duitse stoel' een metalen stoel met terugklapbare leuning waardoor de ruggengraat wordt ontwricht. In Iran waren er cellen waar de temperatuur extreem hoog of laag kon worden gemaakt. In de VS worden gevangenen bedwongen met de stun belt, een gordel die van afstand onder stroom kan worden gezet. In de Sovjet-Unie en nu nog in China werd veel geëxperimenteerd met psychofarmaca die pijn, onrust en angst opwekten. Maar behalve voor het sadistisch genoeg van de beulen is er weinig reden voor innovatie in marteltechnieken. De eenvoudigste methoden sorteren net zo veel effect.
Hoe meet je de 'ernst' van marteling?
Een heel aantal factoren speelt een rol: de hevigheid van de pijn, het al dan niet blijvend effect ervan, de machteloosheid van het slachtoffer. Pijn wordt heel anders beleefd naarmate de betekenis die eraan gegeven wordt. Zo zijn er slachtoffers van marteling die psychotherapie weigeren omdat ze hun ervaring geen 'trauma' vinden, maar een onderdeel van hun politieke strijd. In situaties waarin heel veel mensen zijn gemarteld, bijvoorbeeld in oorlog, blijken mensen binnen hun groep die ervaring gemakkelijker te dragen. Waarschijnlijk is de ergste vorm van marteling een combinatie van pijn, machteloosheid, zinloosheid en onzekerheid. De vrouwen die, zonder dat ze enige politieke strijd hadden gevoerd, in de Bosnische 'verkrachtingscentra' zaten opgesloten, waren volstrekt geïsoleerd, onwetend van hun lot, ontmenselijkt en totaal vernederd. De verkrachting kon leiden tot zwangerschap. Hun lot kan tot de ergste vormen van marteling worden gerekend.
Is marteling van alle tijden?
Marteling bestaat sinds mensenheugenis. Een bron uit de tijd van de Egyptische farao Ramses II (13e eeuw voor onze jaartelling) noemt al een geval van marteling. In sommige culturen en religieuze tradities was marteling aan de orde van de dag. In andere was marteling juist een zeldzaamheid, bijvoorbeeld bij de joden en de hindoes. In Europa is sinds de Middeleeuwen in de meeste landen marteling gebruikelijk geweest. Sommige gebieden waarop daarop echter een uitzondering, zoals Scandinavië en Aragon (Spanje). Marteling stuitte op veel verzet: van de kant van rechtskundigen, verlichte denkers, religieuze activisten, vaak ook de publieke opinie. Marteling verdween geleidelijk uit Europa vanaf de negentiende eeuw. Maar sinds de Tweede Wereldoorlog is in een aantal West-Europese landen veel gemarteld, zoals in Griekenland, Spanje en Portugal tot in het midden van de jaren zeventig. In de geschiedenis van het Westen waren er perioden waarin marteling zeer verbreid was: tussen 50 en 400 n.Chr., tussen 1250 en 1750, en tussen 1945 en 1975. In tussenliggende perioden was marteling een relatief zeldzaam fenomeen. Vandaar dat Victor Hugo in 1874 zijn befaamde uitspraak kon doen dat 'de onmenselijke praktijk van marteling geheel is uitgebannen'. Hij kon niet voorzien wat de 20ste eeuw zou brengen…
Hoe ontstaan martelingen?
Vooral door machtsverhoudingen. Pijn is het meest probate middel om macht uit te oefenen. Dat weet de sadistische moordenaar of de pesterige leraar net zo goed als de couppleger die zijn geheime dienst opdracht geeft tot martelen. Eeuwenlang gebruikten ouders geweld om kinderen in het gareel te houden, en mannen om hun echtgenotes te onderdrukken. In veel landen is dat nog altijd gebruikelijk. Maar macht alleen verklaart niet alle variaties van marteling.
Is marteling cultureel bepaald?
De ene cultuur kent marteling op grote schaal, de andere nauwelijks. De nazi's waren op ongekende schaal uit op vernietiging van mensen, marteling was een daaraan ondergeschikte methode. Toch was in de Middeleeuwen de praktijk van marteling in Duitsland meer verbreid dan in de meeste andere Europese landen. In Latijns Amerika is in sommige landen sinds de koloniale tijd veel gemarteld, zoals in Peru en Mexico. In andere landen gebeurde dat veel minder, zoals Chili. Maar in de moderne tijd kwam het in Chili tot een explosie van martelingen, en in Mexico niet. Typische 'martelculturen' kun je niet onderscheiden. Je kunt hooguit een paar regio's van de wereld aanwijzen waar marteling erg is ingeburgerd, of juist niet. De Scandinavische landen hadden marteling nooit in hun wetboeken. Daarentegen hadden islamitische landen van oudsher een marteltraditie, en in de late 20ste eeuw spanden landen als Iran, Irak en Syrië de kroon in variatie en frequentie van martelen.
Treft marteling speciaal bepaalde groepen?
Voor de Franse filosoof Jean-Paul Sartre was dat duidelijk: de slachtoffers van veroveringsoorlogen en kolonialisme. Hij 'ontdekte' dan ook de martelingen in de Franse kolonie Algerije. De latere geschiedenis gaf hem deels gelijk: vooral `etnische zuiveringen' zoals in Bosnië en Rwanda gingen op grote schaal met marteling en verkrachting gepaard. Anderen beweren dat vooral de 'ondermensen' slachtoffer worden: degenen die een marginaal bestaan in de maatschappij leiden. Maar slaven werden in het verleden op de ene plaats zelden (Atheense en Romeinse republiek) en elders op grote schaal (Suriname en Cariben) gemarteld. Sommige historici wijzen ketters aan als bijzondere risicogroep. Maar de middeleeuwse Inquisitie gebruikte tegen ketters lang niet zo vaak marteling als, in de eeuwen erna, tegen mensen verdacht van hekserij. Een moderne theorie is dat 'discriminatie' de belangrijkste voedingsbodem is. Inderdaad, mensen met een zwarte huidskleur lopen in de VS of Europa een veel grotere kans op mishandeling door politie. Maar discriminatie is een heel betrekkelijk begrip. Het geweld tussen Hutu's en Tutsi's in Rwanda en Burundi is gebaseerd op een onderscheid dat voor het oog nauwelijks zichtbaar is. Discriminatie heeft weinig te maken met uiterlijk, veel meer met politieke manipulatie. Eigenlijk is geen duidelijk patroon onder slachtoffers van marteling vast te stellen. Marteling kan iedereen overkomen, als het politieke klimaat er naar is.
Wat is het belangrijkste argument tegen marteling?
Vaak wordt de 'aangeboren' waardigheid van de mens aangevoerd, die samengaat met de integriteit van het lichaam. Maar zelfs religieuze leiders die die waardigheid altijd prezen bleken bereid om op te roepen tot marteling en moord, zoals bisschoppen in Rwanda. Een ander argument is dat marteling de rechtsorde schaadt. Maar dat is maar betrekkelijk: in Argentinië en Chili bijvoorbeeld werden de militairen door een groot deel van de bevolking verwelkomd, en werden martelingen door de vingers gezien, omdat de nieuwe leiders eindelijk weer orde brachten.
Het doorslaggevende argument tegen marteling is van praktische aard. Een door marteling afgedwongen bekentenis geeft geen enkele garantie voor de waarheid, zoals politiedeskundigen steeds weer benadrukken. En marteling als een middel om angst aan te jagen kan zich gemakkelijk tegen je keren, als de andere partij ergens de overhand krijgt en net zo hard gaat martelen.
Maar kan marteling van terroristen gerechtvaardigd zijn?
Er is een heel praktische reden om altijd aan de beginselen van mensenrechten vast te houden. Zodra je sommige mensen van de mensenrechten uitsluit, is immers het einde zoek. Stel dat een overheid besluit dat ze terroristen met extra zware middelen, zoals marteling, onder druk mag zetten om informatie te geven. Dan treft die marteling misschien mensen die wel verdacht zijn maar in feite niet schuldig zijn. En als je de terrorist mag martelen, mag je dan ook zijn vrienden martelen, of zijn vrouw, of zijn kinderen, allemaal met het oog op informatie? Mag je dan mensen martelen die misschien wel eens terrorist zouden kunnen worden? Hoe ver mag de marteling dan gaan? Als iemand niet bekent wanneer hij een nacht uit zijn slaap wordt gehouden, mag je hem dan twee nachten of een week uit zijn slaap houden? En als dat niet werkt, moet je dan maar overgaan tot slaan of elektrische schokken? Zodra je het verbod op marteling opheft, kom je op een glijdende schaal terecht.
En als een bekentenis duizenden levens redt?
Dat is een argument dat telkens weer opduikt bij mensen die marteling willen toestaan. Je hebt een terrorist in handen die weet waar en wanneer een krachtige bom zal afgaan, dan is het toch logisch dat je hem met alle middelen tot een bekentenis probeert te krijgen? Dat lijkt voor de hand te liggen, maar in werkelijkheid doet zich zo’n situatie nooit op die manier voor. Je weet immers nooit 100 procent zeker dat de verdachte werkelijk die informatie heeft. Je hebt ook geen enkele garantie dat iemand onder marteling de waarheid zal spreken. Misschien is de bom inmiddels verplaatst. Misschien is de bom alleen maar bedacht, om paniek te zaaien. Er is nooit een situatie waarbij marteling het enige probate middel is om betrouwbare informatie te krijgen.
Bestaat er een 'psyche van de beul'?
Ja, namelijk de psyche van de modale mens. Er zijn natuurlijk psychopaten en sadisten. Maar gewone mensen zijn, zo blijkt uit allerlei experimenten, gemakkelijk tot mishandeling te bewegen. Zet ze voor een autoritaire figuur of een 'deskundige' in een witte jas, of in een een groep die ongestraft kan mishandelen, en maar weinig mensen houden zich staande. Dat werd bewezen in de beroemde experimenten van Stanley Milgram (1961), waarin proefpersonen werd gevraagd bij foute antwoorden het ‘slachtoffer’ elektrische schokken van oplopende sterkte toe te dienen (in feite gebeurde er nets, het slachtoffer was een lid van de staf die zijn reactie op de schokken speelde).
Vervolgexperimenten van Milgram wezen uit dat de bereidheid om ‘ver te gaan’ heel verbreid is. Tussen de 61 en 68 procent van de proefpersonen gaf uiteindelijk ‘schokken’ van 450 volt. Dat percentage was even groot onder mannen van middelbare leeftijd als onder een groep verpleegsters. De omstandigheden van de proef maken wel verschil: als het slachtoffer dichtbij was, bijvoorbeeld in dezelfde kamer, of als de opdrachtgever verder weg was, bijvoorbeeld alleen op een band te horen, daalde de bereidheid tot het geven van zware schokken sterk. Tien jaar later toonde de psycholoog Philip Zimbardo aan dat studenten die als ‘bewakers’ aan een gevangenisexperiment meededen binnen korte tijd overgingen tot ernstige mishandeling en vernedering van andere studenten die de ‘gevangenen’ waren.
Schoolpsychologen weten dat maar al te goed: heel veel kinderen zijn tot verregaande vormen van pesten in staat als de groep dat aanmoedigt. De mens heeft nu eenmaal een fascinatie voor geweld, seks en verboden dingen. Dat is geen natuur, want dieren martelen niet, maar een keerzijde van de zelfbeheersing die mensen zich een leven lang eigen moeten maken.
Welke omstandigheden leiden speciaal tot martelen?
Sir Nigel Rodley, indertijd Speciale Rapporteur inzake marteling van de Verenigde Naties, zei erover: ‘Of er gemarteld wordt ligt in elk geval niet aan een bepaalde persoonlijkheid. Er bestaan geen aangeboren beulen. Er bestaan omstandigheden waaronder mensen gaan martelen. Ten eerste: als mensen er een belang bij hebben. Je gaat niet martelen als je weet dat je ervoor gestraft zult worden, wel als je een promotie te wachten staat. Ten tweede: als het apparaat voor wetshandhaving erg corrupt is. In nogal wat landen is marteling gewoon een manier voor de politie om geld af te persen. En ten derde: als mensen getraind worden om bepaalde groepen als de vijand te zien. Elk patroon van marteling wordt voorafgegaan door ontmenselijking, demonisering van de potentiële slachtoffers. In Rio de Janeiro was ik aanwezig bij de begrafenis van een gevangenisdirecteur, die bij een opstand van gedetineerden was vermoord. De minister van Justitie hield een verzoenende toespraak. Hij werd uitgejouwd door het gevangenispersoneel. "Mensenrechten zijn er alleen voor fatsoenlijke mensen", riepen ze.'
Helpen internationale normen tegen marteling?
Normen moeten er zijn, maar voldoende zijn ze nooit. Een mensenrechtenorganisatie moet er zich dan ook niet op blindstaren. Een risico van normen is dat ze 'absoluut' lijken terwijl ze dat niet zijn. Alleen principes zijn absoluut. Het is een principe dat gevangenen 'menswaardig' moeten worden behandeld. Daaruit volgt geen norm van een geventileerde eenperskamer en goede voeding voor een land waar de meerderheid van de bevolking dat thuis niet heeft. Normen schrijven voor dat de politie een 'minimum' aan geweld moet gebruiken. Wat dat minimum is, ligt heel anders voor een goed getrainde Nederlandse ME'er met volop back-up, dan voor een politieagent in een township van Johannesburg. Internationale normstelling heeft zich tot dusverre eigenlijk alleen in Europa effectief getoond als middel tegen marteling. In Europa werken de mechanismen, zoals het Comité tegen marteling, vooral doeltreffend omdat ze voortkomen uit een gedeeld systeem van waarden, rechtsmiddelen en politieke stelsels. Op VN-niveau is daarvan nog geen sprake.
Bestaat er een psyche van de niet-gewelddadige mens?
Onderzoek naar bijvoorbeeld de houding van Duitse burgers onder het nazi-regime wees uit wie niet gauw met geweld collaboreerde: mensen die in geweldloze gezinnen zijn opgegroeid, die nauw contact hadden met joden en andere bevolkingsgroepen, en wier economische positie niet direct bedreigd werd. De 'helden' van het Duitse verzet tegen nazi's, en trouwens ook uit de hedendaagse mensenrechtenbeweging, waren vaak welgestelde mensen met een bovengemiddelde opleiding. Maar onder die sociale groepen bevonden zich ook de belangrijkste collaborateurs. En veel onderlinge contacten zijn ook geen garantie tegen geweld, zoals mensen in Bosnië ontdekten die plotseling werden aangevallen door buren van wie ze nauwelijks beseften dat die een andere 'nationaliteit' hadden.
Opvoeding heeft ongetwijfeld een weerslag op de latere bereidheid tot geweld. Maar conformisme, aanpassing aan het gedrag van de omgeving, is waarschijnlijk de doorslaggevende factor. Het overgrote deel van de mensen gedraagt zich zoals vrienden, familie en collega’s zich gedragen. Het is niet moeilijk vreedzaam te zijn in een vreedzaam land, wel te midden van geweld. De beste garantie voor naleving van mensenrechten is dan ook niet normstelling of bewustwording of rechtspraak, maar gewoon vrede.
