Amnesty.nl maakt gebruik van cookies om de content beter op uw voorkeur af te kunnen stemmen.     Meer informatie

Indonesië

In Indonesië zitten meer dan zestig politieke activisten vast omdat ze op vreedzame wijze voor hun mening uitkwamen. Amnesty beschouwt hen als gewetensgevangenen en voert actie voor hun vrijlating. Ook lopen veel daders van mensenrechtenschendingen na tientallen jaren nog steeds vrij rond. Het wordt hoog tijd dat de waarheid boven tafel komt. Amnesty draagt hieraan bij door haar onderzoeksresultaten over schendingen uit het verleden digitaal beschikbaar te maken. 

Nieuws

Blogberichten

De spanning loopt op sinds het einde van de Ramadan in Indonesië. Executies van...
Doutje Lettinga was bij de presentatie van de uitspraak van het Internationale Volkstribunaal 1965...
Vandaag verschijnt ons Jaarboek. De boodschap daarvan is deprimerend. Dat sluit nauw aan bij het...

Gewetensgevangenen

Bevolkingsgroepen die vreedzaam strijden voor meer autonomie, zoals in de provincies Papoea, West-Papoea en de Molukken, worden met harde hand onderdrukt. Het gebruik van een regionale vlag of logo is bij wet verboden. Wie zich er niet aan houdt loopt het risico gearresteerd, gemarteld en berecht te worden in een – soms oneerlijk  – proces.

Het leger en de politie gebruiken vaak onnodig veel geweld om vreedzame demonstraties neer te slaan. Zo’n zestig Molukkers en Papoea’s zitten vast omdat zij met een vlag hebben gezwaaid of hebben gedemonstreerd.

De Molukse onderwijzer Johan Teterissa demonstreerde in 2007 met een Molukse vlag. Hij werd samen met 22 medestanders gearresteerd, ondervraagd en gemarteld en kreeg vijftien jaar gevangenisstraf opgelegd. Hij zit gevangen op het gevangenis-eiland Nusakembangan bij de zuidkust van het eiland Java..

Omdat Teterissa vastzit op duizenden kilometers van zijn woonplaats op de Molukken krijgt hij geen bezoek van familieleden. Amnesty roept de autoriteiten op hem vrij te laten. Zolang dat niet gebeurt wil Amnesty dat hij wordt overgeplaatst naar een gevangenis op de Molukken en beter wordt behandeld. Amnesty heeft in mei 2014 uitgebreid actie voor hem gevoerd en meer dan 55.000 handtekeningen voor zijn vrijlating opgehaald. De organisatie blijft zijn zaak actief volgen.  

Religieuze intolerantie

Ook op grond van geloofsovertuiging worden in Indonesië mensen gearresteerd en veroordeeld. In het Indonesische strafrecht bestaan verschillende wetten die het recht op godsdienstvrijheid inperken. Zo bestaat er een wetsartikel waarin staat dat blasfemie (godslastering) strafbaar is. Wat godslastering precies inhoudt, bepaalt de overheid. Wetten die bepaalde religieuze groepen achterstellen of hun uitingen strafbaar stellen zijn zowel in strijd met de internationale verdragen die Indonesië heeft geratificeerd als met de eigen Grondwet.

Sjiitische moslims, Ahmadi-moslims, christenen en atheïsten worden geïntimideerd, aangevallen en soms zelfs vervolgd. Deze minderheden worden onvoldoende door de politie beschermd tegen geweld.

Een groep sjiitische moslims op het eiland Madura (voor de kust van Oost-Java) werd in 2011 door soennitische moslims mishandeld terwijl de politie toekeek en niet ingreep. Er vielen één dode en tientallen gewonden. Zo'n driehonderd sjiieten werden verdreven en mochten niet meer terugkeren. De religieuze leider van deze sjiitische gemeenschap, Tajul Muluk, werd in 2012 gearresteerd nadat lokale soennitische leiders met een ‘fatwa’ zijn geloofsovertuiging hadden verboden. Eerst werd hij tot twee jaar gevangenisstraf veroordeeld, maar in hoger beroep werd de straf verzwaard tot vier jaar. Amnesty eist dat hij onmiddellijk en onvoorwaardelijk wordt vrijgelaten.

Bijna tweehonderd mensen uit deze sjiitische gemeenschap zijn onder dwang ondergebracht in een flatgebouw op honderden kilometers van hun eigen woonplaats. Amnesty voert actie tegen deze onrechtmatige huisuitzetting en blijft de zaak volgen. In 2016 had op soortgelijke manier, maar wel op kleinere schaal, vervolging van Ahmadiyyah plaats op het eiland Bangka voor de kust van Sumatra.

> Bekijk Amnesty's rapport uit november 2014 over de godslasteringswetten in Indonesië.

Straffeloosheid of waarheidsvinding

Rond 1965 vonden er in Indonesië op grote schaal mensenrechtenschendingen plaats. Na een mislukte staatgreep zijn toen grote aantallen vermeende communisten vermoord, verdwenen of gevangengezet. Een conservatieve schatting gaat uit van meer dan een half miljoen tot één miljoen dodelijke slachtoffers en honderdduizenden die op willekeurig wijze zonder enig proces gevangen zijn gehouden. De daders van deze schendingen zijn nooit berecht.

Om een einde te maken aan deze straffeloosheid is waarheidsvinding een eerste stap. Nabestaanden van de slachtoffers hebben het recht om te weten wat er is gebeurd. Zij moeten een vorm van genoegdoening en rehabilitatie ontvangen. Dit is niet gemakkelijk aangezien op de massamoorden van 1965 in Indonesië een groot taboe rust. Een uitgebreid rapport van de Indonesische Mensenrechtencommissie dat in 2012 na vier jaar onderzoek werd voltooid, mocht niet worden gepubliceerd. Amnesty gaat haar eigen onderzoeksresultaten opnieuw, en nu digitaal, beschikbaar maken zodat Indonesische mensenrechtenverdedigers deze bij hun activiteiten kunnen gebruiken.

Behalve de massamoorden van 1965 zijn in Indonesië ook andere mensenrechtenschendingen onbestraft gebleven, zoals de schendingen in Atjeh tussen 1976 en 2005, de verdwijningen in 1997/98 en de moord op mensenrechtenverdediger Munir Said Thalib in 2004. In een aantal van deze gevallen pleit Amnesty International voor het instellen van een onafhankelijke Waarheids- en Verzoeningscommissie. Een wet voor zo’n commissie is in 2006 door het Constitutionele Hof afgekeurd. In het geval van de moord op Munir pleit Amnesty voor een heropening van de strafvervolging.

Seksuele minderheden

Sinds begin 2016 worden LHBT’s (lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders) in toenemende mate vijandig bejegend door de Indonesische autoriteiten. Er heerst meer en meer een klimaat waarin LHBT’s worden gediscrimineerd nadat autoriteiten in het openbaar opruiende, denigrerende, volkomen onjuiste of misleidende homofobe uitlatingen deden. Ze deden dit om ‘de openbare zeden en de openbare veiligheid van het land te verdedigen’.

De minister van Onderzoek, Technologie en Hoger Onderwijs verklaarde bijvoorbeeld dat LHBT’s de Indonesische sociale waarden en normen bezoedelen en dat hij LHBT-activiteiten niet langer op universiteiten zou toelaten. Een maand later publiceerde de Indonesische Media Commissie een brief waarin wordt aanbevolen om voor alle televisie- en radiozenders elk programma waarin LHBT-activiteiten worden aanbevolen, te verbieden, om ‘te voorkomen dat kinderen over onbetamelijk gedrag leren’. Ook werd begin 2016 uit ‘veiligheidsoverwegingen’ een islamitisch pension voor transgenders gesloten en werd een workshop die was georganiseerd door een LHBT-ngo, stilgelegd.

Mensonterende werkomstandigheden op palmolieplantages

Palmolie zit in ongeveer de helft van de producten zit die we dagelijks gebruiken of nuttigen, zoals schoonmaakmiddelen, shampoo, bakolie, ontbijtgranen en margarine. De manier waarop palmolie wordt gewonnen is mensonterend. Op de plantages van oliegigant Wilmar in Indonesië vond Amnesty bewijs van zeer ernstige schendingen van de rechten van arbeiders.

Slechte werkomstandigheden op plantages van Wilmar
•    Vrouwen werken op de plantages van Wilmar lange dagen tegen een schamel loon. Soms ontvangen ze slechts net iets meer dan 2 euro per dag. En als ze minder lang willen werken, worden zij op hun loon gekort.
•    Kinderen worden blootgesteld aan giftige stoffen en moeten uiterst zware arbeid verrichten. Zij hebben geen beschermende uitrusting terwijl ze met giftige bestrijdingsmiddelen moeten werken. Ook moeten ze zware zakken dragen die wel 25 kilo kunnen wegen. Sommigen zijn met school gestopt om te kunnen werken, anderen werken na schooltijd, ook in de weekeinden en de vakanties.
•    Arbeiders raken ernstig gewond door de giftige pesticiden, ook al is het gebruik hiervan door de Europese Unie en Wilmar zelf verboden.

Producenten moet hun verantwoordelijkheid nemen
Colgate-Palmolive, Kellog’s, Nestlé, Reckitt Benckiser, Procter & Gamble en Unilever kopen hun palmolie bij Wilmar. Daardoor zijn zij medeverantwoordelijk voor de schendingen van de arbeidsrechten op Wilmars palmolieplantages. Zelf zeggen deze producenten dat zij misbruik van arbeiders niet tolereren. De praktijk wijst anders uit. Het is de hoogste tijd dat zij hun verantwoordelijkheid nemen.

Lees meer in het rapport The great palm oil scandal: Labour abuses behind big brand names.

Verandering komt van binnenuit

Voor een duurzame verbetering van de mensenrechtensituatie in welk land ook, zijn de activiteiten van mensenrechtenactivisten in het land zelf van doorslaggevend belang. In Indonesië is dat niet anders. Mensenrechtenorganisaties zorgen voor het aan de orde stellen van schendingen, ondersteuning van slachtoffers en analyse van beleid, publiciteit en lobby.

Door hun kritische houding kunnen mensenrechtenverdedigers voor de regering een bedreiging vormen. Dat maakt hen tot doelwit van allerlei soorten aanvallen en intimidatie. De moord op mensenrechtenverdedigers Munir in 2004 werkt nog steeds door.

Indonesische mensenrechtenorganisaties organiseren trainingen voor mensenrechtenverdedigers. Zij leren daar data te verzamelen, lobby en acties op te zetten, hun eigen veiligheid te verbeteren en organisatorische capaciteitsopbouw. Amnesty ondersteunt deze trainingen.