Taalgebruik dat een persoon of groep aanvalt op grond van godsdienst of seksuele oriëntatie, of dat een uiting is van xenofobie of rassendiscriminatie.
Hate speech valt volgens het VN-verdrag (BuPo) niet onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting omdat ze, door op te roepen tot geweld en discriminatie, geldt als een misbruik van dat recht. In westerse landen wordt holocaustontkenning vaak tot haatzaai gerekend. In bijvoorbeeld Canada kan ook het maken van laatdunkende grappen over vrouwen of indianen als haatzaai worden bestraft.
Artikel 137d van het Nederlands Wetboek van strafrecht zegt:
1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
2. Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.
Amnesty bestrijdt discriminatie, maar is in het algemeen voorstander van terughoudendheid in de wettelijke beperking van vrijheid van meningsuiting. Er is een reeks van bezwaren tegen een wettelijk verbod op haatzaai. Het bestraffen van gebruik van termen ('nikker', 'poot', 'smous') heeft weinig zin als de groep zelf de termen als geuzennaam gebruikt. Denigrerende taal leidt ook niet per se tot discriminerende actie, soms vermindert ze juist de spanning.
Ook kunnen kwetsende opmerkingen in goed vertrouwen en met overtuiging zijn gemaakt. Haatzaai is wel gevaarlijk als ze met gewelddadige actie gepaard gaat. Zo zijn in het Rwanda-tribunaal personen veroordeeld voor het oproepen tot geweld tegen de Tutsi's ('kakkerlakken'), ondermeer via nationale radiostations. Het misdrijf was niet de haatzaai als zodanig, maar het directe verband met het bewapenen van de Hutu's.
Amnesty onderschrijft het beginsel dat degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan haatzaai voor de rechter moeten worden gebracht. Nederlandse rechters laten veel toe, zoals bleek toen PVV-leider Geert Wilders in 2011 werd vrijgesproken van de aanklacht van haatzaai. Amnesty vindt ook dat, afgezien van rechterlijke uitspraken, politici, opinieleiders en burgers moeten opkomen tegen uitingen die bepaalde (religieuze of etnische) groepen uitsluiten of in het nauw drijven. Ook waar niet direct sprake is van haatzaai, kan een geheel van uitingen en praktijken wel degelijk gelijkstaan aan discriminatie.
Verwant aan haatzaai is oorlogspropaganda, die in internationaal recht en in veel landen verboden is, maar bijvoorbeeld niet in Nederland. In het Nederlands parlement zijn er echter stemmen om die propaganda alsnog strafbaar te stellen.