Wetten die de vrije meningsuiting onderdrukken in Turkije

Uitgaande van de Turkse grondwet is het recht op vrije meningsuiting in Turkije goed geregeld. Bovendien heeft het land zich ook via internationale verdragen verplicht de vrije meningsuiting te waarborgen, bijvoorbeeld door het ratificeren van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Maar met nieuwe wetten en het toepassen van bestaande wetsartikelen hebben de autoriteiten vele mogelijkheden om critici het zwijgen op te leggen.

  • ‘Belediging van de president’. Met artikel 299 uit het Turkse Wetboek van Strafrecht kan tot vier jaar gevangenisstraf worden opgelegd.
  • ‘Laster en smaad’ (artikel 125 van het Wetboek van Strafrecht) biedt de mogelijkheid om publicisten van artikelen die de regering niet aanstaan, aan te klagen en tot maximaal drie jaar gevangenisstraf te veroordelen.
  • ‘Belediging van de Turkse natie’ (artikel 301 van het Wetboek van Strafrecht) wordt te pas en te onpas ingezet om het vrije woord te verbieden.
  • ‘Lidmaatschap van een gewapende organisatie‘ (artikel 314) wordt met name gebruikt tegen leden van Koerdische media.
  • In de Antiterrorismewet is ‘terrorisme’ zo vaag gedefinieerd dat journalisten voor volstrekt legale activiteiten, zoals de publicatie van kritische artikelen, kunnen worden bestraft vanwege ‘terroristische propaganda’.
  • De internetwet is in 2015 aangescherpt, waardoor de Turkse autoriteiten op ieder moment en zonder tussenkomst van de rechter berichten op Twitter, YouTube of Facebook kunnen verwijderen en websites kunnen sluiten.
  • Meteen na de mislukte staatsgreep in juli 2016 kondigde president Erdoğan de noodtoestand af. Dit geeft de premier en zijn kabinet de macht om per decreet te regeren. Omdat tijdens een noodtoestand wetgeving niet van toepassing is, hebben de autoriteiten de mogelijkheid om maatregelen te nemen zonder goedkeuring van het parlement. Vanaf 19 januari 2017 is de noodtoestand opnieuw met drie maanden verlengd.

Wetboek van Strafrecht

In mei 2013 kondigde de Turkse regering aan om het strafrecht en antiterreurwetten in overeenstemming te brengen met de mensenrechten. Hoewel er enkele verbeteringen werden aangebracht, is de wetgeving nog steeds in strijd met internationale verdragen.

Zo perken tal van artikelen in de strafwet het recht op vrije meningsuiting nog steeds drastisch in. Het beruchte artikel 301, ‘belediging van de Turkse natie’, bleef bijvoorbeeld onveranderd. Dit artikel werd onder meer gebruikt om de (in 2007 vermoorde) journalist Hrant Dink te vervolgen. Met artikel 318 kunnen mensen worden vervolgd die gewetensbezwaren hebben tegen de dienstplicht.

Sinds midden 2015 worden artikel 125, ‘laster’, en artikel 299, ‘belediging van de president’, geregeld ingezet om critici van president Erdoğan en zijn AK-partij de mond te snoeren. Sinds Erdoğan augustus 2014 president werd, hebben zijn advocaten per dag gemiddeld drie rechtszaken aangespannen tegen mensen die hem zouden hebben beledigd. Inmiddels zijn er meer dan 2.000 aanklachten ingediend.

Antiterrorismewet

De antiterrorismewetgeving werd de afgelopen jaren te pas en te onpas gebruikt om mensen aan te klagen voor volstrekt legale zaken als politieke toespraken, kritische teksten, deelname aan protesten en banden met erkende politieke groeperingen en organisaties. Door terrorisme erg ruim te formuleren, kan deze wetgeving gemakkelijk worden misbruikt om critici aan te pakken. Bij de wetsaanpassingen van mei 2013 is het begrip ‘terrorisme’ enigszins vernauwd, maar nog steeds blijft er veel ruimte over voor misbruik. Terrorisme wordt in Turkije zo ruim opgevat, dat debatteren over de rechten van Koerden kan worden bestraft als ‘terroristische propaganda’. Zo werd de Nederlandse journalist Fréderike Geerdink aangeklaagd voor propaganda voor de Koerdische PKK, op basis van berichten op sociale media.

Internetwetgeving aangescherpt

In maart 2015 werd de Turkse internetwetgeving aangescherpt. De autoriteiten hebben daarmee een extra instrument in handen om critici op het internet de mond te snoeren en hen te vervolgen. De Turkse autoriteiten kunnen nu op elk moment websites of delen van websites, sociale-media-accounts en individuele berichten daarop blokkeren. Pas achteraf hoeft toestemming van de rechter te worden gevraagd. De internetwet is zo vaag geformuleerd dat de overheid en de rechtbanken die willekeurig kunnen toepassen, waardoor zij volop ruimte hebben om de vrijheid van meningsuiting in te perken.

Veiligheidswet

Het Turkse parlement heeft op 27 maart 2015 een omstreden veiligheidswet aangenomen. De Turkse politie staat erom bekend regelmatig veel geweld te gebruiken en mensen willekeurig op te pakken. De nieuwe wet verruimt de bevoegdheden van de politie en staat het gebruik van vuurwapens tegen demonstranten toe. Zaken die onschuldig zijn, zoals het bedekken van je gezicht tijdens een demonstratie, kunnen nu fors bestraft worden: veroordeelden kunnen tot vijf jaar cel krijgen.

De veiligheidswet ondermijnt de scheiding der machten, waarin de staat opgedeeld is in een wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht, die elkaars functioneren bewaken. Zo heeft de politie niet langer toestemming van de aanklager nodig om mensen tot 48 uur vast te houden. Gouverneurs van de provincies – die een onderdeel zijn van de uitvoerende macht – zijn straks bevoegd om directe orders te geven aan de politie, zonder tussenkomst van een rechter of aanklager. De rechterlijke macht wordt hierdoor op een zijspoor gezet. Dat vergemakkelijkt politiek gemotiveerde strafvervolgingen om critici van de regering het zwijgen op te leggen – toch al een punt van zorg in het gepolariseerde Turkije.