Israëlische aanvallen op Zuid-Libanon mogelijk oorlogsmisdrijven
Hele gezinnen zijn weggevaagd door drie Israëlische luchtaanvallen in Zuid-Libanon in maart 2026. 24 burgers – onder wie 12 kinderen – werden gedood. Deze aanvallen moeten worden onderzocht als oorlogsmisdrijven, zegt Amnesty International na uitgebreid onderzoek.
Amnesty onderzocht drie Israëlische aanvallen op 6, 12 en 13 maart. Hierbij verwoestte Israël huizen van burgers in de wijk al-Thakana in het district Tyre, het dorp Irkay in het district Saida en de wijk al-Rahbat in het district Nabatieh. Onder de slachtoffers waren 12 kinderen tussen de vijf en 16 jaar, zes vrouwen – onder wie een zwangere vrouw – en zes mannen. Daarnaast raakten minstens 18 mensen gewond.
Amnesty International concludeert op basis van bewijsmateriaal dat Israëlische troepen het internationaal humanitair recht schonden bij elk van deze luchtaanvallen. Dat deden ze onder meer door geen onderscheid te maken tussen burgers en militaire doelen. Israël voerde aanvallen uit die gericht waren tegen burgers of burgerdoelen en nam niet alle haalbare voorzorgsmaatregelen om schade aan burgers tot een minimum te beperken.
“In slechts één week tijd heeft het Israëlische leger hele gezinnen, onder wie 12 kinderen, in Libanon weggevaagd,” zegt Kristine Beckerle van Amnesty International. “Hoeveel gezinnen moeten er nog de lichaamsdelen van hun kinderen uit het puin halen voordat deze verwoestende cyclus van oorlogsmisdrijven eindigt? De internationale gemeenschap moet nu in actie komen. Landen moeten onmiddellijk een alomvattend wapenembargo tegen Israël instellen, en de verantwoordelijken opsporen en vervolgen met behulp van wereldwijde en buitenlandse rechtsbevoegdheid.”
De angst neemt toe dat de meest recente, door de VS bemiddelde overeenkomst tussen Israël en Libanon een nieuwe hindernis vormt, waardoor slachtoffers geen kans krijgen op verantwoording of gerechtigheid. “De aangrijpende getuigenissen van overlevenden en getuigen laten zien wat volledige straffeloosheid voor onwettige Israëlische aanvallen in de praktijk betekent,” zegt Beckerle.
Hoe heeft Amnesty onderzoek gedaan?
Amnesty International interviewde 15 mensen, onder wie overlevenden, familieleden, ambulancepersoneel, journalisten die de plekken van de aanvallen hebben bezocht en lokale ambtenaren. Het Crisis Evidence Lab van Amnesty International analyseerde satellietbeelden en 20 foto’s en 11 video’s, die rechtstreeks door bronnen waren gedeeld of op sociale media waren gepubliceerd. Onderzoekers bekeken ook Israëlische en Libanese sociale media om de context van elke aanval te zien, en om bewijs te zoeken voor mogelijke banden met Hezbollah onder de slachtoffers.
Amnesty International stuurde op 12 juni een brief naar de Israëlische autoriteiten met het verzoek om informatie over negen aanvallen in Libanon, waaronder deze drie aanvallen. Ook verzocht de mensenrechtenorganisatie om opheldering over welke militaire doelen werden aangevallen en de maatregelen om schade aan burgers te voorkomen, te beperken, te onderzoeken of te herstellen.
De Israëlische autoriteiten verklaarden in hun antwoord op 22 juni dat ze “de ingediende beschuldigingen hadden bekeken”, dat sommige beschuldigingen “gericht waren tegen militaire doelen van Hezbollah”, terwijl andere “voor onderzoek waren doorverwezen”. Ze verklaarden dat ze “zich inzetten om schade aan burgers tijdens operaties te beperken” en dat Hezbollah “systematisch civiele infrastructuur misbruikt voor militaire doeleinden”. Ondanks verdere navraag verstrekte het Israëlische leger geen specifieke informatie over de drie door Amnesty gedocumenteerde aanvallen, en dus ook niet over wat precies de doelen zouden zijn geweest.
‘Ik heb drie dagen lang lichaamsdelen verzameld’
Op 6 maart, rond 15.50 uur lokale tijd, trof een Israëlische luchtaanval het huis van Hassan Saleh in het district Tyre aan de zuidkust van Libanon. De aanval verwoestte het huis en doodde acht familieleden, allemaal burgers, onder wie vier kinderen. De aanval verwondde ook nog eens zes burgers in een nabijgelegen huis j, van wie er drie ernstig gewond raakten.
De aanval werd zonder waarschuwing uitgevoerd. Hussein Saleh, het enige overlevende familielid, was op het moment van de aanval niet thuis. Hij vertelde Amnesty International dat hij, zijn vrouw Haniya en zijn dochter Sara hun toevlucht hadden gezocht in zijn ouderlijk huis, omdat ze dachten dat het daar veilig was. Hij had namelijk geen waarschuwing gekregen om te evacueren, zoals bij zoveel andere huizen in de buurt waar hij in Tyre woonde wel het geval was.
Een dag eerder, op 5 maart, vaardigde het Israëlische leger grootschalige “evacuatie“-bevelen uit. Daarin werden alle inwoners van Zuid-Libanon, inclusief de inwoners van de stad Tyre, opgedragen te vertrekken om “hun veiligheid te waarborgen”. Hussein zei dat zijn familie niet meteen uit Tyre kon vluchten omdat zes van zijn familieleden een medische aandoening hadden of ziek waren.
Terwijl Hussein boodschappen deed voor de iftar op de markt, vond de aanval plaats. Hij rende terug naar huis nadat hij de aanval had gehoord en zag waar de rook vandaan kwam.
“Er was geen spoor meer over van het huis, geen muren, geen bouwstenen, en de lichaamsdelen lagen verspreid over de grond… Ik heb drie dagen lang lichaamsdelen verzameld (…) Er was helemaal geen militair doelwit. Het waren allemaal vrouwen en kinderen… Mijn hele leven is verwoest. Waarom hebben ze ons niet gewaarschuwd?”
Hoe schendt Israël het internationaal recht met de massale evacuatiebevelen?
Dit soort massale evacuatiebevelen, zijn veel te algemeen en geven geen duidelijke informatie over veilige routes, bestemmingen, tijdstippen van aanvallen en hoe je uit de buurt moet blijven van militaire doelen die aangevallen gaan worden. Door deze bevelen uit te vaardigen, heeft het Israëlische leger niet het recht om deze gebieden vervolgens als vuurzones te behandelen. Het ontslaat Israël ook niet van de verplichting om het internationaal humanitair recht na te leven, om onderscheid te maken tussen militaire en burgerdoelen en om alle mogelijke voorzorgsmaatregelen te nemen om schade aan burgers tot een minimum te beperken.
Is er bewijs van militaire aanwezigheid?
Het Evidence Lab van Amnesty verifieerde twee video’s van getuigen. Op één daarvan was te zien hoe hulpverleners een lijkzak door het puin droegen, en op de andere was het lege terrein te zien waar vroeger het huis van de familie stond. Op een foto in de media is een krater op die plek te zien. Uit analyse van satellietbeelden blijkt dat het gebouw tussen de ochtenden van 6 en 8 maart 2026 is verwoest. Zowel de krater als de zichtbare schade laten zien dat er een luchtaanval is geweest.
Uit onderzoek van Amnesty International is geen bewijs naar voren gekomen dat er op het moment van de aanval militaire doelen aanwezig waren. Een zorgverlener die als een van de eersten na de aanval ter plaatse was, zei:
“Dit is een burgerwijk (…), er was niets meer over van het huis. De lichaamsdelen lagen verspreid tot wel 200 meter van de inslagplaats vandaan.”
Ook een lokale ambtenaar zei dat het aangevallen gebied een burgerwijk was en dat er geen militaire activiteiten of militaire doelen in het gebied aanwezig waren.
Wat moet Libanon doen?
Amnesty International benadrukt dat de Libanese autoriteiten daadkracht moeten tonen. Ze moeten het Internationaal Strafhof toegang geven om misdrijven te onderzoeken op Libanees grondgebied, internationale gerechtigheidsinspanningen steunen en zelf onafhankelijke onderzoeken starten naar oorlogsmisdrijven. Als er geen gecoördineerde actie komt – zowel nationaal als internationaal – gaat de cyclus van oorlogsmisdrijven en straffeloosheid door, zonder dat er een einde in zicht is.
Tussen 2 maart, toen het conflict tussen Israël en Libanon escaleerde, en 29 juni zijn er volgens de Libanese regering 4.257 mensen omgekomen in Libanon, onder wie meer dan 250 kinderen. Volgens Israëlische mediaberichten zijn er in Zuid-Libanon twee burgers en minstens 39 soldaten omgekomen.
Meer getuigenissen en onderzoek van Amnesty’s Evidence Lab zijn te lezen in het bijgevoegde uitgebreide Engelstalige persbericht.