Iraanse droneaanvallen op burgers zijn mogelijk oorlogsmisdrijven
Iran heeft burgers gedood en verwond bij aanvallen op Bahrein en Saoedi-Arabië. Dit is in strijd met het internationaal humanitair recht, blijkt uit Amnesty’s onderzoek. De acties waren deel van een reeks aanvallen op de Golfstaten, waarbij ook niet-militaire objecten het doelwit waren. Er vielen tot nu toe ten minste 28 doden en honderden gewonden.
Het conflict begon na de onrechtmatige aanvallen van de Verenigde Staten en Israël op Iran op 28 februari 2026. Dit leidde tot een reeks aanvallen met onder meer drones door Iraanse autoriteiten en gewapende groeperingen in de Golfregio. De getroffen landen zijn de zes die vallen onder de samenwerkingsraad van de Golfstaten, GCC.
Omdat deze regeringen de toegang tot informatie beperken, is er weinig documentatie beschikbaar. Amnesty International onderzocht twee aanvallen van maart 2026, die representatief zijn voor andere aanvallen. Bij deze aanvallen kwamen vier burgers om het leven en raakten minstens twaalf mensen gewond. Hoogstwaarschijnlijk werden hierbij Shahed-drones gebruikt.
Verwoestende impact
“Het conflict in het Midden-Oosten heeft een verwoestende impact gehad op burgers, met duizenden doden en gewonden in de hele regio. Burgers betalen met hun leven voor Iraanse aanvallen die mogelijk neerkomen op oorlogsmisdrijven,” zegt Heba Morayef van Amnesty International. “Iraanse autoriteiten moeten aanvallen op civiele infrastructuur onmiddellijk stoppen. De verantwoordelijken moeten ter verantwoording worden geroepen en slachtoffers hebben recht op gerechtigheid, waarheid en herstel.”
“Veel arbeiders begonnen te huilen en riepen: ‘Tareq leeft niet meer’”
Amnesty International interviewde 21 mensen: vijftien getuigen van aanvallen op civiele infrastructuur en zes familieleden van slachtoffers. De geïnterviewden woonden in verschillende landen in de regio, waaronder Bahrein, Koeweit, Qatar, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten.
Amnesty vroeg de regeringen van Bahrein en Saoedi-Arabië in maart per brief om aanvullende informatie, maar ontving geen reactie. Op 3 juni 2026 schreef Amnesty ook de Iraanse autoriteiten met vragen. Er is nog altijd geen reactie.
Bahrein: aanval op een olietanker
Op 2 maart 2026 lanceerden Iraanse strijdkrachten twee munitie-eenheden – waarschijnlijk Shahed-drones. Ze troffen de olietanker MT Stena Imperative terwijl deze in een droogdok lag voor reparaties in Al Hidd, Bahrein. Eén projectiel trof het bovendek aan de boeg van het schip terwijl werknemers reparatie- en schilderwerk uitvoerden. De analyse van 28 foto’s en video’s toont een schadepatroon en verspreiding van fragmenten die overeenkomen met het gebruik van een Shahed-drone. Fragmenten van de kernkop werden aangetroffen op het dek en in de mechanische systemen van het schip.
Eén man kwam om het leven en twee anderen raakten ernstig gewond. Amnesty International sprak vijf getuigen en familieleden van slachtoffers. De omgekomen man was S.M. Tareq, een werknemer uit Bangladesh. Een collega die getuige was verklaarde: “Ik zag een van mijn vrienden in brand staan en zijn hersenen kwamen uit zijn hoofd.” Een andere getuige zei: “Een collega zag Tareq in de explosie terechtkomen. Veel arbeiders begonnen te huilen en riepen: ‘Tareq leeft niet meer.’”

Olietanker al eerder doelwit
De Stena Imperative is een civiele tanker van het Zweedse bedrijf Stena Bulk. Volgens mediaberichten probeerden Iraanse strijdkrachten in februari 2026 het schip al aan te vallen en in beslag te nemen. Het schip was in het verleden gecontracteerd voor transport van brandstof voor het Amerikaanse leger. Maar toen de Stena Imperative op 2 maart 2026 werd getroffen, was het volgens internationaal humanitair recht een burgerobject. Het lag aangemeerd bij een civiele reparatiewerf en werd gerepareerd door burgerpersoneel, zonder betrokkenheid bij militaire operaties.
Gezien de aard van het gebruikte wapen, de Iraanse aankondiging van droneaanvallen op Bahrein die dag en eerdere pogingen het schip aan te vallen, is dit een directe aanval op burgers en een burgerobject. Dit komt mogelijk neer op een oorlogsmisdrijf.
Saoedi-Arabië: aanval op een arbeiderskamp
Op 8 maart 2026 trof een Iraans projectiel rond 16.00 uur een arbeiderskamp in Al Kharj, Saoedi-Arabië. Drie mannen kwamen om het leven en minstens tien anderen raakten gewond, sommigen met blijvend letsel. Alle slachtoffers waren burgers die werkten voor een schoonmaakbedrijf.
Amnesty International interviewde zes getuigen en familieleden van slachtoffers. Daarnaast analyseerde Amnesty 26 foto’s en video’s van de nasleep, evenals satellietbeelden. Op basis van de schade werd waarschijnlijk een Shahed-drone gebruikt, gelanceerd door Iraanse autoriteiten of een verwante groep.
Aanval tijdens de ramadan
Een getuige vertelde: “Eén arbeider werd door de explosie letterlijk in stukken gereten; ik rook zijn verbrande lichaam. De tweede had gebroken benen en iets had zijn hoofd doorboord. De derde schreeuwde: ‘Red mij’. Drie van hen stierven; twee ter plaatse en één later in het ziekenhuis.” De aanval vond plaats tijdens de ramadan. De slachtoffers sliepen of maakten zich klaar voor de iftar (het verbreken van het vasten bij zonsondergang) toen zij werden getroffen.
Musharaff Hussain (42) en Abdullah Mamun uit Bangladesh kwamen om het leven. Een derde slachtoffer was Bachchu Mia, ongeveer 35 jaar oud, eveneens uit Bangladesh en al acht jaar werkzaam in Saoedi-Arabië. Josna Akher, zijn vrouw en moeder van hun drie kinderen, zei: “Na de iftar en het gebed belde ik mijn man. Hij zei dat hij over tien minuten terug zou bellen, maar dat gebeurde nooit. Een ander nummer belde en vertelde dat hij was overleden bij een raketaanval.”
Nabijgelegen luchtmachtbasis was mogelijk doelwit
Alle getuigen verklaarden dat er vóór de aanval geen Amerikaanse of Saoedische troepen in het kamp voor arbeiders waren. Volgens Reuters verklaarde de Iraanse Revolutionaire Garde dat radarinstallaties het doelwit waren. De luchtmachtbasis Prince Sultan, ongeveer vijftien kilometer verderop en een belangrijke locatie voor Amerikaanse militaire aanwezigheid en radarsystemen, werd eerder regelmatig aangevallen door Iran en was waarschijnlijk het werkelijke doelwit.
Hoewel verschillende scenario’s kunnen verklaren waarom juist deze plek werd geraakt – waaronder een technisch defect aan het wapen – moet de aanval worden onderzocht als een willekeurige aanval zonder onderscheid tussen militaire doelen en burgers of burgerobjecten. Dat komt neer op een oorlogsmisdrijf.
Aanvallen in de Golfregio
Amnesty sprak ook getuigen van aanvallen op de luchthaven van Abu Dhabi, hotels in Dubai en waterzuiveringsinstallaties en LNG-faciliteiten in Qatar. Zij beschreven golven van drones die werden onderschept door lokale luchtverdediging. Sommige drones drongen echter door de verdediging heen en troffen essentiële infrastructuur voor basisvoorzieningen zoals water en petroleuminstallaties. Ook andere civiele infrastructuur liep schade op door vallend puin van onderschepte Iraanse raketten en drones. Een werknemer van een fabriek in Qatar vertelde: “Aan het begin van de oorlog waren er twee of drie aanvalsgolven per dag, met veertig of vijftig drones of raketten. Ik zag ze allemaal van heel dichtbij. Soms maakte ik me zorgen dat ik ook getroffen zou worden. Ik ben hier voor mijn familie, maar wat als er iets met mij gebeurt?”
Sinds het uitbreken van de oorlog onderdrukken autoriteiten in de Golfstaten de vrijheid van meningsuiting. Meer dan duizend mensen werden gearresteerd vanwege online uitingen of meningen over het conflict en de Iraanse aanvallen. Werknemers vertelden Amnesty dat zij bang waren hun ervaringen te delen uit vrees voor deportatie. Een Nepalese hotelmedewerker in Dubai zei: “Het is erg gevaarlijk hierover te praten. Veel mensen maakten video’s van de aanvallen, plaatsten die op sociale media en belandden in de gevangenis. De autoriteiten willen geen slecht nieuws.”
Verplichtingen volgens internationaal recht
Volgens internationaal humanitair recht zijn partijen in een conflict verplicht onderscheid te maken tussen aan de ene kant strijders en militaire doelen, en aan de andere kant burgers en burgerobjecten. Het is verboden burgers en burgerobjecten, zoals civiele infrastructuur, rechtstreeks aan te vallen. Partijen moeten bovendien voortdurend zorgen dat burgers en burgerobjecten tijdens militaire operaties worden beschermd. Er moet alles aan worden gedaan om doden en gewonden onder burgers en schade aan burgerobjecten te voorkomen. Rechtstreekse en willekeurige aanvallen die burgers doden of verwonden of burgerobjecten beschadigen, zijn oorlogsmisdrijven.
Achtergrond
Burgers in Iran lijden enorme schade door aanhoudende Amerikaanse en Israëlische luchtaanvallen tussen 28 februari en 7 april 2026. Volgens officiële cijfers kwamen daarbij minstens 2.362 burgers om het leven, onder wie 383 kinderen, en raakten meer dan 32.314 burgers gewond. Ook werd civiele infrastructuur op grote schaal verwoest of beschadigd.