Protesten in Teheran, Iran, 8 januari 2026.
© 2026 Getty Images

Golf van executies van demonstranten in Iran

Op 28 juli zijn in Iran twee demonstranten in het openbaar geëxecuteerd. In de week ervoor zijn minstens drie andere demonstranten ter dood gebracht. De Iraanse autoriteiten zetten de doodstraf steeds meer in om afwijkende meningen de kop in te drukken.

Amnesty International vreest dat ten minste 60 anderen, onder wie drie die gearresteerd werden toen ze nog kind waren, nog steeds het risico lopen op executie. Daarnaast lopen tegen nog veel andere mensen aanklachten waarop de doodstraf staat in verband met de protesten van januari 2026. 

Doodstraf voor demonstranten 

In de eerste helft van 2026 gebruikten de Iraanse autoriteiten steeds vaker vaag geformuleerde aanklachten over de nationale veiligheid, waaronder spionage en samenwerking met vijandige staten, om mensen die in het kader van de protesten van januari 2026 zijn gearresteerd, de doodstraf op te leggen. Sinds het begin van het jaar zijn ten minste 26 mensen geëxecuteerd die waren veroordeeld voor misdrijven in verband met de protesten van januari 2026. Deze mensen kregen de doodstraf opgelegd na marteling en oneerlijke processen voor de Revolutionaire Rechtbanken. Naast mensen die werden opgepakt voor de demonstraties, zijn ten minste 26 anderen geëxecuteerd op grond van politiek gemotiveerde aanklachten. 

“De Iraanse autoriteiten veroorzaken een gruwelijke golf van executies en doodvonnissen om afwijkende meningen te bestraffen en te onderdrukken. Ze willen een beeld van kracht en absolute controle uitstralen in de nasleep van de volksopstand in januari en temidden van aanhoudende aanvallen door Amerikaanse en Israëlische troepen,” zegt Heba Morayef van Amnesty International. 

Oproep Amnesty International 

De Iraanse autoriteiten moeten onmiddellijk alle geplande executies stopzetten en een officieel moratorium (stop) op alle executies instellen. 

Kom in actie voor mensen die mogelijk worden geëxecuteerd

De terughoudende reactie van de internationale gemeenschap moedigt de Iraanse autoriteiten aan om door te gaan met hun dodelijke geweldscampagne. De lidstaten van de VN moeten diplomatieke maatregelen nemen om druk uit te oefenen op de Iraanse autoriteiten om verdere executies te stoppen. Ze moeten de mensenrechtencrisis en de straffeloosheid in Iran hoog op hun agenda plaatsen. Ook moeten ze er bij de VN-Veiligheidsraad op aandringen om de situatie in Iran voor te leggen aan het Internationaal Strafhof. 

Onderzoeksmethode 

Amnesty International sprak met tien goed geïnformeerde bronnen, onder wie familieleden van slachtoffers buiten Iran en advocaten in Iran. De organisatie bestudeerde ook officiële verklaringen van de Iraanse autoriteiten, berichten in de staatsmedia en rapporten van mensenrechtenorganisaties buiten Iran. 

Vage aanklachten 

Onder de gedocumenteerde gevallen waren mensen die willekeurig werden geëxecuteerd of ter dood veroordeeld. Ze werden veroordeeld op basis van vage aanklachten van ‘vijandschap tegen God’ (moharebeh) en ‘corruptie op aarde’ (efsad-e fel-arz). Sommigen zijn geëxecuteerd voor vermeende betrokkenheid bij brandstichting, vernieling van eigendommen, wegblokkades of verstoring van de openbare orde. Dit zijn daden die niet voldoen aan de drempel die volgens het internationaal recht geldt voor de toepassing van de doodstraf: de doodstraf wordt daar beperkt tot de ‘ernstigste misdrijven’, zoals moord met voorbedachten rade. 

Anderen zijn onder de Spionagewet vervolgd op grond van ‘spionage en samenwerking met het zionistische regime en vijandige staten’. Deze wet werd aangenomen in de nasleep van de twaalfdaagse oorlog in juni 2025. De wet stelt handelingen strafbaar die onder internationale mensenrechten worden beschermd, zoals vreedzame deelname aan demonstraties en het delen van informatie met de media. 

Omdat er rond de protesten van januari 2026 duizenden mensen zijn gearresteerd en familieleden vaak uit angst voor wraakacties afzien van het openbaar melden van doodvonnissen, ligt het aantal demonstranten dat de doodstraf kan krijgen, vermoedelijk nog veel hoger.

Executies in verband met de protesten van januari 2026

Sinds de onwettige aanvallen van Israël en de VS op Iran op 28 februari 2026 hebben de Iraanse autoriteiten het gebruik van de doodstraf tegen demonstranten van de opstand van januari opgevoerd.

Op 28 juli 2026 zijn Amir Hossein Safari en Abolfazl Sepahi in het openbaar geëxecuteerd. Zij waren op 8 januari 2026 tijdens protesten in Esfahan gearresteerd en ter dood veroordeeld na een oneerlijk massaproces met tientallen andere verdachten. Het massaproces had betrekking op de moord op vier politieagenten tijdens de protesten op het Alikhani-plein in Esfahan, en beschuldigingen van wapenbezit, beschadiging van openbare eigendommen en brandstichting.

Op 19 juli werden twee andere demonstranten uit dezelfde zaak – Erfan Esfandiari en Gol Mohammad Mohammadi – geëxecuteerd. Het persbureau Mizan News Agency meldde dat ‘bekentenissen’ die zij tijdens hun detentie aflegden, zijn gebruikt om hen te veroordelen.

Acht anderen die in dezelfde zaak ter dood zijn veroordeeld, lopen ook risico op executie: Ali Dashti, Alireza Raisi, Abolfazl Ebrahimi, Alireza Sepahi, Amirhossein Ebrahimi, Amirhossein Maleki, Ghaem Hosseini en Shervin Bagherian. Een goed geïnformeerde bron vertelde Amnesty International dat een van de jonge mannen – Shervin Bagherian – 21 dagen was ‘verdwenen’ en werd gemarteld, onder andere met stokken. Zijn gedwongen ‘bekentenis’ werd op 25 januari 2026, nog vóór het proces, uitgezonden in een propagandavideo. Hij kreeg tijdens de hele onderzoeksfase geen toegang tot een advocaat.

Mehdi Khaneki, Mohammad Amini Dehaghani, Javad Zamani, Abolfazl Saedi, Ashkan Maleki en Mehrdad Mohammadinia zijn geëxecuteerd na veroordelingen voor misdrijven waarbij geen sprake was van ‘opzettelijke moord’, wat in strijd is met het internationaal recht.

Het aan de rechterlijke macht gelieerde persbureau Mizan News Agency maakte op 22 juli 2026 de executie bekend van Mehdi Khaneki in Karaj, in de provincie Alborz. Het meldde dat hij ter dood was veroordeeld op grond van de Spionagewet, nadat hij was veroordeeld op basis van ‘bekentenissen’ die hij tijdens zijn detentie had afgelegd. De autoriteiten hadden hem beschuldigd van banden met een verboden oppositiegroep, het bezit van wapens en explosieven, en ‘operationele acties’ voor Israël, de VS en ‘vijandige groeperingen’.

Op 15 juli 2026 is Mohammad Amini Dehaghani geëxecuteerd. Hij werd veroordeeld door een Revolutionaire Rechtbank voor ‘vijandschap tegen God’ (moharebeh) en ‘corruptie op aarde’ (efsad-e fel-arz) in verband met protesten in de stad Esfahan op 9 januari 2026. Volgens persbureau Mizan werd hij ook veroordeeld op basis van ‘bekentenissen’ die hij tijdens zijn detentie had afgelegd. Het bureau meldde dat de doodvonnissen waren gebaseerd op meerdere feiten, waaronder ‘het verstoren van de publieke opinie’, ‘het zoeken naar contact met onlineaccounts die banden hebben met contrarevolutionaire groeperingen’, het blokkeren van wegen en het beschadigen van openbaar eigendom.

Op 16 juni 2026 vonden de executies plaats van Javad Zamani en Abolfazl Saedi. Zij waren veroordeeld voor ‘vijandschap tegen God’ en ‘corruptie op aarde’ wegens ‘het verstoren van de openbare orde’, ‘het samenkomen en samenzweren tegen de nationale veiligheid’ en brandstichting in verband met protesten in Shahroud, in de provincie Semnan. De rechterlijke macht zond hun gedwongen ‘bekentenissen’ uit op de dag van hun executies.

Ashkan Maleki en Mehrdad Mohammadinia, beiden afkomstig uit de onderdrukte Koerdische minderheid in Iran, werden op 1 juni 2026 in de provincie Alborz in het geheim geëxecuteerd, zonder dat hun families of advocaten hiervan vooraf op de hoogte waren. Afdeling 15 van de Revolutionaire Rechtbank in Teheran veroordeelde hen ter dood voor ‘vijandschap tegen God’, omdat zij een moskee en een islamitisch seminarie in Teheran in brand hadden gestoken. Volgens persbureau Mizan werden zij veroordeeld en ter dood veroordeeld op grond van de Spionagewet. De ‘bekentenissen’ die zij tijdens hun detentie aflegden – en die voorafgaand aan hun proces op de staatstelevisie waren uitgezonden – werden gebruikt om hen te veroordelen. Hun medeverdachte, Arman Marefati, loopt risico op executie in de Ghezel Hesar-gevangenis in Karaj, in de provincie Alborz.

De rechterlijke macht en de staatsmedia hebben geëxecuteerde demonstranten herhaaldelijk omschreven als ‘vijandelijk voetvolk’, ‘de aan de Mossad gelieerde, zwaardzwaaiende moordenaars’ en ‘vijandelijke agenten onder het mom van demonstranten’.

Stijging van het aantal doodvonnissen 

De Iraanse autoriteiten stelden een drie maanden durende internetblokkade in, die op 26 mei 2026 ten einde liep. Sindsdien stelde Amnesty International een toename vast in het gebruik van de doodstraf in verband met de protesten van januari 2026. Er kwamen meldingen binnen van ten minste 15 doodvonnissen die zijn uitgesproken door Revolutionaire Rechtbanken en 13 doodvonnissen die zijn bekrachtigd door het Hooggerechtshof in de provincies Alborz, Esfahan, Fars, Hamedan, Qazvin, Markazi, Semnan, Teheran en Yazd. 

Amnesty International denkt dat het werkelijke aantal doodvonnissen in verband met de protesten van januari 2026 veel hoger ligt. Volgens Iran Human Rights, een mensenrechtenorganisatie van buiten Iran, zijn alleen al in één gevangenis in de provincie Esfahan meer dan 70 mensen in verband met de protesten van januari 2026 ter dood veroordeeld. 

Afgedwongen ‘bekentenissen’

Demonstranten zijn ter dood veroordeeld in oneerlijke rechtszaken die achter gesloten deuren zijn gevoerd, en die gekenmerkt werden door gedwongen verdwijningen, marteling en mishandeling. Daarbij werd de toegang tot een advocaat tijdens het vooronderzoek ontzegd, net als het recht op een advocaat naar eigen keuze tijdens het proces, en zijn afgedwongen ‘bekentenissen’ gebruikt. Dit is een schending van het recht op het vermoeden van onschuld, het recht op bescherming tegen marteling en andere vormen van slechte behandeling, en het recht om niet willekeurig van het leven te worden beroofd. Het Hooggerechtshof keurde doodvonnissen bovendien zonder inhoudelijke toetsing goed, waardoor verdachten hun recht op een eerlijk beroep wordt ontzegd. 

Spionagewet

De autoriteiten hebben een klimaat van angst gecreëerd door steeds vaker gebruik te maken van de Spionagewet. Deze wet stelt vreedzame activiteiten strafbaar, zoals het delen van informatie over demonstraties en mensenrechtenschendingen met buitenlandse media wanneer de autoriteiten dergelijk gedrag in strijd achten met de nationale veiligheid. Daarnaast legt de wet de doodstraf op voor gedrag dat wordt gekwalificeerd als ‘inlichtingenactiviteit’ of spionage voor Israël, de VS of een andere als ‘vijandig’ aangemerkte staat of groepering. 

Wie lopen er risico op executie?

Vechtsporter Benyamin Naghdi, die op 3 januari 2026 tijdens protesten in Shiraz, in de provincie Fars, werd gearresteerd en ervan werd beschuldigd een brandblusser naar veiligheidstroepen te hebben gegooid, loopt risico geëxecuteerd te worden. Hij was meer dan 50 dagen lang ‘verdwenen’ en zijn gedwongen ‘bekentenis’ werd de dag na zijn arrestatie en vóór zijn proces uitgezonden op de staatstelevisie. Amnesty beschikt over informatie dat Afdeling 1 van de Revolutionaire Rechtbank in Shiraz hem in mei 2026 ter dood heeft veroordeeld voor ‘corruptie op aarde’ na een uitermate oneerlijk proces, maar dat hij pas in juli 2026 op de hoogte werd gesteld van zijn vonnis.

Ook Peyman Ganji loopt risico op executie. Hij werd begin februari 2026 in Teheran gearresteerd. Afdeling 26 van de Revolutionaire Rechtbank in Teheran legde hem in mei 2026 de doodstraf op, en op 26 juli 2026 kreeg hij dit vonnis officieel te horen. Hij werd veroordeeld wegens ‘vijandschap tegen God’ in verband met zijn vermeende betrokkenheid bij het in brand steken van een moskee en het maken van molotovcocktails, wat hij altijd heeft ontkend. Volgens een goed geïnformeerde bron ‘bekende’ hij na marteling en trok hij zijn ‘bekentenissen’ tijdens het proces in.

Ten minste drie mensen – Erfan Amiri, Mansour Jafari en Matin Mohammadi – die ten tijde van de vermeende misdrijven nog kinderen waren, lopen ook het risico te worden geëxecuteerd. Internationale mensenrechten verbieden het opleggen van de doodstraf aan mensen die ten tijde van het vermeende misdrijf minderjarig zijn.

Achtergrond

De reactie van de Iraanse autoriteiten op de landelijke protesten die op 28 december 2025 uitbraken was ongekend: ze zetten dodelijk geweld in. Op 8 en 9 januari 2026 kwamen duizenden demonstranten en omstanders om het leven en werden tienduizenden mensen opgepakt.  

Na de Amerikaans-Israëlische aanvallen op Iran op 28 februari 2026 voerde de staat de binnenlandse onderdrukking op onder het mom van ‘oorlogsomstandigheden’. Ten minste 52 mensen werden geëxecuteerd, onder wie demonstranten en dissidenten, op basis van politiek gemotiveerde aanklachten. 

Amnesty International is altijd en overal tegen de doodstraf, in alle gevallen en onder alle omstandigheden.

Meer over dit onderwerp