Internetcensuur
De organisatie Verslaggevers zonder Grenzen publiceert geregeld over landen waar internet op grote schaal wordt gecensureerd. Voorbeelden: in Birma zijn internetaansluitingen zo duur dat het militaire regime alleen internetcafés in de gaten hoeft te houden (die geraadpleegde pagina's elke vijf minuten opslaan). In Iran zegt het ministerie van Informatie honderdduizenden sites te blokkeren, vooral als die over seks gaan of onafhankelijk nieuws bieden. Veel bloggers zijn in de gevangenis beland. Noord-Korea weigerde lange tijd op internet te worden aangesloten. Een paar duizend bevoorrechte mensen kunnen inmiddels surfen op een zwaar gecensureerde versie. In Saudi-Arabië zegt de Internet Service Unit 400.000 sites te blokkeren om burgers te beschermen; die sites zouden beledigend zijn of islamitische principes en sociale normen schenden. Tunesië hanteert een effectief censuursysteem dat alle oppositiepublicaties en veel nieuwssites blokkeert; cyberdissidenten zijn gevangengezet. In Turkmenistan zijn aansluitingen thuis verboden en zijn er geen internetcafés. In Vietnam filtert de internetpolitie `subversieve' inhoud, ze bespioneert internetcafés en arresteert cyberdissidenten.
De internetcensuur wordt in veel landen ondersteund door westerse technologie. Zo had, in 2006, Telecom Italia een derde in handen van Etecsa, de verantwoordelijke voor internetcensuur in Cuba. Provider Wanadoo bood breedbandinternet aan in Tunesië, waar Secure Computing (met hoofdkantoor in Californië) internetfilters levert. De `Great Firewall' van China kwam van het Amerikaanse Cisco Systems, en Fortinet (ook uit de VS) installeerde internetfilters voor de Birmese junta. De controle over internettoegang op de Maldiven was in handen van het Britse bedrijf Cable & Wireless.
De meest verregaande internetcensuur en controle kent China, waar in 2006 130 miljoen internetgebruikers waren. Naar verluidt zijn 30.000 agenten aangesteld om in internetcafés te patrouilleren. Op zoekmachines leveren veel zoektermen die door de overheid als riskant worden beschouwd (waaronder verwijzingen naar democratie, godsdienst, mensenrechten en internationale betrekkingen) een `foutmelding' op, of ze laten slechts geselecteerde websites zien. Bij het ontwikkelen van deze censuurtechnologie is China geholpen door westerse ondernemingen als Websense & Sun Microsystems, Cisco Systems, Nortel Networks, Microsoft, Google en Yahoo. Van buitenlandse bedrijven heeft de Chinese overheid geëist dat zij een `belofte' ondertekenen waarin ze toezeggen ongewenste websites en e-mailverkeer tegen te houden. In 2005 zaten meer dan zestig mensen gevangen vanwege hun internetactiviteiten. Dat jaar werd de internetjournalist Shi Tao veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar, nadat zijn identiteit door Yahoo aan de Chinese autoriteiten bekend was gemaakt. In 2007 was van ten minste vijftig mensen bekend dat ze vanwege internetzaken in Chinese gevangenissen zaten.
Actie ten behoeve van degenen die slachtoffer worden van internetcensuur of die wegens internetberichten gevangen zijn gezet, voeren o.m. Amnesty International (irrepressible.info), Human Rights Watch (hrw.org/advocacy/internet/dissidents) en het in de VS gevestigde internationale Comité ter Bescherming van Journalisten (www.cpj.org).
Zie ook informatietechnologie
