Column Linda Polman: ter dood veroordeeld in Texas
Het complex van betonnen bunkers staat op een kaalgeslagen grasvlakte met ijzeren hekken en dikke rollen prikkeldraad eromheen. Het lijkt nog het meest op een kerncentrale. Ramen zijn spleetjes. In torens‚ op iedere hoek één‚ waken mannen met cowboyhoeden op en shotguns in de aanslag.
Bij me in de auto zitten de echtgenote en de zoon van een van de terdoodveroordeelden. Ik heb ze een lift aangeboden‚ want ze hebben zelf geen vervoer. Hun man en vader heeft zijn datum gekregen: over vijf dagen wordt hij geëxecuteerd. De vrouw en het kind zijn uit Houston naar Livingston gekomen‚ 112 km verderop‚ om afscheid van hem nemen. Als hij straks zijn dodelijke injectie krijgt‚ heeft hij ruim 21 jaar in zijn betonnen dodencel van 2×3 meter doorgebracht.
Inmiddels wíl hij graag dood‚ want leven doet te veel pijn. Zijn lichaam is geknakt. Er zijn dagen dat hij niet kan lopen en op handen en knieën over stenen vloeren naar de douche of de bezoekruimte kruipt. De vrouw was vijf maanden zwanger toen ze haar man arresteerden‚ hun baby was op de dag af 1 jaar oud toen de veroordeelde naar death row werd afgevoerd. Het kind‚ in beeld via mijn achteruitkijkspiegel‚ is nu 22 jaar en 1.97 m lang‚ dezelfde lengte als zijn vader. Zolang de rechtszaak duurde‚ zat de vader in een county jail bij Houston opgesloten. Daar bezocht de vrouw hem elke week‚ met het kind op haar linkerheup. ‘De baby herkende zijn vader en wilde kusjes geven op het glas. Ik veegde dat dan eerst met een luierdoekje schoon’‚ vertelt de vrouw. Toen de veroordeelde eenmaal naar death row was overgeplaatst‚ kon ze het zich niet meer permitteren hem te bezoeken.
De vrouw en het kind zagen hem nog maar zelden en gedurende acht jaar zelfs helemaal niet. Maar de terdoodveroordeelde bleef hun altijd brieven en kaarten sturen. ‘Het is misschien geen gewone vader‚ maar ik hou toch van hem’‚ zegt de jongen. Ik zet ze af op de parkeerplaats van Polunsky. De vrouw haalt de dertig meter naar de toegangspoort met moeite. Ze weegt misschien wel tweehonderd kilo. De zoon gaat die kant ook op.
Vier uur later sjokken ze weer naar buiten. ‘En? Hoe was het?’ vraag ik. ‘Cool’‚ zegt de jongen. De moeder knikt instemmend. De terdoodveroordeelde was in een goed humeur geweest en ze hadden samen van snackjes uit de automaat genoten‚ hij aan de ene kant van het glas en zij aan de andere.
Op weg terug naar het motel stoppen we bij de Walmart. Ik trakteer ze op wat boodschapjes die ze nodig hebben om de komende 24 uur in hun Super 8 Motel door te komen. Morgenmiddag bezoeken ze de terdoodveroordeelde voor de aller-‚ allerlaatste keer. De vrouw wil graag bananen en een bakje gesneden fruit‚ want haar terdoodveroordeelde man heeft haar tijdens het bezoek vanmiddag verteld dat ze mooi‚ maar te zwaar is en dat hij zich daar zorgen over maakt. Ook tegen zijn zoon sprak hij bezorgdheden uit. De jongen is opgehouden met school en speelt thuis computerspelletjes. ‘Solliciteer hier naar een baan als cipier’‚ zei de vader. ‘We komen chronisch bewakers tekort en ze betalen je ziektekostenverzekering.’ Het kind heeft zijn vader beloofd erover na te denken.
In de Walmart legt hij een grote zak chips in het karretje en een dvd van de film Friday‚ over dudes die Craig en Smokey heten‚ die net door hun baas zijn ontslagen en de dagen doorbrengen op het stoepje voor hun huis‚ zuipend‚ dope rokend en zich te pletter vervelend. ‘Dank u wel‚ mevrouw’‚ zeggen moeder en zoon als ik heb afgerekend en ze afzet bij hun motel. Ze sjouwen hun boodschappen naar hun kamer en draaien de deur op slot.
Reageren? wordtvervolgd@amnesty.nl