Humanitaire hulp
Niemand vindt het prettig om als harteloos door het leven te gaan. Over wat de goede moraal is‚ valt te discussiëren‚ maar wat bijna alle verschillende morele overtuigingen gemeen hebben‚ is dat ze betrokkenheid bij de wereld – of althans een deel daarvan – promoten. De verplichting iemand die in nood verkeert belangeloos bij te staan is een steunpilaar van onder andere de reëel bestaande westerse moraal‚ of die nou een religieuze of seculiere achtergrond heeft.
Helpen is kortom een morele plicht. Helpen is bovendien aangenaam. Wie helpt staat sterk. Wie kan helpen hoeft doorgaans zelf niet geholpen te worden. Ik kan dit niet staven met cijfers‚ maar de ervaring leert mij dat mensen liever vreemden duizenden kilometers verderop helpen dan een dakloze of een buurman in hun eigen buurt. Liever een onbekende dan een familielid. In sommige gevallen: liever een dier dan een mens.
Hulpverlening is namelijk ook een avontuur. Talloze hulporganisaties strijken neer in crisisgebieden en bieden werk aan expats voor wie de hulpverlening‚ duizenden kilometers van huis en haard‚ ook een direct gevolg van het exotisme is. Natuurlijk‚ vaak werken de hulpverlenende expats hard‚ vaak zien ze af van bepaalde luxe‚ maar toch weet ik niet zeker of het wezen van de humanitaire hulpverlener werkelijk verschilt van dat van de goudzoeker. De een zoekt goud in de hoop op snelle rijkdom. De humanitaire hulpverlener zoekt slachtoffers in de hoop op een beter karma. Maar in beide gevallen gaat het om mensen die hun al te geordende bestaan opgeven om de grenzen van het eigen leven en dat van de wereld op te zoeken.
Een verschil is dat goudzoekers eerder individueel opereren terwijl de hulporganisaties die de hulpverlening organiseren vaak opereren als multinationals. Het gaat weliswaar niet om maximalisatie van de winst‚ het gaat om maximalisatie van efficiëntie – en om transparantie‚ uiteraard. De donoren willen immers weten waar hun geld naartoe gaat.
Zeker willen ze dat. Al was het maar omdat ook zij bedankt willen worden voor hun generositeit. Over de naïviteit van veel internationale humanitaire hulp en de perverse neveneffecten daarvan is al veel geschreven. Ik stel hooguit vast dat de relatie tussen hulpverlener en hulpontvanger lijkt op die tussen knecht en meester.
De humanitaire hulpverlener is een soort hedendaagse missionaris. Maar de verspreiding van het verlichtingsideaal verloopt minder voorspoedig dan de verspreiding van de leer van Jezus. Zoals het redden van zieltjes het leven van de missionaris zin geeft‚ zo geeft het redden van lichamen zin aan het leven van de hulpverlener. Het slachtoffer helpt de hulpverlener.