Eskinder Nega Ethiopië
© Sarah Mwangi

Het verdedigen van mensenrechten is onze plicht

De bekende Ethiopische journalist Eskinder Nega heeft negen keer in de gevangenis gezeten, puur en alleen omdat hij zijn beroep uitoefende. Hij werd eerder dit jaar vrijgelaten na zijn langste periode achter de tralies. In deze brief aan de supporters van Amnesty International vertelt hij over zijn tijd in de gevangenis, hoe hij overleefde en waarom de stem van de mensenrechten moet blijven klinken…

Beste supporters van Amnesty International,

Bij toeval werd ik journalist. Ik was in de twintig. Voor het eerst in de geschiedenis van Ethiopië waren er onafhankelijke tijdschriften. Ik wist dat we voor vrijheid van meningsuiting moesten gaan en grenzen moesten verleggen, dus schreef ik kritische artikelen over het machtsmisbruik van het Ethiopische regime. Mijn krant was de eerste die werd aangeklaagd op grond van de perswet; mijn hoofdredacteur en ik waren de eersten die werden vastgezet.

Ik ben nu 48. Sinds 1993 heb ik negen keer in de gevangenis gezeten op basis van verschillende aanklachten. Ik heb bijna een vijfde van mijn leven in de gevangenis doorgebracht – alleen maar omdat ik mijn werk als journalist deed. Dit jaar kwam ik vrij na meer dan zes jaar in de cel. Hoewel ik een vreedzaam persoon ben, veroordeelde de Ethiopische regering mij op grond van terrorisme. Overal in de wereld worden dit soort aanklachten regelmatig gebruikt tegen andersdenkende journalisten zoals ik, die hun regeringen weerstand bieden.

Ik heb alle kanten van het gevangenisleven gezien. Ik heb in donkere cellen gezeten die kleiner waren dan twee vierkante meter. Als ik sliep, was het alsof mijn hoofd de muur raakte en mijn voeten de deur. Het was zo donker dat ik mijn hand niet kon zien. Twee keer per dag mocht ik naar de wc. Van douchen was geen sprake.

Er waren momenten, toen ik vastzat voor mijn journalistieke werk, dat ik werd gemarteld door de autoriteiten. Ze sloegen me op de onderkant van mijn voeten, de meest voorkomende vorm van marteling ter wereld. Maar dat was niet het allerergste dat ik meemaakte.

Mijn zoon werd in de gevangenis geboren. De Ethiopische regering had mijn vrouw en mij opgesloten na de verkiezingen van 2005. Hij moest bij zijn grootmoeder wonen, omdat de omstandigheden zo slecht waren. Mijn vrouw en ik zagen elkaar tijdens hoorzittingen, maar buiten dat mochten we elkaar niet zien. Mijn zoon is nu 11 jaar en woont in de Verenigde Staten. Ik heb hem niet gezien sinds ik in 2012 weer werd vastgezet. Het idee dat ik hem weer zal zien, is zowel opwindend als beangstigend. Ik ben niet perfect en ook niet de legende die hij denkt dat ik ben. Ik hoop dat hij niet al te teleurgesteld zal zijn als hij mij leert kennen.

De laatste keer sloot de regering mij op in de beruchte Maekelawi-gevangenis. De omstandigheden waren verschrikkelijk. Het was overbevolkt, het was moeilijk om een slaapplek te vinden en de sanitaire voorzieningen waren ongelooflijk slecht. De gevangenisleiding wilde dat ik stopte met schrijven. Omdat ik weigerde, werd ik weggezet als een onruststoker, een lastige gevangene. Ik werd apart gezet.

Ik vocht met niemand, ik schreef alleen maar. Ik werd in een gevangenis binnen de gevangenis gezet. Dit celblok was maar drie bij negen meter groot. Er was geen ruimte om te luchten. Pen, papier en boeken werden me ontzegd. Ze wilden me niet alleen fysiek opsluiten, ze wilden me mentaal breken.

Gedurende meer dan vier jaar probeerde de staat mij te laten stoppen met schrijven. Niet alle bewakers stonden aan de kant van de overheid en sommigen van hen gaven me papier en pennen – ik was een bekende figuur in de gevangenis. Ik was hun trouwste klant.

Toen ze daarachter kwamen, probeerde de overheid ook dat te stoppen. Maar ik bleef schrijven. Op karton, op stukjes papier, op alles wat ik kon vinden. Op een gegeven moment maakte het niet meer uit wát ik schreef, zo lang ik maar niet stopte met schrijven. Bijna iedere week werden onze cellen doorzocht. De regering deed er alles aan om mijn geest te breken, maar het lukte ze niet.

Ik las de bijbel zo vaak ik kon. Mijn democratische overtuiging hielp me door de donkerste tijden heen.

Zelfs vanuit die donkere cel wist ik dat organisaties als Amnesty International voor mij opkwamen. Dat besef was ontzettend belangrijk. Via mijn familie kreeg ik steunbetuigingen van Amnesty International. Het hielp mij en mijn familie om moed te houden.

Ik ben blij dat ik mensen heb geïnspireerd om te schrijven. Daar ben ik trots op. Het geschreven woord is onverslaanbaar. Ik ben een kind van het Eerste Amendement van de Verenigde Staten, dat zegt dat iedereen recht op vrijheid van meningsuiting heeft en dat we allemaal zouden moeten kunnen zeggen wat we willen, zonder angst.

In 2018 werd ik vrijgelaten. Niet omdat de regering van gedachten was veranderd, maar omdat de mensen de vrijlating eisten van gevangengezette activisten, journalisten en bloggers. De mensen kwamen op voor democratie.

Toen we naar buiten kwamen, hoopten we – en dat hopen we nog steeds – dat hetgeen waar we voor stonden en waar we dit offer voor hadden gebracht, eindelijk zou gaan gebeuren.

We hebben zo lang voor democratie gevochten en ik blijf doorgaan met mijn werk als mensenrechtenverdediger en journalist totdat we dit bereikt hebben. De vrijheid van meningsuiting is de basis van onze rechten, de basis van democratie. Het is de basis van alles.

We zouden moeten kunnen zeggen wat we willen, zonder angst voor represailles. Het is het tijdperk van de democratie en ik stop niet, ik laat me niet het land uitzetten en ik geef niet op. Ik heb nooit getwijfeld over het werk dat ik doe – mensenrechten verdedigen is onze plicht en totdat er democratie is zal ik me daar sterk voor maken, ongeacht de consequenties.

Ik zal Amnesty’s supporters voor eeuwig dankbaar zijn. Ga door met jullie werk. Jullie zijn het geweten van de mensheid, de stem van de onderdrukten. De stem van de mensenrechten moet gehoord worden totdat iedereen is bevrijd van tirannie.

 

Dank u wel,

Eskinder Nega
(Voormalig gewetensgevangene uit Ethiopië)