Stuur namens Rasmiyyah en Ibrahim een kaartje aan Booking.com
Ibrahim Ahmed Salem Ka’abna en Rasmiyya Ali Ka’abna uit de zuidelijke Jordaanvallei
“De dag waarop we moesten vluchten, was de moeilijkste dag van mijn leven,” vertelt Ibrahim Ahmed Salem Ka’abna (36), vader van twee jonge kinderen. Op 25 januari 2026 vielen Israëlische kolonisten opnieuw met geweld zijn gemeenschap aan. Ze verdreven de laatste mensen van de Ras ‘Ein al-’Auja-gemeenschap weg van hun land, onder wie het gezin van Ka’abna. Deze Palestijnse gemeenschap woonde 10 kilometer ten noorden van de toeristische trekpleister Jericho.
Altijd bang
De Ras ‘Ein al-’Auja-gemeenschap bestond uit ongeveer 120 families. Ze waren de laatste herdersgemeenschap in de zuidelijke Jordaanvallei. De verdrijving in januari kwam niet onverwacht: al meer dan 2 jaar plegen de Israëlische kolonisten, met steun van het Israëlische leger, voortdurend ernstig geweld tegen Palestijnen in het gebied. De aanwezigheid van deze Israëlische kolonisten in het Bezette Palestijnse Gebied is volgens het internationaal recht illegaal.
“Sinds het begin van de oorlog in Gaza kwamen de kolonisten elke dag naar ons dorp. Overdag en ‘s nachts. We konden ‘s nachts niet slapen en overdag durfden we onze huizen niet uit, omdat de kolonisten ons in elkaar wilden slaan” vertelt Ka’abna. Ook zijn moeder, Rasmiyya Ali Ka’abna (65), leeft al jaren in angst: “Ze vielen ons aan, ze bedreigden ons, ze vielen de school aan en ze joegen ons weg. Ze zeiden tegen hun jongeren dat ze ons moesten neerschieten.” Een andere bewoonster, die anoniem wil blijven vertelt: “Onze kinderen sliepen elke nacht met hun schoenen en jassen aan, omdat we niet wisten wanneer we weer zouden worden aangevallen.”
Schapen gestolen
Ook de dieren waren niet veilig. “Ze vielen onze schapen aan en probeerden ze te stelen. We konden onze dieren niet meer hoeden zoals we gewend waren.” In maart 2025 zijn bij één incident ongeveer 1.500 schapen gestolen. “Als je je probeert te verzetten tegen het geweld of de diefstal, dan ben jij ineens een terrorist. En als de politie of het leger komt, dan arresteren ze jou. Dan is het gedaan met je. Dit is waar we mee te maken hadden.”
“Het breekt mijn hart”
De familie van Ibrahim Ka’abna woonde al generaties lang op het land. “Wij woonden daar, en mijn vader voor mij en die van hem daarvoor. Het is het aller moeilijkst voor een mens om zijn thuis te moeten verlaten. We werden gedwongen alles achter te laten. We konden alleen een paar schapen meenemen en de kleding die we droegen. We kunnen niet meer terug. We hebben niet eens geprobeerd terug te keren uit angst voor onze levens. We zijn aan de dood ontsnapt op de dag dat we vertrokken. Het breekt mijn hart. Het is het zwaarste dat ik ooit heb meegemaakt. Je leeft zo eenvoudig mogelijk, en dan neemt iemand dat van je af.”
Verscheurde gemeenschap
De hechte Ras ‘Ein al-’Auja-gemeenschap is na de verdrijving door de kolonisten uit elkaar gescheurd. De gezinnen zochten op verschillende plekken hun toevlucht. Rasmiyya Ali Ka’abna maakt zich zorgen over de toekomst: “Ik heb kinderen, en ik vrees voor hun veiligheid. Ik ben bang voor de kolonisten.” Haar zoon vult aan: “Tot nu toe zijn de kolonisten hier nog niet gekomen, en hopelijk komen ze hier ook niet. We zijn bang dat ze ook hier komen.”
Stuur namens Rasmiyyah en Ibrahim een kaartje aan Booking.com