Arnon Grunberg
© Jitske Schols

Fetisj 

Fetisj 

Wie is tegen democratie? En tegen rechtvaardigheid? Tegen gelijkwaardigheid? Niemand. Toch zijn er vragen over deze zaken te stellen. Bijvoorbeeld: is democratie een middel of een doel? Mij lijkt: een middel. Kun je gelijkwaardigheid bewerkstelligen zonder democratie? Ik zou zeggen van wel. Moet je rechtvaardigheid nastreven als het de vrede in gevaar brengt? Dat betwijfel ik. Kortom, bovenstaande idealen zijn niet absoluut. Ik zou niet weten welk ideaal wel absoluut is, dat terzijde. 

Toch dreigen deze idealen te verworden tot fetisj. Niet elk ondemocratisch besluit is een slecht besluit. Zelfs in een goed functionerende democratie worden veel besluiten op ondemocratische wijze genomen, denk aan de centrale banken die zich in vrijwel elke democratie onttrekken aan directe democratische besluitvorming. (Niet het parlement of de president beslist of de rente omhoog- of omlaaggaat.) 

Als het om gelijkwaardigheid gaat, is het goed de vraag te stellen wanneer het ideaal van de gelijkwaardigheid bereikt zou zijn. Als de inwoners van bejaardentehuizen net zo begeerlijk zijn als de 18-jarigen in de disco?  

Wij denken bij gelijkwaardigheid aan bevolkingsgroepen die zijn achtergesteld op grond van geslacht, geloof, etniciteit. Maar discriminatie jegens ouderen is reëel. Het bestaan van dood en ziekte draagt bij aan fundamentele ongelijkwaardigheid.  

Dat wij de onmondigheid en de hulpbehoevendheid van het jonge kind niet als ongelijkwaardig beschouwen, komt omdat doorgaans aan die toestand snel een eind komt. Misschien is waarlijke gelijkwaardigheid pas binnen handbereik als de dood is overwonnen? 

Misschien is gelijkwaardigheid pas binnen handbereik als de dood is overwonnen? 

Deze vraag geeft al aan dat we ons zouden moeten afvragen met welke ongelijkwaardigheid we kunnen leven. 

Het volk zou zich niet meer herkennen in zijn volksvertegenwoordigers. Vrijwel niemand vraagt zich echter af of dat nodig is. Zeker, het volk moet zijn volksvertegenwoordigers vertrouwen. Maar je kunt een ander vertrouwen zonder dat die ander op je lijkt. Zou de loodgieter de hartchirurg pas vertrouwen als die heeft bewezen een lekkende kraan te kunnen repareren? 

De vraag zou niet moeten zijn: hoe kunnen we ervoor zorgen dat de samenstelling van het parlement lijkt op die van de bevolking, maar: hoe kunnen we ervoor zorgen dat de burgers hun parlementariërs meer vertrouwen? 

Niet vragen: hoe maken we de maatschappij gelijkwaardiger, want die vraag eindigt bij het Koninkrijk van Jezus, maar: met welke ongelijkwaardigheid kunnen we leven?  

Niet altijd maar weer willen toetsen: is dit democratisch of niet? Maar controleren of het volk zich door middel van verkiezingen kan ontdoen van bestuurders die hun macht misbruiken, of dat er andere manieren zijn om die bestuurders of leiders zonder bloedvergieten te verwijderen. 

Een samenleving zonder fouten is ondenkbaar. Welke fouten en misstappen zijn vergeeflijk? Welke grensoverschrijdingen zien we door de vingers? 

Als we voortdurend elkaars opvoeders zijn, is het misschien aardig na te denken over mogelijkheden en onmogelijkheden van de opvoeding.