Ahmed Aboutaleb
© JEAN-PIERRE JANS/HH

‘We gaan in Amsterdam niet op illegalenjacht’

De segregatie tussen de verschillende bevolkingsgroepen in zijn stad neemt toe, erkent de Amsterdamse wethouder Ahmed Aboutaleb. Maar niet om religieuze of culturele redenen: het is ‘segregatie van de portemonnee’. Gesprek met een bevlogen sociaal-democraat over discriminatie op de arbeidsmarkt (‘Evident aangetoond!’), de meerwaarde van het anders gebakken zijn, en over radicalisering en jihad.

Ahmed Aboutaleb, rijkelijk stemmentrekkend wethouder te Amsterdam (portefeuille werk & inkomen, educatie, jeugd & diversiteit en grote stedenbeleid) heeft duidelijk geen zin in weer een persoonlijke confrontatie met een andersdenkende, zoals hij kort voor ons gesprek had met minister Rita Verdonk. Die eiste, en kreeg tot op zekere hoogte, zijn excuses omdat hij haar van politiek gewin had beticht over het zojuist ontzielde lichaam van Theo van Gogh. Maar als ik hem nu vraag of hij kan instemmen met de verkiezingsleuze ‘Laat Rita haar karwei niet afmaken’, die ex-premier Ruud Lubbers in het oktobernummer van Wordt Vervolgd propageerde, antwoordt hij opmerkelijk mild dat hij niets tegen de persoon van de bewindsvrouwe heeft, maar dat het hier om een streng immigratie- en integratiebeleid gaat waar een heel kabinet de verantwoordelijkheid voor draagt. Inclusief het CDA, de partij waar Lubbers lid van is maar die hij er niet in één adem bij noemt. En als ik vraag of hij zich gestoord heft aan de juichtonen waarmee minister Joop Wijn een onderzoeksrapport presenteerde waaruit blijkt dat er in Nederland helemaal niet gediscrimineerd wordt bij sollicitaties, dan zegt hij dat hij juist erg veel waardering heeft voor de persoon J. Wijn. Aboutaleb heeft Wijn juist leren kennen als een man die wel degelijk over de dingen nadenkt.

Pas als ik aanhoud en als ik de Ahmed Aboutaleb citeer die zich bij herhaling druk gemaakt heeft over de gebrekkige kansen voor de allochtone jeugd op de arbeidsmarkt, zegt de wethouder dat de resultaten waar Joop Wijn mee geurde in flagrante tegenspraak zijn met allerlei gerenommeerde onderzoeken die het tegendeel vastgesteld hebben. Want dat zulke discriminatie evident is aangetoond. Evident!

In Amsterdam zegt hij, spreekt het midden- en kleinbedrijf zelf van ‘vooroordelen’ in eigen kring. Dan kun je toch niet zeggen dat er niks aan de hand is. Aboutaleb: ‘Mijn advies aan minister Wijn zou zijn: zet dat rapport onmiddellijk bij het grof vuil. Het gaat tegen alle waarnemingen in die de afgelopen jaren, tot zeer recent aan toe, gedaan zijn. Ik kan er niks mee.’

Als je onder tien blanken een vacature hebt, neem dan een zwarte. Die staan anders in het leven

Ahmed Aboutaleb noemt het ondertussen wel opvallend dat hij de laatste zes maanden veel minder brieven krijgt van allochtone jongeren die hem op het wanhopige af om hulp vragen bij het vinden van een stageplaats, omdat ze anders hun opleiding niet af kunnen maken. Toen hij pas wethouder was kreeg hij er stapels van, soms zelfs van hele klassen tegelijk. Nu krijgt hij er nog maar een enkele in twee weken tijd. Dat moet te maken hebben, vermoedt hij, met zijn aanhoudende pleidooien richting de allochtone jeugd om zich niet als slachtoffer te positioneren. Hij ziet het bijna als zijn missie. ‘Stroop de mouwen op!’ houdt hij hen voortdurend voor. En zeg tegen de werkgevers in de stad, als jullie van mijn talenten geen gebruik maken, dan zijn jullie ongelofelijke oenen.
En die afnemende post heeft zeer zeker ook te maken met de afspraak die hij met de Amsterdamse werkgevers maakte om alle leerlingen die in het studiejaar 2006/2007 een stageplek nodig hebben, die plek ook te geven.

Maar dat er, hoe dan ook, in dit land en in zijn stad nog steeds sprake is van discriminatie. Dat staat voor hem vast. Hij ziet weinig heil in gerechtelijke optredens daartegen, nagelvast te bewijzen valt discriminatie bijna nooit. Veel effectiever lijkt het hem om klachten in te dienen bij een discriminatiebureau. Als zo’n bureau over een en hetzelfde bedrijf twintig klachten krijgt dat er gediscrimineerd wordt bij sollicitaties of bij het uitdelen van stageplekken, dan heeft zo’n bureau toch een krachtig wapen in de hand om met de leiding van dat bedrijf te gaan praten. ‘Ik kan me niet voorstellen dat een fatsoenlijk bedrijf in Amsterdam dat leuk vindt.’

Komt discriminatie ook voor binnen het gemeentelijk apparaat?
Ahmed Aboutaleb: ‘Als ik zeg dat het overal voorkomt, dan zou het erg raar zijn als ik daarna zou zeggen, het gemeentelijk apparaat met twintigduizend mensen is daarvan verschoond. Dat is niet zo.’
Ook aan het eigen gemeentebedrijf stelt hij de nieuwe directeur van de Rabobank in Amsterdam ten voorbeeld. Diens personeel bestaat nu voor 20 procent uit allochtonen en dat wil hij graag uitbreiden. ‘Neem de kleur aan van je omgeving’, is diens adagium. Ahmed Aboutaleb: ‘Tot heel veel werkgevers wil het maar niet doordringen dat diversiteit lonend is. Grote ondernemingen in Amerika, beursgenoteerde ondernemingen, hebben dat wel begrepen. Die zeggen, als je in een groep van tien economen een vacature hebt, neem dan een socioloog. Als je bij tien mannen een vacature hebt, neem dan een vrouw. Als je onder tien blanken een vacature hebt, neem dan een zwarte. Die gaan andere vragen stellen. Die staan anders in het leven. Mijn oproep aan het bedrijfsleven is: neem niet per se iemand die in het team past, maar zoek nou eens gedurfd naar iemand die niet in het team past. Zowel qua leeftijd, qua houding als qua opleiding. In al die bedrijven zoeken mensen een kopie van zichzelf. Terwijl de meerwaarde zit in iemand die niet op jou lijkt. Die anders is.’
Aboutaleb haalt een Marokkaans spreekwoord aan. Als jij een euro hebt, zegt hij, en ik ook, en we ruilen, dan hebben we nog steeds allebei een euro. Maar als jij een idee hebt en ik ook, en we ruilen, dan heb jij plotseling twee ideeën en ik ook. ‘Dat bedoel ik’, zegt hij enthousiast. ‘Dat is de meerwaarde van het anders gebakken zijn.’

Bent u voorstander van de anonieme sollicitaties die de ex-Amsterdamse wethouder Guusje ter Horst in Nijmegen ingevoerd heeft?
Ahmed Aboutaleb: ‘Er zijn weinig dingen waar ik zo uitgesproken over ben, maar dat zie ik dus helemaal niet zitten. Daar ben ik vierkant tegen. Je moet gewoon de mensen accepteren in hun vol ornaat.’

De moslimgemeenschap in Amsterdam is eenzijdig laag opgeleid, eenvoudige mensen zijn het

De Amsterdamse wethouder is de eerste om het te erkennen: de segregatie tussen de verschillende bevolkingsgroepen in zijn stad neemt toe. Maar de klassieke sociaal-democraat in hem ontkent dat die bedroevende ontwikkeling ingegeven wordt door religieuze of culturele elementen. Ik wil er niet bij horen, ik wil niet tussen de blanken wonen, ik wil niet tussen de zwarten wonen of ik wil als moslim niets met de ongelovigen te maken hebben, die overwegingen spelen geen rol. Ahmed Aboutaleb noemt het een segregatie van de portemonnee, een sociaaleconomische segregatie. De oplossing? Slopen waar je slopen kunt en daarna gemixt wederopbouwen. Op dezelfde plaats bouwen, zowel voor de bovenlaag als voor het middensegment als voor mensen die op huurwoningen zijn aangewezen. Aboutaleb: ‘Kijk maar naar Zuid-Oost! Dat hebben we platgewalst en weer opgebouwd. En wie wonen daar nu? Dezelfde allochtonen die daar in het verleden woonden, maar dan met een ander inkomensplaatje. Er wonen nog te weinig blanken, zeker, maar wat we wilden is gelukt, moet ik u zeggen. Mengen op basis van de huishoudbeurs.’

Via de verwikkelingen rond de Westermoskee, het ambitieuze Turksislamitische moskeeproject dat door conservatieve Keulse geloofsbroeders uit handen van Amsterdamse nieuwlichters gekaapt werd, komen we toch bij de rol van de religie in zijn stad. Over de nieuw te bouwen moskee in de Baarsjes wil Aboutaleb niets zeggen. Hij is gevraagd om te helpen bij het zoeken naar een oplossing. Wel geeft hij toe dat de nieuwlichters die het eerder voor het zeggen hadden een modernisering van het geloof en daarmee de integratie van de gelovigen voorstonden. En dat die benadering nu onzeker is geworden.
Aboutaleb: ‘In Amsterdam hebben we te maken met een a-typische samenstelling van de islamitische gemeenschap. Kijk hoe er op de aanslag van Mohammed B. gereageerd is. In Marokko ronduit negatief, terwijl er in Amsterdam wel fotootjes van hem zijn aangetroffen in de tas van schoolkinderen. De moslimgemeenschap in Amsterdam is eenzijdig laag opgeleid, eenvoudige mensen zijn het. Het is niet voor niets dat er nauwelijks woordvoerders onder hen zijn opgestaan en nauwelijks goedgeschoolde geestelijke leiders die met gezag aan het debat kunnen deelnemen. Hoeveel zijn dat er? Tien? Dichter bij tien dan bij honderd, dacht ik. Dat betekent dat heel veel moslims niet voldoende intellectueel niveau hebben om een eigen godsbeeld te hebben, om een persoonlijke band met hun God te onderhouden, die verder niemand iets aangaat. Ze uiten hun geloof veel meer door het volgen van regeltjes. Doe ik dit, ben ik goed, doe ik dat, ben ik niet goed. Houvast, houvast, houvast, daar gaat het ze om. En dat heeft tijd nodigom te veranderen.’

Ahmed Aboutaleb zegt dat hij er geen idee van heeft in hoeveel Amsterdamse moskeeën en in welke dan precies de taal gebezigd wordt die alarmerend voorpaginanieuws gemaakt heeft van de Haagse imam sjeik Fawaz Jneid. Dat uit te zoeken laat hij aan de AIVD over. Hij vindt het wel een overheidstaak om gematigde moslims te stimuleren, desnoods met geldelijke steun, om met hun gematigde opvattingen naar buiten te komen. Hij zegt het Mark van der Horst, zijn ex-collegawethouder van de VVD, met overtuiging na: gif dient met tegengif bestreden te worden. Op internet tref je bijna exclusief de radicalen aan, de moslims met een oog-om-oog-tand-omtandfilosofie, de fundamentalisten die geholpen worden door veelal duistere geldstromen. De gematigde meerderheid kijkt ernaar, vindt het afschuwelijk, maar doet niets.

U heeft, zeg ik, wel eens gezegd dat u dolgraag een gesprek zou hebben met leden van de Hofstadgroep. Wat zou u ze willen zeggen?
Ahmed Aboutaleb: ‘Ik zou ze eerder vragen willen stellen. Wat motiveert jullie? Wat beweegt jullie? Een van de mensen die recent werd opgepakt in dat kringetje bleek een achterneef van mij te zijn. Daar ben ik me rot van geschrokken. Die jongen heb ik gekend als opgeschoten puber en die blijkt nu in dat wereldje terecht te zijn gekomen. Ik wil weten wat die jongen bezielt.’
Hij zelf heeft een totaal afwijkende interpretatie van het begrip jihad. Dat woord betekent volgens hem niets anders dan, je inspannen, je best doen. Elke dag aan het werk gaan en voor jezelf en je naasten het brood verdienen, dat is volgens Ahmed Aboutaleb de hoogste vorm van jihad. En niet koelbloedig iemand doodschieten.

Er is nog tijd voor een laatste onderwerp.
‘Bent u blij’, vraag ik de wethouder, ‘dat u van Den Haag een bonus krijgt als u in de stad veel illegalen vangt?’
Ahmed Aboutaleb: ‘Wij gaan in Amsterdam niet op illegalenjacht. Als de politie een auto aanhoudt of zoiets en als de bestuurder illegal blijkt, dan doen we wat de wet ons voorschrijft. Alleen als we om een hele andere reden iemand arresteren en we komen er dan achter dat hij illegaal is, ondernemen we actie. Maar als we op die manier te werk gaan en er dan aan het einde van het jaar een getal onder de streep verschijnt waarvan de regering zegt, dat belonen we, dan zouden wij wel gek zijn als we dat geld niet in ontvangst zouden nemen. Zo ziet de burgemeester dat. En daar sta ik achter.’

Gerard van Westerloo

Wordt Vervolgd, december 2006