© Dalai Lama/Reuters

Voor de Spelen naar huis in Tibet

De spiritueel leider van Tibet koestert niet de illusie dat hij na 48 jaar ballingschap toestemming van Beijing krijgt voor een bezoek. Maar het verlangen blijft zijn geboortegrond voor zijn dood terug te zien. Hij roept de Chinezen op tot spirituele verzoening met de Tibetanen, in de overtuiging dat de volksrepubliek binnen vijf tot tien jaar opener zal worden. Een exclusief gesprek met de Dalai Lama.

Wiesbaden – Vooraf drukken zijn assistenten me op het hart dat ’s werelds bekendste gewetensgevangene in de eerste plaats een ‘religieuze leider’ is. Hij speelt geen politieke spelletjes met zijn gehoor. Zijn heilige vertrouwen in de goede afloop van de ‘kwestie Tibet’, volgens critici tegen beter weten in, is oprecht.
Het interview begint wat moeizaam. In plaats van de traditionele khadar, een witte zijden sjerp als welkomstgeschenk, krijgt de Dalai Lama een kussensloop overhandigd met een citaat dat aan ‘Zijne Heiligheid’ wordt toegedicht: If you think you are too small to make a difference, try sleeping with a mosquito. (vrij vertaald: Als je denkt geen verschil te kunnen maken, vergelijk jezelf dan eens met een mug, red.). Hij vraagt zijn assistenten wat het te beduiden heeft. Sleeping with, eh, betekent dat niet…? Nee, hij kan zich niet herinneren de uitspraak ooit te hebben gedaan. Niettemin houdt hij gewillig de kussensloop omhoog voor de foto (zie www.amnesty.nl/wordtvervolgd).

Ik geloof waarachtig dat onafhankelijkheid Tibet zou verzwakken

Hij gaat in een brede fauteuil in de lotushouding zitten en wordt herinnerd aan de Nobelprijs voor de Vrede, die hem in 1989 ten deel viel voor het geweldloze streven naar vrijheid voor het Tibetaanse volk. Hij heft het nog niet zo ver geschopt als Amnesty International, dat een jaar na de Nobelprijs in 1978 de Prijs voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties kreeg uitgereikt. Hij moet er hard om lachen. Doelend op het vetorecht van de Volksrepubliek in de Verenigde Naties zegt hij, nu serieus: ‘Dit zal moeilijk gaan, de Chinezen staan het niet toe.’
Wel is aan hem onlangs in Washington de Congressional Gold Medal uitgereikt. Deze hoogste Amerikaanse onderscheiding viel hem te beurt ‘als erkenning voor het feit dat hij vrede, tolerantie, mensenrechten, geweldloosheid en wereldwijde compassie predikt’. Hij verzucht: ‘President Bush heeft ons altijd gesteund. Elke keer als hij Chinese leiders ontmoet, brengt hij de kwestie-Tibet ter sprake. Met deze prijs heeft China niets te maken. Toch heeft de Chinese regering mij sterk afgeraden hem in ontvangst te nemen. Maar ik heb de Amerikanen er niet om gevraagd. Ze gáven hem gewoon.’ Beijing noemde de uitreiking spottend ‘een farce’ en ‘Chinese opera’.

Denkt u dat Bush met president Hu Jintao van China stiekem afspraken heeft gemaakt over uw terugkeer naar Tibet, eenmalig, als privépersoon? Als tegenprestatie voor de toezegging van de Amerikaanse president om de Olympische Spelen in augustus 2008 bij te wonen?
‘Oh, dat weet ik niet.’ Weer kijkt hij vragend richting assistenten. Ze halen hun schouders op. Wat volgt is een uiteenzetting door de Dalai Lama over mislukte pogingen terug te keren naar Tibet in de jaren tachtig en begin jaren negentig van de vorige eeuw. Onderhandelingen achter de schermen zijn sindsdien wel voortgezet, maar zijn komst zou mogelijk tot ongeregeldheden kunnen leiden. ‘Het is er tot nu toe nooit van gekomen, hoewel ik vanaf het begin de wens kenbaar heb gemaakt aan de Chinese regering om voor mijn dood Tibet met eigen ogen terug te zien. Maar ik wil beslist niet provoceren. Mijn terugkeer zou misschien leiden tot teveel emoties. Hoe dan ook, mijn verlangen om er privé, als pelgrim, heen te gaan is niet nieuw. Dat verlangen bestaat sinds mijn Indiase ballingschap in 1959.’

Wordt uw verlangen nog vóór de Spelen ingewilligd?
‘Ik weet het echt niet. Maar om je de waarheid te zeggen, Chinezen zijn altijd nogal onvoorspelbaar.’ Opnieuw die guitige blik.

Dat u China niet in mag, hebt u gemeen met Amnesty. U bent zogezegd de bekendste gewetensgevangene ter wereld.
‘Dat is aardig. Ja, het is waar, die titel, gewetensgevangene.’

Beijing beschouwt u als een gevaarlijke separatist.
‘Jonathan Mirsky van The Observer heeft me ooit gevraagd waarom Chinezen zo’n hekel aan me hebben. Ik zei toen: omdat ik me nooit volgzaam gedraag, zoals in Yes, Minister (Britse tv-serie, red.).’ Dan weer ernstig: ‘Voor kleine landen loont het niet om zich af te scheiden. Kleine naties kunnen beter samengaan om economische redenen, zoals in de Europese Unie. Nee, Tibet moet deel blijven uitmaken van de Volksrepubliek China. Alleen dan wordt Tibet economisch en materiel sterker. Vergeet niet, we worden door andere landen omgeven, zonder toegang tot zee, en we hebben een kleine bevolking. Samenwerken met de Volksrepubliek is in ons voordeel. Ik heb vanaf het begin de aanleg van een spoorlijn van Shanghai naar Lhasa (de hoofdstad van Tibet, red.) verwelkomd. Het is een teken van ontwikkeling. Het ligt niet aan de spoorweg zelf of die voor destructieve of constructieve doeleinden wordt gebruikt. Dat ligt aan de politiek. Chinezen moeten Tibet niet alleen zien als een melkkoe voor inkomsten uit toerisme, maar moeten een holistische benadering voorstaan, kijken naar Tibets culturele erfenis. Tibetaans boeddhisme is het rijkst van al.’

Tibetanen worden niet gelukkig zolang Chinezen hun land onder de voet lopen.
‘Tibetaans boeddhisme is nuttig, het is een groot goed. Wat die onafhankelijkheid betreft, die willen we niet. We blijven bij de Volksrepubliek. Wat we nastreven, is om onze spirituele cultuur te delen met China. Vanouds telde China veel boeddhistische tempels. Je zou kunnen zeggen dat China een boeddhistisch land is geweest. Het boeddhisme werd na India in China geïntroduceerd. Pas daarna kwam het naar Tibet. In het verleden waren sommige Chinese keizers boeddhist. De weelde van de boeddhistische cultuur kan spiritualiteit in de Volksrepubliek helpen bespoedigen. Als de Chinezen Tibet zo gaan bezien, zullen ze zich ook realiseren dat Tibets cultuur beschermd moet worden, met inbegrip van de Tibetaanse taal.’

Hoe lang gaat dit nog duren?
‘Onder het Chinese publiek zijn intellectuelen, schrijvers en kunstenaars. Zij onderkennen de unieke waarde van Tibetaans boeddhisme voor een vreedzame samenleving. Vandaar hun kritiek op de Chinese regering. Ons streven is om onderdeel te blijven van de Volksrepubliek, maar tegelijk moet de Chinese regering ons een zekere mate van zelfbestuur geven, betekenisvolle autonomie. Tot dusver is Tibet alleen in naam autonoom. Als je Tibetanen vraagt of de huidige autonomie iets voorstelt, zullen ze dat ontkennen. Deng Xiaoping zei het al: “Een feit is alleen van betekenis als het echt waar is.” De communisten verspreiden valse waarheden en kunstmatige feiten.’

Er is niemand die China respecteert, omdat het land moreel gezag ontbeert

Het officiële standpunt is dat China Tibet heeft bevrijd van feodalisme
‘Dat is correct, dat zeggen ze al jaren. Chinezen die me komen opzoeken in Dharamsala (het ballingsoord van de Dalai Lama in Noord-India, red.) vertellen me dat reeds tienduizenden Chinezen Tibet per trein hebben bezocht. Velen raken zich bewust van de werkelijkheid. Hun indrukken verschillen van de officiële versie. Censuur is decennialang heel effectief gebleken, totdat Chinezen gingen studeren en reizen. Ook via internet worden ze bewuster. De regering kan niet alles censureren! Naar Tibet reizen is niet langer een vorm van straf, het is mode geworden. Je kunt zeggen dat een miljoen Chinezen inmiddels het Tibetaans boeddhisme praktiseert. Van oudsher staan Chinezen minder sceptisch tegenover religie dan Indiërs. Geloof is belangrijk in China.’

Hoe gaat religie Tibet vrij maken?
‘Sommige communisten in Tibet zijn, diep van binnen, boeddhist, al laten ze er niets van merken. Ze moeten afzien en willen zich verzetten, maar kunnen zich niet uitspreken. Zodra ze dat doen, worden ze gemarteld. Dat is onverminderd aan de orde. Het is net zo min goed voorTibetanen als voor Chinezen.’

Zich plots richtend tot mijn Chinese echtgenote die foto’s maakt, pleit hij, in vloeiend Chinees, voor verzoening, voor eenheid tussen Tibetanen en Chinezen. Alsof hij via haar het hele Chinese volk wil toespreken. Die eenheid moet oprecht zijn, zegt hij, en niet afkomstig uit de loop van een geweer. Dat kan alleen als Han-Chinezen (90 procent van de bewoners van China behoort tot deze etnische groep, red.) met Tibetanen samenwerken en ze samen de republiek China helpen opbouwen, welgemeend en niet gekunsteld.
‘Chinese heersers zijn louter behept met de vraag hoe Tibet te behouden. Hoe het te controleren. De partijleider van Tibet, Zhang Qingli, heeft Tibetaans boeddhisme de ultieme voedingsbodem genoemd van separatisme. Dat is hun vrees, hun achterdocht, hun angst. Daarom leggen ze Tibetanen allerlei beperkingen op. Maar hoe meer onderdrukking van religie er komt, des te meer Tibetanen zich gaan verzetten. Dit kan zo niet eeuwig doorgaan. Steeds meer Chinezen raken in religie geïnteresseerd. Nu de economie blijft groeien, neemt het gezag van China toe in de wereld. Het is China’s ambitie om een supermacht te worden. Om dat doel te bereiken heb je menskracht nodig. Die hebben ze. Militaire macht met inbegrip van atoomwapens én economische macht hebben ze ook. Ten vierde behoeven ze moreel gezag. Maar dat laatste ontbreekt, moreel gezag, iets waar uw organisatie groot door is geworden. De buitenwereld is gek op China, op het geld, de economie, de voedselcultuur. Maar er is niemand die China respecteert, omdat het land moreel gezag ontbeert.’

Als de juiste gelegenheid zich voor doet, ga ik in hongerstaking

Vormt China een gevaar voor de wereld?
‘Zolang de huidige ideologie en de grote leugens doorgaan, ja. Het liegen houdt maar niet op. Richting de buitenwacht is het misschien begrijpelijk, maar tegen het eigen volk? Dat is betreurenswaardig, het is slecht, heel slecht. Ook het eigen volk heeft geen respect voor de leiders.’
Hij gelooft niet in een snelle omwenteling. Verandering moet geleidelijk komen, anders breekt er chaos uit en dat is in niemands belang. ‘Het kapitalistische socialisme van Chinese snit is niet langer gegrond op morele waarden. Van oorsprong wel, begin jaren vijftig. Ik was toen in China, studeerde er, en raakte onder de indruk van de saamhorigheid en het enthousiasme. Men had een visie, van een klassenloze samenleving, een wereldrevolutie, geleid door communisten. Dat enthousiasme is gaandeweg verdwenen. Achtereenvolgens hebben het dubbelzinnige beleid van “Laat duizend bloemen bloeien” en de harde onderdrukking nadien, de “Grote Sprong Voorwaarts” en de rampzalige Culturele Revolutie de communistische partij alle morele grond ontnomen. En daarmee alle aanspraken om het volk te mogen regeren.’
‘Wat rest is het grote geld. Autoriteit is er niet langer, de steun van het volk is vervlogen. Van een ware volksregering is geen sprake meer. Ik ben er 100 procent zeker van dat dit alles zal veranderen. China zal opener worden. Het is een kwestie van tijd.’

U bent 72. Maakt u dat nog mee?
‘Oh ja, dat denk ik wel. Het duurt hooguit nog een jaar of vijf, tien misschien.’ Hij gaat niet verder in op de reden voor dit optimisme. Op mijn suggestie dat Tibetaanse monniken in ballingschap in Dharamsala (zie ook pag. 19) niet zolang kunnen wachten, zegt hij: ‘Ach, de tijd schrijdt voort. In Tibet is nauwelijks verbetering te constateren en ondanks al onze inspanningen is er kritiek. Het zijn vooral jongeren die gefrustreerd raken en kritiek hebben op de geringe vooruitgang. Toch blijven we volharden…’

Exact 75 jaar geleden begon Mahatma Gandhi aan zijn hongerstaking in India. Hij slaagde erin de Britten op de knieën te krijgen.
‘Tibetanen weten hoe ik er over denk. Als de juiste gelegenheid zich voor doet, ga ik in hongerstaking. Maar je kunt India en Tibet niet met elkaar vergelijken. In India waren de Britten ver in de minderheid, in Tibet is het andersom, daar moeten we opboksen tegen een Chinese overmacht. Groot-Brittannië was bovendien een rechtsstaat. Je kon bij de rechter je gelijk halen. Er was vrijheid van meningsuiting. Mahatma Gandhi kon uit zijn cel oproepen doen. Zo was het.’

‘Een paar jaar terug heb ik honderd monniken die in New Delhi in hongerstaking wilden gaan op het hart gedrukt: dit heeft geen zin. Zelfs als er duizenden Tibetanen de hongerdood zouden sterven, blijft het zinloos. Als Chinese communistische partijleiders in staat zijn om zonder aarzeling het vuur te openen op eigen volk, denk je dan echt dat ze malen om het leven van een enkele Tibetaanse monnik?’

Dan buigt de Dalai Lama zich ver voorover om zijn rode sokken op te trekken en zijn veters te strikken. De audiëntie is voorbij. ‘Ik waardeer het buitengewoon wat Amnesty International voor Tibet betekent. Dank u voor al die jaren van steun’, zegt hij herhaaldelijk. Als de taperecorder al uit staat, spreekt hij tot slot vol bewondering over het Birmese verzet. ‘Dat zijn óók boeddhistische monniken, weet je? Als ik Birmees was, zou ik direct met ze mee demonstreren. Gevangen genomen worden is minder erg en haalt meer uit dan hongerstaken. Die monniken zijn buitengewoon moedig.’
Als afscheidsgebaar hangt hij ons witte zijden sjerpen om, met een warme handdruk en een groet in het Chinees, zài jián, tot ziens.

 

Zijne Heiligheid Tenzin Gyatso is de veertiende Dalai Lama.
Hij is de hoogste spirituele leider binnen het Tibetaans boeddhisme en voorheen de hoogste politieke leider van de ‘onafhankelijke’ staat Tibet.
Na een bloedig neergeslagen opstand in 1959 tegen het Chinese bezettingsleger onder Mao Zedong, die daarna de macht volledig overnam, is de Dalai Lama (72) gevlucht.
Sindsdien reist hij vanuit India de wereld rond om sympathie te verwerven voor zelfbestuur van Tibet als regio van de Volksrepubliek China én voor het boeddhisme.

 

Willem Offenberg

Wordt Vervolgd, december 2007