De bloedige revolutie in Libië heeft tot opmerkelijke taferelen geleid in de VN-Mensenrechtenraad en de Veiligheidsraad.
© Reuters

Tranen bij de Verenigde Naties om Libië

Tranen bij de Verenigde Naties om Libië

De bloedige revolutie in Libië heeft tot opmerkelijke taferelen geleid in de VN-Mensenrechtenraad en de Veiligheidsraad. Libische diplomaten namen op emotionele wijze afstand van het geweld en de internationale gemeenschap toonde zich opmerkelijk eendrachtig.

Genève – Het is 25 februari, vier dagen nadat de Libische oproerpolitie een bloedbad aanrichtte in de opstandige stad Benghazi. De Libische diplomaat Adel Shaltut (foto links) neemt het woord in de vergaderzaal van de VN-Mensenrechtenraad in Genève. Hij vraagt enkele momenten stilte om de slachtoffers van de bloedige onlusten te herdenken. Dan leest hij zichtbaar geëmotioneerd enkele Koranverzen voor en verklaart enkel nog het Libische volk te vertegenwoordigden.

Het applaus dat volgt voor de publieke afvallige is ongebruikelijk enthousiast. De Mensenrechtenraad besluit hierop een internationale missie naar Libië te sturen om te onderzoeken welke mensenrechtenschendingen er hebben plaatsgevonden.

Misdaden tegen de menselijkheid

Twee dagen later lopen de emoties opnieuw hoog op. Ditmaal in New York bij de VN-Veiligheidsraad, waar de Libische ambassadeur en jeugdvriend van Kadhafi, Abdurrahman Mohamed Shalgham, de internationale gemeenschap oproept de bloedige strijd in Libië te staken. Diplomaten, onder wie VN-secretaris-generaal Ban ki Moon (foto rechts), omhelzen de tot tranen geroerde diplomaat.

De Veiligheidsraad legt Libië sancties op en het verwijst de Libische crisis naar het Internationaal Strafhof in Den Haag. De raad meent dat de Libische leider Kadhafi mogelijk misdaden tegen de menselijkheid heeft gepleegd. Hij zou honderden burgers hebben laten vermoorden en zette gevechtsvliegtuigen in tegen de protesterende massa.

Het starre lid China

Het eendrachtige optreden van de internationale gemeenschap vormt een breuk met de gebruikelijke Realpolitik die meestal geen gevolgen verbindt aan veroordelingen van mensenrechtenschendingen. Dat afvallige diplomaten zelf hebben gevraagd om interventies speelt waarschijnlijk een grote rol. Politieke commentatoren wijzen er ook op dat zelfs het meest starre lid van de Veiligheidsraad, China, zich meer positioneert als verantwoordelijk wereldleider. Maar Li Baodong, VN-ambassadeur namens China, stelde ook dat Beijing zich zorgen maakt om de dertigduizend Chinese arbeidsmigranten in Libië.

Een militaire interventie zou alleen maar schade opleveren voor de Libische burgers

In beide VN-fora spraken diplomaten van ernstige en grootschalige mensenrechtenschendingen die de internationale gemeenschap niet stilzwijgend mocht aanschouwen.
Vergelijkbare oproepen leidden in het verleden doorgaans niet tot actie, omdat vooral de permanente leden van de Veiligheidsraad tegenwerkten. Rusland, de Verenigde Staten of China spraken afwisselend een ‘njet’ uit over mogelijke inmenging in het Israël/Palestina-conflict of in crises in Zimbabwe en Birma.

Ontmoedigen

Kan de uitzonderlijke eenheid binnen de Veiligheidsraad leiden tot militair ingrijpen, met als doel de internationale vrede en veiligheid te waarborgen? Als dit artikel geschreven wordt, wijst niets daar nog op. Andrew Clapham, hoogleraar mensenrechten aan de Academie van Internationaal Humanitair Recht in Genève, hoopt dat het zo ver ook niet komt. ‘Een militaire humanitaire interventie zal de Libische burgers alleen maar schaden. Het instellen en afdwingen van een “no-flyzone” waarover nu wordt gesproken, is een betere optie. Dit maakt luchtaanvallen onmogelijk en ontmoedigt militaire actie op de grond.’

Hij hoeft zich niet ongerust te maken, denkt Liesbeth Zegveld, mensenrechtenadvocaat en professor internationaal humanitair recht aan de Universiteit Leiden. ‘Als de Veiligheidsraad hiertoe unaniem besluit, dan is militair ingrijpen in Libië juridisch gezien mogelijk. Maar dat zal niet snel gebeuren, omdat Rusland en China een dergelijke inmenging in de interne aangelegenheden van andere staten niet willen. Ze zijn te bang voor precedentwerking.’

Wordt Vervolgd, april 2011