Linda Polman
© Patricia Hofmeester

Gelukzoeker

Ooit probeerde ik een inwoner van een Afrikaans oorlogsgebied duidelijk te maken dat zijn geluk in Europa lag. In Nederland om precies te zijn‚ want daar woonde ík. Ik was verliefd op deze Afrikaan‚ wilde hem bij me hebben‚ maar niet dáár‚ in dat vieze‚ stukgeschoten‚ deprimerende landje van hem: Sierra Leone.

Na lang aandringen wilde hij dan wel even komen kijken wat dat beloofde land was waarover ik maar niet uitgepraat raakte. Hij boekte een reis naar Amsterdam‚ want hij was een man van goede wil. De reis naar Nederland was zijn eerste avontuur buiten Afrika. Zijn Schengenvisum was twee maanden geldig. Hij zei het niet‚ daarvoor was hij te beleefd‚ maar eigenlijk waren die twee maanden hem te lang. Hij vond het te koud hier. Hij kroop ’s avonds steeds vroeger zijn bed in‚ onder twee dikke dekbedden‚ met zijn pyjama‚ een vest en sokken aan en op zijn hoofd een wollen mutsje. Het was pas september.

Ik ging hem gedurende een zorgvuldig uitgekiende inburgeringstournee laten zien waarom Nederland beter was dan dat getraumatiseerde Sierra Leone van hem en troonde hem mee naar Pieterburen: kijk‚ in Sierra Leone hebben jullie zelfs voor ménsen niet zo’n mooi opvangcentrum! Hij had nog nooit zeehonden gezien en vond ze interessant. Ik leerde hem hoe je bij de Febo een frikandel uit de muur trekt: kijk‚ technologie! Ik leerde hem gehaktballen draaien en nasi maken: cuisine!

Elk jaar bezoeken 4‚4 miljoen Nederlanders de Efteling. Tienduizenden van ons zijn seizoenabonnementhouders en noemen zich ‘Eftalisten’. De Efteling mocht hij van mij absoluut niet missen. Mijn aanprijzingen waren zo indringend dat hij er de indruk aan overhield dat de Efteling iets was waar je in respectvol driedelig grijs heen moest. Hij stónd erop voor de gelegenheid zijn uit Afrika meegenomen tweedehands begrafenispak te dragen.

Wij op naar de Efteling‚ ‘Wereld van Verwondering’. Eerst moest hij van mij mee naar het Sprookjesbos. We passeerden onderweg een afvalbak die tegen hem praatte. Mijn Afrikaan schrok zich wezenloos. In het Sprookjesbos wees ik hem de kaboutertjes aan en probeerde hem te leren om ‘kaboutertje’ te zeggen. Maar hij stond wéér als aan de grond genageld‚ ervan overtuigd dat het Efteling- kaboutervolk de blanke broertjes waren van de levensgevaarlijke Afrikaanse bush-demoontjes die hij thuis ten koste van alles vermeed. Mijn schuld: hij had me eerder al mijn tuinkabouter van de Blokker van mijn balkon laten verwijderen‚ dus ik had kunnen weten dat het Sprookjesbos geen goed idee was.

Op naar de Python dan maar‚ helemaal aan de andere kant van de Efteling. We baanden ons een weg door schreeuwende en duwende Eftalisten. Het was alsof ze er allemaal tegelijk waren die dag. Tegen de tijd dat mijn Afrikaan aan de beurt kwam‚ was hij helemaal murw. Hij zag niet eens meer waarheen het karretje waarin hij werd klemgezet op weg zou gaan. Des te groter zometeen de verrassing‚ verkneukelde ik me. Toen het karretje zich in beweging zette‚ wuifde ik hem na.

Met twee loopings en twee kurkentrekkers was de Python de op dat moment grootste achtbaan van Europa. Ik probeerde mijn lief te fotograferen terwijl hij met 80 kilometer per uur ondersteboven aan me voorbij suisde. De rit was afgelopen. Ik wachtte stralend op zijn positieve reactie. Hij kwam op me af‚ zijn stropdas over zijn schouder gewaaid‚ twee knopen van zijn overhemd verdwenen. How it was‚ wilde ik weten. ‘Actually’‚ antwoordde hij‚ ‘I prefer the war.’

Wat ik maar wil zeggen met dit verhaal is dat Europa echt niet voor elke Afrikaan het ideaal is‚ zoals wij in onze arrogantie geneigd zijn te denken. Mijn Afrikaan ging terug naar Afrika en haalt daar – in alle beleefdheid – tot de dag van vandaag zijn schouders op over Europa.

 

Je ontvangt 10 nummers voor maar 35 euro per jaar

Lees dit en andere verhalen deze maand in Wordt Vervolgd

Neem een abonnement of bestel een gratis proefnummer