Het centrale plein van El Mozote met de kerk en het herdenkingsmonument
© Ronald de Hommel

‘Alle moordenaars lopen nog steeds vrij rond’

‘Alle moordenaars lopen nog steeds vrij rond’

In de jaren tachtig was El Salvador bijna dagelijks in het nieuws vanwege grootschalige mensenrechtenschendingen. Ook Nederland werd rauw met die werkelijkheid geconfronteerd na de moord op vier Nederlandse journalisten in 1982. El Salvador nu, precies 25 jaar na die moord. ‘Mensen emigreren liever dan dat ze voor een beter land strijden.’

El Mozote, El Salvador – ‘Enige overlevende van het bloedbad in El Mozote.’ Het leven van Rufina Amaya wordt met deze aanduiding op een certificaat bij haar aan de muur in één klap getypeerd. De 54-jarige Salvadoraanse vrouw heeft een stapel fotoalbums uit de kast gepakt. Samen bladeren we ze door. We zien haar in alle uithoeken van de wereld: poserend voor de bekendste toeristische attracties, van Eiffeltoren tot Niagara-watervallen. Altijd samen met lokale mensenrechtenactivisten.

Heel dorp uitmoorden

‘Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik er aan terugdenk’, zegt ze. ‘Op mijn 39e was ik alles kwijt: mijn man en mijn kinderen van negen, vijf en drie jaar en van acht maanden.’ Het levend houden van de herinnering aan het bloedbad in El Mozote lijkt haar beroep geworden. Amaya heft het inmiddels zo vaak verteld dat de emotie uit het verhaal is geraakt. Amaya woonde met haar gezin in El Mozote, een klein dorpje in de provincie Morazan. Op tien december 1981 trokken regeringssoldaten van het gevreesde, in de Verenigde Staten opgeleide Atlacatl-bataljon haar dorp binnen. Ze waren met een offensief begonnen tegen de guerrilla’s die grote delen van het gebied in handen hadden en besloten een voorbeeld te stellen door een heel dorp uit te moorden. ‘Eerst werden de jonge meisjes naar de bergen gebracht en daar verkracht. Daarna werden ze afgemaakt. De mannen en jongeren werden in de kerk vastgehouden en in groepjes met machinegeweren doodgeschoten. De vrouwen en kinderen werden samengebracht in een ander huis en op dezelfde manier als de mannen geëxecuteerd. Ik heb mijn eigen kinderen horen reopen terwijl ze werden vermoord.’

Waarheidscommissie

Amaya besloot haar executie niet lijdzaam af te wachten, maar zigzagged vliegensvlug de bosjes in toen ze naar buiten werd gebracht. In 1990 deed ze als enige overlevende haar verhaal bij de waarheidscommissie. ‘God heeft me laten leven om de waarheid te vertellen.’

Nu wonen er weer driehonderd mensen in El Mozote. Op het dorpspleintje staan een telefooncel en een waterpomp. ‘Het heeft heel lang geduurd voordat er weer mensen terugkeerden naar El Mozote’, zegt de Belgische priester Roger Ponseele, op bezoek in El Mozote. Ponseele woont al sinds 1970 in El Salvador en voert campagne voor genoegdoening voor de slachtoffers. ‘Niemand durfde, ook niet na het vredesakkoord. De mensen waren bang voor de geesten van de doden. Iedereen in het dorp zegt dat hij wel een ontmoeting heeft gehad met een geest van een van de doden.’ Het witte kerkje dat na het bloedbad in brand werd gestoken is weer helemaal in oude stijl herbouwd. Ervoor een gedenkteken met de namen van 860 geïdentificeerde slachtoffers. ‘Inmiddels kunnen we met zekerheid zeggen dat er meer dan duizend zijn omgekomen’, zegt Ponseele als we voor het gedenkteken staan. Op een van de kerkmuren hebben de inwoners van El Mozote hun dromen geschilderd. Weelderige koffieplantages, een voetbalveldje, een laptop.

Het heeft heel lang geduurd voordat er weer mensen terugkeerden naar El Mozote

Op de andere kerkmuur staan, apart vermeld, de namen van de omgekomen kinderen. Hun leeftijden variëren van drie maanden tot twaalf jaar. ‘De Verenigde Staten en de regering van El Salvador hebben het bloedbad jarenlang ontkend’, zegt de priester. ‘Ze wilden de wereld doen geloven dat de mensen waren omgekomen in een kruisgevecht tussen de guerrilla’s en de regeringssoldaten. Maar met meer dan vierhonderd vermoorde kinderen was die lezing niet houdbaar.’

Hogedrukketel

Hoe kon het zover komen in El Salvador? In zijn werkkamer op de universiteitscampus geeft Benjamin Cuellar, een van de belangrijkste mensenrechtenactivisten van El Salvador, zijn visie. Het kleine en dichtbevolkte land was al vanaf eind jaren zestig een hogedrukketel die ieder moment uit elkaar kon spatten, vooral vanwege de armoede en de oneerlijke verdeling van land. Dat was voor het overgrote deel in handen van een kleine, steenrijke elite die de bevolking met ongekende repressie onderdrukte, vanaf eind jaren zeventig zelfs, in Cuellars woorden, ‘met mensenrechtenschendingen in de overtreffende trap’.

De protesten en repressie ontaardden in 1981 in een totale burgeroorlog die tien jaar zou duren. In de jaren tachtig was het een belangrijke mediagebeurtenis – vooral omdat er ook buitenlanders werden vermoord, onder wie Amerikaanse nonnen en Nederlandse journalisten. De Amerikaanse president Ronald Reagan gaf militaire steun aan het Salvadoraanse bewind, de publieke opinie in Europa was juist solidair met het volk.

Signaal van respectloosheid

Onder druk van de internationale publieke opinie en omdat een militaire overwinning voor geen van de partijen binnen bereik lag, werd begin jaren negentig een vredesakkoord gesloten. Het FMLN, de samenbundeling van verzetsgroepen, werd omgevormd tot een politieke partij, de strijders reïntegreerden in de maatschappij. En er kwam een waarheidscommissie, die uitvoerig onderzoek deed naar schendingen van mensenrechten. Veel is het land er volgens Cuellar niet mee opgeschoten. ‘De waarheidscommissie is het beste signaal van respectloosheid aan de slachtoffers, omdat de aanbevelingen nooit zijn opgevolgd.’

Een maand nadat het rapport van de waarheidscommissie verscheen werd er zelfs een amnestiewet afgekondigd waardoor mensen die misdaden hebben gepleegd nooit meer berecht kunnen worden. Cuellar: ‘Het volk kreeg de keus tussen vrede of gerechtigheid. Maar vrede zonder gerechtigheid is een vals aanbod, omdat je geen vrede kúnt krijgen zonder gerechtigheid. Alle moordenaars lopen nog steeds vrij rond. Ze worden zelfs niet gezien als misdadigers, maar als helden die streden tegen het communisme.’

El Salvador telt 20.000 bendeleden en dat aantal groeit met het jaar

Eind jaren negentig en in de beginjaren van de 21ste eeuw zijn er weer nieuwe elementen aan hogedrukketel El Salvador toegevoegd. In een groot bedrijvenpand in het centrum van San Salvador zetelen de redacties van persbureau Reuters en dagblad Los Angeles Times. Een typisch rokerig journalistenhol vol computers en een sjofele sofa voor een televisie. Na het werk halen de twee ervaren Salvadoraanse correspondenten Alberto Barrera en Alexander Renderos stoere verhalen op in hun stamcafé, over de romantiek van de oorlogsjournalistiek uit de jaren tachtig. Vandaag de dag raken ze steeds minder verhalen kwijt aan hun buitenlandse opdrachtgevers. Schrijven over dalende landbouwprijzen is toch iets anders dan persconferenties van het leger aflopen of naar de frontlinie gaan. ‘Alleen de mara’s zijn nog interessant voor de buitenlandse media’, zegt Barrera.

Bendeoorlogen

Grote delen van San Salvador en andere steden zijn het terrein geworden van bloedige bendeoorlogen tussen deze mara’s, bendes die de gangcultuur van grote Amerikaanse steden naar de kleine Salvadoraanse steden hebben geëxporteerd. Ze houden zich bezig met geweld, afpersing en drugshandel. ‘De eerste jaren na het vredesakkoord ging het nog relatief goed in El Salvador’, zegt Barrera. ‘Maar vanaf 1996 kwamen de bendes op.’

Renderos knikt en voegt toe: ‘El Salvador telt 20.000 bendeleden en dat aantal groeit met het jaar. Deze maand vielen er 354 doden door het geweld in de steden, vorige maand zelfs 370.’ Renderos voelt zich inmiddels minder veilig in zijn land dan tijdens de burgeroorlog. ‘Toen wisten we precies waar het geweld was. We hadden landkaarten aan de muur waarop precies aangegeven stond waar de guerrilla zich bevond en waar het leger. ’s Avonds liep ik vanuit dit café gewoon naar huis, nu durf ik na elven niet meer de straat op. Het is een andere vorm van geweld, veel duisterder.’

Zero-tolerance-beleid

San Salvador is opgedeeld in rijke en arme wijken. In de rijke is het veilig. Rondom de zwaar beveiligde Amerikaanse ambassade zijn vroeg in de ochtend tientallen mensen aan het joggen. Hun bezittingen beschermen ze met nog grotere hekken dan vroeger om hun huizen, en met nog meer gewapende bewakers voor hun deur. Zo worden vooral de armen slachtoffer van de afpersingen en overvallen door de mara’s. De Salvadoraanse regering reageert met een zero-tolerance-beleid in plaats van de onderliggende oorzaak, armoede, aan te pakken. Gevolg is dat steeds meer Salvadoranen hun heil in de Verenigde Staten zoeken. Ze doen er alles aan om in dat beloofde land te komen, legaal of illegaal. Van de tien miljoen Salvadoranen verblijven er drie miljoen als gastarbeider in Amerika. De economie leunt zwaar op het geld dat zij naar hun families sturen. Washington houdt zo ook grip op de politiek in El Salvador: bij de laatste verkiezingen in dat land liet de Amerikaanse regering weten dat ze bij een linkse verkiezingsoverwinning geldstortingen vanuit de VS naar El Salvador zou bemoeilijken – voor veel armen reden om toch maar op een van de rechtse partijen te stemmen.

De waarheidscommissie is het beste signaal van respectloosheid aan de slachtoffers, omdat de aanbevelingen nooit zijn opgevolgd

Rondrijdend door een van de arme wijken voelen we de spanning als we vast komen te zitten voor een stoplicht. Groepjes jongeren kijken dreigend onze auto in. We zijn op weg naar een hulpverleningsproject dat jongeren uit de bendes probeert te halen. Als we halt houden voor de zwaar beveiligde poort wenkt directeur Antonio Lopez-Tercero ons: kom snel binnen! De straat is berucht vanwege de vele gewapende overvallen. Gisteren vond op de volgende hoek nog een moord plaats. Lopez-Tercero biedt jongeren die op het punt staan zich aan te sluiten bij de mara’s een alternatief in de vorm van een beroepsopleiding. Jongeren die bij de mara’s weg willen kunnen er psychologische hulp krijgen en hun tatoeages laten verwijderen. ‘In dit land worden de rechten van jongeren constant geschonden’, zegt Lopez-Tercero. ‘De werkelijke reden achter de agressie zijn uiteengevallen families, armoede, honger en slechte gezondheidszorg. Het geweld van de mara’s komt voort uit het geweld van de staat tegen de jongeren. Dat proberen we de regering ook uit te leggen.’

Eerst de vrede vieren

In zijn parochiewoning in Perquin, een klein stadje tegen de grens met Honduras, spreekt ook Roger Ponseele zijn teleurstelling uit. Hij wijst erop dat de ongelijkheid in het land alleen maar is toegenomen sinds de ondertekening van de vredesakkoorden. Nog altijd leeft 43 procent van de Salvadoraanse bevolking onder de armoedegrens en 20 procent zelfs in extreme armoede. ‘Na de oorlog hebben de mensen eerst de vrede gevierd. Daarna moesten ze letterlijk vaststellen dat ze geen vooruitzichten hadden. Het is heel triest om te zien dat een strijder na tien jaar vechten nog steeds in datzelfde kotje zit. De mensen hebben gevochten voor een betere toekomst die ze niet gekregen hebben. Het enige verschil met vroeger is dat ze nu vrijuit kunnen spreken zonder te worden doodgeschoten.’

Hoop

De Belgische priester zet zich al jaren in voor gerechtigheid voor de slachtoffers van het bloedbad in El Mozote. Hij laat schilderijen zien. Voor het eerst gloort er enige hoop. De mensenrechtencommissie van de Organisatie van Amerikaanse Staten zal dit voorjaar uitspraak doen over deze zaak. Omdat deze uitspraak bindend is, kan dit er toe leiden dat de regering van El Salvador gedwongen is om excuses te maken en een financiële vergoeding moet geven aan de nabestaanden. Ponseele: ‘Het zou al heel positief zijn als er publiekelijk excuses worden aangeboden door de regering. Daarmee geef je ook waardigheid aan de mensen die vermoord zijn.’

In haar huisje enkele kilometers verderop knikt Rufina Amaya instemmend. Ze heeft in december 2006 een belangrijke rol gespeeld in de 25-jarige herdenking van het bloedbad in El Mozote. Ook de moord op de Nederlandse journalisten in maart 1982 moet op een waardige manier herdacht worden, vindt ze, zowel in Nederland als in El Salvador. ‘Slachtoffers van schendingen van mensenrechten moet je altijd blijven herdenken. Een land dat haar eigen geschiedenis vergeet, is een verloren land.’

De moord op de IKON-journalisten

Nederland en El Salvador waren in de jaren tachtig nauw met elkaar verbonden na de moord op IKON-medewerkers Koos Koster (journalist), Hans ter Laag (geluidsman), Joop Willemsen (cameraman) en Jan Kuiper (producent), op 17 maart 1982. Hun auto reed in een hinderlaag op weg naar een interview met FMLN-strijders in Chalatenango. In 1989 kwam ook cameraman Cornel Lagrouw om het leven tijdens een vuurgevecht tussen regeringssoldaten en guerrilla’s. De koelbloedige moorden van 1982 leidden tot grote verontwaardiging in Nederland en haalde wereldwijd de voorpagina’s. Voor het Amerikaanse consulaat in Amsterdam werden vier kruizen opgericht die weken bleven staan. In de jaren tachtig waren in Nederland meer dan 25 lokale El Salvador Komitees actief die aandacht vroegen voor de mensenrechtensituatie in het land. Precies 25 jaar na de moord, op 17 maart aanstaande, vindt in De Balie in Amsterdam het herdenkingssymposium ‘Overleven verplicht’ plaats. Het symposium, een initiatief van de Dick Scherpenzeel Stichting, ICCO, FreeVoice en Amnesty, gaat over de vrijheid van pers en de grenzen daar aan. Meer informatie: www.overlevenverplicht.nl.

Tekst: Marc Broere
Wordt Vervolgd, maart 2007