Mensenrechtenencyclopedie
© Flickr.com / CC / valerieroybal

Discriminatie en mensenrechten

Van oorsprong heeft het een begrip discriminatie (uit het Latijn: onderscheid) een neutrale betekenis (zoals nog steeds in de psychologische functieleer): het vermogen om een onderscheid te maken, zoals in de snelheid waarmee mensen het ene verkeersbord van het andere kunnen onderscheiden.

In het maatschappelijk leven heeft de term de overheersende betekenis gekregen van negatieve onderscheiding en achterstelling. In het internationaal recht heeft discriminatie vooral betrekking op uitingen van racisme en rassendiscriminatie, en op de achterstelling van vrouwen. De achterstelling op grond van seksuele oriëntatie is een omstreden onderwerp gebleven, omdat in veel landen homoseksualiteit nog steeds een groot maatschappelijk taboe is of bij wet is verboden.

Verbod op discriminatie

Het verbod op discriminatie is een kern van de mensenrechten. Internationale verdragen veroordelen discriminatie (dat wil zeggen achterstelling in de toegang tot rechten of uitsluiting van die rechten) op grond van onder meer geboorte, huidskleur, taal, ras, godsdienst en geloof, geslacht, sociale herkomst en status, en handicaps. Het aantal gronden wordt nog steeds uitgebreid.

In de praktijk kan de bestrijding van discriminatie niet zonder omgekeerde, ‘positieve’ discriminatie – wat in de VS affirmative action heet, ‘daden van bevestiging’. Er zijn aparte verdragen gemaakt voor de rechten van vrouwen, kinderen, slachtoffers van racisme, enzovoort. Ook regeringen nemen maatregelen om vrouwen, minderheden et cetera speciaal te beschermen of hun meer kansen te geven.

Campagne tegen Discriminatie

In de Campagne tegen Discriminatie voert Amnesty actie voor mensen en groepen mensen die gediscrimineerd worden, door middel van schrijfacties, manifestaties, lobby en rapporten. De Nederlandse regering is volgens Amnesty de laatste jaren te terughoudend geweest in het steunen van ontwikkelingen in het internationaal mensenrechtenbeleid. Amnesty bracht rapporten uit over discriminatie in Europa aangaande onder meer Roma in Slovenië, politiegeweld in Frankrijk, racisme in Rusland, discriminatie in Estland en de vervolging van LHBTI in Letland en Polen.

Uit onderzoek van Amnesty blijkt keer op keer dat discriminatie ook aan de basis ligt van veel andere mensenrechtenschendingen. Amnesty ijvert tegen discriminerende wetgeving of andere vormen van overheidsbeleid met een discriminerende bedoeling of uitwerking. Amnesty meent dat mensen niet gedwongen moeten worden zich te houden aan religieus geïnspireerde kledingvoorschriften, zoals in Iran. Maar ze moeten in principe ook vrij zijn zich wél aan dat soort voorschriften te houden – beperkingen op het gebruik van hoofddoekjes in Turkije en Frankrijk vond Amnesty te ver gaan.

Niet alleen moet de overheid zelf niet discrimineren, ze moet ook een actief beleid voeren om discriminatie in de maatschappij tegen te gaan. Amnesty Nederland bracht in 2006 en 2007 enkele documenten uit die aandrongen op een meer coherente en minder vrijblijvende bestrijding van discriminatie in Nederland. Amnesty constateerde na een onderzoek in 2007 dat een groot deel van de gemeenten geen uitgewerkt antidiscriminatiebeleid heeft.

Discriminatie melden

De Nederlandse Amnesty-afdeling neemt geen klachten in behandeling en doet ook geen onderzoek naar individuele gevallen van discriminatie. In Nederland is er een aantal instanties waar discriminatie gemeld kan worden, respectievelijk die discriminatieklachten behandelen. Het is afhankelijk van de aard van de klacht waar iemand het best terecht kan: bijvoorbeeld bij de politie, het College voor de Rechten van de Mens, een antidiscriminatiebureau of -meldpunt, of intern (bij de werkgever, school et cetera). Uitgebreide informatie voor het melden van klachten vindt u op de website Discriminatie.nl.

Zie ook gelijkheid en gelijke behandeling.

Is discriminatie altijd verkeerd?

Het woord ‘discriminatie’ heeft een bijzondere geschiedenis. Oorspronkelijk is het een neutraal begrip: het vermogen om onderscheid te maken. Psychologen onderzoeken bijvoorbeeld de ‘discriminatie’ van proefpersonen als ze willen uitzoeken welk verkeersbord het gemakkelijkst wordt herkend. In het dagelijks spraakgebruik is discriminatie de aanduiding van iets kwalijks: achterstelling, laster, een bepaalde groep voor onvolwaardig aanzien of die groep allerlei foute dingen toedichten. In die zin wordt de term ook gebruikt in internationale verdragen. Zo is er een verdrag tegen rassendiscriminatie en tegen de discriminatie van vrouwen.

Met discriminatie, in die negatieve zin, blijft iets eigenaardigs aan de hand. Zoals terecht wordt gezegd: iedereen discrimineert. Soms is discriminatie van levensbelang. Als je ’s nachts op straat loopt, kijk je uit naar ‘ongure’ types, zodat je die tijdig uit de weg kunt gaan. Maar hoe herken je zo’n onguur type? Daar begint het probleem van discriminatie. Een blanke die alle zwarten bij voorbaat verdacht vindt, of omgekeerd, die discrimineert. Een overheid die een bepaalde groep minachtend behandeld (de Hutu’s in Rwanda noemden de Tutsi’s ‘kakkerlakken’) maakt zich schuldig aan een ernstige vorm van discriminatie die het internationaal recht uitdrukkelijk verbiedt. Of om een eenvoudiger voorbeeld te noemen: er is zijn veel reële verschillen tussen man en vrouw, maar volgens internationaal recht mag dat niet leiden tot achterstelling van vrouwen.

In de praktijk kan de bestrijding van discriminatie niet zonder omgekeerde, ‘positieve’ discriminatie – wat in de VS affirmative action heet, ‘daden van bevestiging’. Het internationaal recht ontkomt er niet aan de groepen die gediscrimineerd worden apart te noemen. Daarom zijn er aparte verdragen gemaakt voor vrouwen, kinderen, slachtoffers van racisme en zo meer. Dat is een vorm van positieve discriminatie. Ook regeringen nemen maatregelen om die groepen speciaal te beschermen, of hun meer kansen te geven.

Positieve discriminatie is geenszins onomstreden. Ze wekt jaloezie op, ze drukt een stempel en ze werkt vaak niet. Er wordt nu ook anders gedacht over ‘minderheden’ dan tien of twintig jaar geleden. De (zelfgekozen) identiteit is op de voorgrond komen te staan. Je ‘bent’ niet zomaar minderheid of vrouw of homo, je kiest voor een bepaalde eigenheid waarin je al dan niet je vrouw-, minderheid- of homo-zijn benadrukt. Dat is een veel actievere maatschappelijke rol dan het slachtofferschap waarmee het verschijnsel discriminatie vaak gepaard gaat.

Discriminatie blijft een onderwerp dat tot discussies aanleiding geeft. Zoals over de vraag: is de ‘multiculturele samenleving’ de ideale samenleving? De Nederlandse samenleving is lang niet zo multicultureel als vaak wordt beweerd, of gehoopt. Immers, negentig procent van de bevolking bestaat uit autochtone Nederlanders, en die zien weinig reden om zich ‘aan te passen’ aan een minderheid. Ideaal is een maatschappij die geen onderscheid maakt naar afkomst, geslacht en dergelijke. Zolang dat niet bereikt is en de achterstanden blijven bestaan, moet een combinatie van dwang en prikkels het perspectief bieden. Het principe van non-discriminatie is duidelijk genoeg. Dat principe in praktijk brengen is een taaie opgave. Het is vaak een kwestie van proberen, van onderhandelen en van schipperen.