Artikel 29:
2. In de uitoefening van zijn rechten en vrijheden zal een ieder slechts onderworpen zijn aan die beperkingen, welke bij de wet zijn vastgelegd en wel uitsluitend ter verzekering van de onmisbare erkenning en eerbiediging van de rechten en vrijheden van anderen en om te voldoen aan de gerechtvaardigde eisen van de moraliteit, de openbare orde en het algemeen welzijn in een democratische gemeenschap.
3. Deze rechten en vrijheden mogen in geen geval worden uitgeoefend in strijd met de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties.

‘Iemand moet opkomen voor de mensen zonder stem. Dan ben ik het maar.’
Dat zei de Chinese mensenrechtenactivist Chen Guangcheng (rechtsonder, met zonnebril). Chen Guangcheng kwam op voor Chinese plattelandsvrouwen. De overheid had duizenden van hen gedwongen tot abortus en sterilisatie. Chen diende namens de vrouwen een aanklacht in tegen de lokale autoriteiten.
Hij werd gearresteerd. Na een zeer oneerlijk proces kreeg hij ruim vier jaar cel wegens ‘het vernielen van openbaar bezit en het mobiliseren van mensen teneinde een verkeersopstopping te veroorzaken’.
Toelichting op artikel 29:
Dit is het grote ‘beperkingsartikel’ van de Universele Verklaring. Mensen hebben behalve rechten ook plichten, al werd (na intensief debat) niet verder vastgelegd welke plichten dat dan zijn. Het derde lid zegt dat een beroep op deze rechten niet mag leiden tot mensenrechtenschendingen, maar het tweede lid laat toe dat er beperkingen worden aangebracht met het oog op moraal en openbare orde. In latere VN-verdragen is vastgelegd dat in een noodsituatie rechten mogen worden ingeperkt, waaronder de vrijheid van meningsuiting en informatie. Maar er zijn enkele ‘niet-opschortbare’ rechten die onder alle omstandigheden geldig blijven. Dat zijn met name de rechten van artikel 3 (leven), 4 (slavernij), 5 (marteling), 6 (rechtspersoon), 10 (habeas corpus) en 18 (geweten en geloof).
































