Schelden doet geen zeer?
Schelden doet geen zeer?
‘U moet haar de mond snoeren’, zei een vrouw in het tv-programma Rondom Tien tegen de minister-president.
Zij was de moeder van een leerling van de islamitische school in Uden die na de moord op Theo van Gogh in brand was gestoken. En ze doelde op Ayaan Hirsi Ali.
De mond snoeren, dat was de minister-president niet van plan. Later zeiden sommigen dat hij duidelijk had moeten maken dat de moeder zoiets niet mag zeggen. In Nederland snoeren we mensen niet de mond, we hebben immers vrijheid van meningsuiting? De vraag hier is duidelijk: geldt de vrijheid van meningsuiting voor beiden, voor geen of voor één van beiden? De moeder voelt zich gekwetst in haar geloofsovertuiging en is bang voor verdere gevolgen, Hirsi Ali strijdt tegen geweld tegen vrouwen, komt op voor hun rechten en geeft haar mening over wat vrouwenrechten in de weg staat. Het recht om in vrijheid je geloof te beleven en te belijden, het recht om niet gediscrimineerd te worden en het recht om je mening te geven strijden hier om de voorrang.
Als mensenrechtenorganisatie houdt Amnesty zich bezig met vragen rondom deze grondrechten. Grondrechten die allemaal belangrijk en met elkaar verbonden zijn. Alle mensenrechten zijn bedoeld om mensen te beschermen en geen enkel mensenrecht mag zo toegepast worden dat het andere rechten schaadt. Kan dat werken in het dagelijks leven en hoe werkt dat dan? En hoe staat Amnesty daarin?
Waar komen de mensenrechten vandaan?
Het meest bijzondere van de Universele Verklaring van Rechten van de Mens is dat die verklaring er gekomen is. Zoveel landen met zo verschillende culturen, machtsposities, religies, ideologische posities – en toch is er overeenstemming bereikt over deze verstrekkende verklaring. Dat komt omdat de gruwelen uit de Tweede Wereldoorlog voor ieder nog heel duidelijk waren, en daar was ieder het wel over eens: Dit nooit weer!
In het voorwoord van de Verklaring staat dat … terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan, en dat de komst van een wereld, waarin de mensen vrijheid van meningsuiting en geloof zullen genieten, en vrij zijn van vrees en gebrek, is verkondigd als het hoogste ideaal van de mens…
Maar staten hoeven zich niet te houden aan een verklaring, en daarom zijn deze belangrijke rechten uitgewerkt in verdragen. De belangrijkste zijn het BuPo-verdrag (Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten) en EcSoCu-verdrag (het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten). Vervolgens nemen landen de bepalingen over in nationale wetgeving. Ook in de Nederlandse wetten zijn de mensenrechten terug te vinden.
Grondrechten, de fundamentele rechten van de mens, gelden in principe altijd, overal en voor iedereen. Maar er zijn omstandigheden waarin een overheid toch deze rechten mag beperken. Voorbeelden daarvan zijn inperkingen vanwege de volksgezondheid, de rechten van anderen of de nationale veiligheid. Deze omstandigheden moeten dan wel in de wet vermeld staan, een overheid mag dus niet willekeurig ingrijpen.
Vrijheid van meningsuiting
‘Zeven jaar gevangenisstraf voor twee Portugese studenten, die kritiek hadden laten horen op het bewind van dictator Salazar’. Dat bericht uit 1960 raakte de Londense advocaat Peter Benenson diep. Met twee collega’s startte hij een actie “Appeal For Amnesty 1961”, met de bedoeling deze twee studenten een eerlijk proces te geven en te werken voor hun vrijlating, want een overheid mag het recht op vrije meningsuiting niet schenden.
Hun actie begon met een artikel in The Observer, dat werd overgenomen door dertig kranten in de hele wereld en waarin het – waarschijnlijk ten onrechte - aan Voltaire toegeschreven citaat te lezen stond: “Ik verafschuw uw ideeën, maar ik ben bereid te sterven voor uw recht ze te uiten”.
Dit, het opkomen voor de vrijheid van meningsuiting, ook al betekent dat dat er afschuwelijke, dus kwetsende, denkbeelden geuit kunnen worden, is het begin van Amnesty International. Wie gevangen gezet wordt vanwege het uiten van zijn overtuiging is voor Amnesty een gewetensgevangene, en Amnesty werkt dan voor zijn of haar onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating.
Toch kent Amnesty hierin een beperking, die zorgvuldig en uitgebreid is geformuleerd. Wanneer een overtuiging benoemd kan worden als haatzaaien zal Amnesty de betrokkene niet accepteren als gewetensgevangene. Onder haatzaaien verstaat Amnesty: het pleiten voor nationalistische, raciale of religieuze haat die aanzet tot discriminatie, vijandigheid of geweld. met als doel de vernietiging van andermans rechten leidend tot racistische haat, vreemdelingenangst, islamofoob gedrag, antisemitisme of andere vormen van intolerantie tot uiting komend in allerlei vormen van bedreigend en beledigend gedrag of in het tonen, publiceren of verspreiding van materiaal waarmee de dader bedoelt racistisch of daaraan gelijkgestelde haat op te wekken.
Voorbeelden van dergelijk haatzaaien:het opnieuw willen oprichten van een Nazipartij, uitspreken dat ethische groepen gedeporteerd moeten worden, stellen dat homo’s en lesbiennes geen rechten hebben, pamfletten verspreiden om een witte buurt ‘te beschermen tegen de constante instroom, ellende en overname door negers’, kruisen verbranden voor de huizen van een zwarte familie, een etnische meerderheid oproepen om een andere groep te ‘verdelgen’.
Vrijwaring van discriminatie
Ieder is gelijk voor de wet. Een overheid mag mensen niet anders behandelen op grond van huidskleur, geslacht, geloof, seksuele oriëntatie en dergelijke Amnesty ziet discriminatie niet alleen als een ernstige schending, maar ook als het begin van en de aanleiding tot meer schendingen, zoals martelen. Wanneer de overheid bepaalde (groepen) mensen ziet als minderwaardig, zullen overheidsdienaren weinig problemen hebben met het gebruiken van geweld tegen deze groepen. Dat geldt voor de politie, op straat en op de politiebureaus en voor gevangenbewaarders, maar ook, zoals in China, voor de controleurs van de geboortebeperkingswetten. Ook burgers weten dan dat geweld tegen leden van deze groepen vrijwel niet bestraft zal worden.
Wanneer het gebruikelijk is om groepen systematisch te discrimineren zullen zonder twijfel ook andere rechten van deze mensen geschonden gaan worden, zonder dat de daders bestraft worden. Daarom heeft voor Amnesty het tegengaan van discriminatie een grote prioriteit. Discriminatie komt in alle landen van de wereld voor, maar de bescherming die de overheid tegen die discriminatie biedt varieert sterk.
Vrijheid van godsdienst
Vrijheid van godsdienst is een recht dat apart wordt genoemd in de Universele Verklaring. Je zou kunnen zeggen dat dat overbodig is. Er is immers al een artikel over vrijheid van vereniging en een ander artikel over de vrijheid van meningsuiting. Samen geven die religieuze gemeenschappen in principe voldoende bescherming. Toch heeft men in 1948 ervoor gekozen om aan godsdienst een apart artikel te wijden. Religie is niet zomaar een mening, een religieuze gemeenschap niet zomaar aan een vereniging. Mensen hechten aan hun godsdienst vaak veel meer dan aan hun mening.
Maar waar andere rechten uit de Universele Verklaring zijn uitgewerkt in talloze verdragen is dat bij godsdienstvrijheid niet gelukt. Met moeite kon er binnen de Verenigde Naties in 1981 een verklaring worden opgesteld over de ‘uitbanning van onverdraagzaamheid en discriminatie op grond van religie’. De verklaring bepaalt onder meer dat het recht op vrijheid van godsdienst kan worden beperkt als de volksgezondheid in gevaar komt, of de staatsveiligheid.
De balans van rechten
De verhouding tussen het recht op vrijheid van meningsuiting en dat op vrijheid van godsdienst lijkt nogal eens gespannen. Bijvoorbeeld als de ene groep vrijelijk kritiek wil leveren op een godsdienst of met elementen ervan de spot wil drijven, terwijl de andere groep dat ziet als een belediging van de godsdienst. Toch is er in wezen geen spanning tussen beide rechten. De vrijheid van meningsuiting staat toe dat je kritiek hebt op élk denkbeeld of menselijk handelen, dus ook op godsdienst. Daarbij mag je niet oproepen tot haat en discriminatie. Wat niet mag is oproepen tot uitroeiing van een godsdienst, of verklaren dat moslims minderwaardig zijn, of goedkeuren dat ‘ketters’ worden vervolgd.
De Nederlandse rechter heeft Theo van Gogh, die zich beledigend uitliet over christenen, joden en moslims, nooit veroordeeld. De vrijheid van meningsuiting kan nu eenmaal niet overeind blijven als elke vorm van spot of belediging als een vorm van discriminatie wordt gezien. Dat neemt niet weg dat schelden zeer kan doen. En dat in een klimaat waar sprake is van grote maatschappelijke spanningen een belediging soms wél aan discriminatie kan bijdragen, zeker als de beledigde groep zich niet voldoende kan verdedigen. In feite is het nagenoeg nooit de vrijheid van meningsuiting als zodanig die een bedreiging vormt. Pas als de overheid bepaalde groepen niet meer beschermt en zelf aan discriminatie bijdraagt (zoals tegenover hindoes in Bangladesh, moslims in delen van China, christenen in Iran) worden ‘meningen’ over die groepen feitelijk onderdeel van de discriminatie.
