Jean Minani, Burundi
Amnesty in Actie, februari 2005
Bliksemactie
Minani’s huis is niet anders dan de andere huizen in de straat. Een klein raam kijkt uit over stoffige grond, het golfijzeren dak is roestig. Op de muur hangt echter iets unieks – een verbleekte, negen jaar oude kopie van de bliksemactie die door Amnesty International voor Minani werd uitgebracht.
Minani’s verhaal begint bijna tien jaar geleden. Tijdens een missie in Burundi horen Amnesty-onderzoekers over martelingen in de gevangenis. Ze besluiten de situatie met eigen ogen te gaan bekijken. Ze zijn verbaasd als de recent aangestelde commandant toegeeft dat er ‘min of meer gewelddadige methoden’ worden gebruikt bij ondervragingen. In de gevangenis wordt Vandeginste al snel in de richting getrokken van iemand die sporen van marteling vertoond. Zijn naam is Jean Minani.
Onder een bananenboom
‘Mijn eerste reactie was humanitair’, herinnert Vandeginste zich. ‘We moesten ervoor zorgen dat hij medische zorg zou krijgen.’ De onderzoeker had zijn camera bij zich en maakte foto’s van Minani en zijn verwondingen. Hij realiseerde zich dat de buitenwereld zo snel mogelijk op de hoogte moest worden gebracht en wilde het Internationaal Secretariaat (IS) verzoeken om een bliksemactie uit te brengen. ‘Het was nog niet zo eenvoudig de informatie bij het IS te krijgen’, herinnert Vandeginste zich. ‘Het hotel zat vol met politie in burger en de telefoon werd afgeluisterd. Uiteindelijk hebben we, zittend onder een bananenboom voor het hotel, onze satelliettelefoon gebruikt.’
Op 27 maart 1995 werd een bliksemactie uitgebracht voor Minani en elf andere gevangenen. Binnen enkele dagen kwamen duizenden brieven bij de Burundese autoriteiten binnen. Vlak daarna werd Minani overgeplaatst, waardoor hij niet meer direct in gevaar was. Hij zat nog wel gevangen en het was zelfs mogelijk dat hij de doodstraf zou krijgen. Hij werd er namelijk van beschuldigd betrokken te zijn geweest bij de moord op de voormalige burgemeester van Bujumbura.
'Bekentenis'
Minani vertelde Amnesty dat hij als gevolg van de martelingen uiteindelijk maar ‘bekende’. Toen hij voor de openbaar aanklager verscheen, vertelde hij hierover en trok zijn ‘bekentenis’ in. Het duurde nog drie jaar voordat zijn zaak voor de rechter kwam. Weer stuurden duizenden mensen brieven naar de autoriteiten. Tot die tijd was er in Burundi echter niemand vrijgesproken, vanwege het feit dat een ‘bekentenis’ door marteling was verkregen. Minani’s geval bleek een uitzondering. In 1998 werd hij vrijgesproken van alle aanklachten. Het Hooggerechtshof erkende dat het enige bewijs tegen Minani door marteling was verkregen en dus ontoelaatbaar. Het bewijs dat Amnesty leverde in de vorm van foto’s, speelde hierbij een belangrijke rol.
In september 2004 keerde Vandeginste terug naar Burundi. ‘Hoe dichter ik bij Minani’s huis kwam, hoe meer mensen het verhaal kenden. Ik realiseerde me dat zijn verhaal de gehele gemeenschap had geraakt.’ De twee werden herenigd voor Minani’s huis, waar hij leeft met zijn vrouw en drie kinderen. ‘Hij zag er nu veel jonger uit dan toen. Ik heb geen woorden om te beschrijven hoe ik me voelde toen ik hem weer zag.’ Vandeginste vroeg of Minani zich er in de gevangenis van bewust was dat mensen van over de hele wereld brieven voor hem hadden geschreven. Daarop liet Minani een kopie van de bliksemactie zien, die hem negen jaar eerder door zijn advocaat was toegestuurd. ‘Je kon de tekst bijna niet meer lezen’, herinnert Vandeginste zich. ‘Er zaten overal vingerafdrukken op. Hij moet ‘m wel aan veel mensen hebben laten lezen. Ik wou dat iedereen, die mee heeft gedaan aan de bliksemactie, hier had kunnen zijn. Minani vindt het een wonder wat hem is overkomen.’
