Vrijheid
Vrijheid is een centraal begrip in de mensenrechten, waar het in een groot aantal betekenissen en verbindingen wordt gebruikt. Er is zowel vrijheid tot als vrijheid (of vrijwaring) van. Er is persoonlijke, intellectuele, politieke en academische vrijheid. Tot de vrijheidsrechten behoren die op vrijheid van geweten, godsdienst, meningsuiting, vereniging en drukpers. Men is vrij in de keuze van geloof, opvoeding (ouderlijke macht), werk, partner voor een huwelijk enz. Sommige delen van de wereld zijn 'vrij', d.w.z. behoren niet tot het territorium van een staat, zoals de open zee. Door Immanuel Kant (1724-1804, ethiek, Verlichting) werden in het begrip 'vrijheid' natuurlijke of handelsvrijheid en autonomie onderscheiden. De eerste, ook wel negatieve vrijheid genoemd, houdt in dat wij vrij zijn te handelen zoals wij willen. De vrijheid mag slechts aan banden worden gelegd in zoverre dat noodzakelijk is om anderen optimale vrijheid te garanderen. De tweede, positieve vrijheid, houdt in dat wat men wil ook werkelijk in vrijheid en zelfstandigheid kan worden gewild. Veel auteurs menen dat het begrip vrijheid centraal staat in de mensenrechten, dus dat de mensenrechten als belangrijkste doel hebben de twee soorten vrijheid in zo groot mogelijke mate te garanderen. De negatieve vrijheid wordt vooral door de fundamentele mensenrechten gegarandeerd (bijv. vrijwaring van marteling), de positieve vrijheid door de garantie van sociaal-economische en culturele mensenrechten (bijv. vrije keuze van beroep). Een kernachtige formulering van fundamentele rechten is te vinden in de 'vier vrijheden' geformuleerd door de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt in 1941: vrijwaring van gebrek, vrijheid van religie, vrijheid van meningsuiting en vrijwaring van vrees.
