Politkovskaja, Anna (1958-2006)
Russische journaliste die gold als een van de belangrijkste critici van het bewind van president Poetin en een van de weinigen die de officiële censuur stelselmatig trotseerden. Vooral door haar rapportages over de Tsjetsjenen kreeg ze grote bekendheid. In de Nowaja Gazeta beschreef ze hoe Russische soldaten geld verdienden met de verkoop van wapens, ontvoeringen voor losgeld en de handel in lijken. In 2001 werd ze door soldaten drie dagen lang in een kuil vastgehouden. Ze trad ook op als bemiddelaar tussen het Tsjetsjeens verzet en de Russische overheid. Er werd meerdere keren een aanslag op haar leven beraamd, in 2004 werd een poging gedaan haar te vergiftigen.
Ze werd op 7 oktober 2006 doodgeschoten bij haar flat in Moskou. Er werd in 2007 een verdachte aangehouden, vervolgens warden drie mannen aangeklaagd voor betrokkenheid bij de moord. Het proces stond, ongebruikelijk in Rusland, open voor pers en publiek. De verdachten werden allen in februari 2009 vrijgelaten. In januari 2009 werden de advocaat Stanislav Markelov en de journaliste Anastasia Baburova vermoord. Ze waren nauw bij het proces tegen de verdachten van de moord op Politkovskaja betrokken geweest. In juli 2009 werd Natalja Estemirova vermoord, een bestuurslid van de organisatie Memorial en naaste medewerkster van Politkvoskaja. In augustus werden twee mensenrechtenactivisten vermoord in de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny, Zarema Sadoelajeva en haar man Oemar Dzjabrailov. De Novaja Gazeta, de krant waarvoor Politkovskaja werkte, durfde het daarna niet meer aan journalisten naar Tsjetsjenië te sturen.
Ter ere van Polititkovskaja is een prijs ingesteld die vanaf 2007 jaarlijks is uitgereikt aan vrouwen en vrouwenorganisaties die zich voor mensenrechten inzetten, zoals in 2009 een Iraanse organisatie tegen achterstelling van vrouwen. Leden van het comité ter ondersteuning van de prijs zijn onder anderen Václav Havel, Desmond Tutu en Shirin Ebadi.
In Rusland is steeds minder ruimte voor vrije pers. Televisie en andere media worden door de staat gecontroleerd en journalisten die onafhankelijk te werk proberen te gaan, worden tegengewerkt. Ze worden geïntimideerd en mogelijk vervolgd. Zo moest radiozender Echo van Moskou meermalen transcripties van programma’s afstaan aan het Openbaar Ministerie omdat die extremistische meningen zouden bevatten. In de aanloop naar de parlementsverkiezingen van 2008 waren volgens Amnesty de inperkingen van de vrijheid van meningsuiting goed zichtbaar.
De autoriteiten sloegen vreedzame betogingen van de oppositie met geweld uiteen, terwijl evenementen die pro-regering waren ongehinderd door konden gaan. Mensenrechtenverdedigers en journalisten die als waarnemer bij demonstraties of publieke bijeenkomsten aanwezig waren, zijn geregeld aangevallen door de oproerpolitie. Als ngo’s niet aan officiële regels voldoen, kunnen zij worden verboden. Slachtoffer van deze wet was onder meer de Russisch-Tsjetsjeense Vriendschapsvereniging RCFS, die in oktober 2006 werd verboden. Rainbow House (voor de rechten van LGBT) kreeg geen toestemming zich als ngo te registreren. De organisatie Golos (Stem) raakte verwikkeld in een juridische strijd; ze werkt voor eerlijke verkiezingen onder meer door trainingen aan verkiezingswaarnemers te geven.
In 2009 meldde Amnesty over Tsjetsjenië dat de laatste jaren is er op economisch en sociaal vlak veel ten goede is veranderd. Er zijn huizen, scholen en ziekenhuizen gebouwd, wegen aangelegd en de gas- en elektriciteitsvoorziening zijn verbeterd. Maar er zijn aanhoudende berichten over ernstige schendingen van de mensenrechten zoals het gebruik van excessief geweld door wetshandhavers, dood tijdens hechtenis, mishandeling en buitengerechtelijke executies, verdwijningen, bedreigingen van mensenrechtenverdedigers en gedwongen huisuitzettingen.
