Het idee dat (vooral) vrouwen erecodes schenden of seksueel geweld uitlokken door de wijze waarop ze zich kleden is wijdverbreid. In sommige landen, vooral die van de islam, krijgen vrouwen wrede straffen opgelegd wanneer zij kledingcodes overtreden. In o.m. Saudi-Arabië worden de voorschriften afgedwongen door de religieuze staatspolitie. In andere landen proberen gewapende groeperingen hun gezag te laten gelden door richtlijnen uit te vaardigen voor 'passende' kleding. Gewapende groeperingen in Colombia bijv. droegen vrouwen op geen truitjes te dragen die hun navel bloot laten. In Soedan worden bepalingen in enkele verordeningen, zoals bijvoorbeeld de kledingvoorschriften, dusdanig uitgelegd dat vooral vrouwen het slachtoffer worden van bestraffing zoals geseling. In landen van de islam klagen veel vrouwen over de dwang om de traditionele hoofddoek te dragen. Omgekeerd ijveren in o.m. Turkije groepen islamitische vrouwen voor het recht om hun hoofd te bedekken, in bijv. universiteitsgebouwen, hetgeen nu volgens de grondwet van 1923 is verboden. In Frankrijk nam het parlement in 2004 een wet aan die het dragen van 'ostentatieve' religieuze symbolen, zoals hoofddoekjes of grote kruizen, verbiedt op scholen en in openbare functies.
Amnesty sprak naar aanleiding van de Franse wet zorg uit dat het verbod een negatieve uitwerking kon hebben op mensenrechten, zoals de vrijheid van godsdienst en meningsuiting en het recht op onderwijs. Evenzo keurt Amnesty af dat hoofddoekjes verplicht worden gesteld. Amnesty is geen voorstander van het in Nederland voorgestelde algemene verbod op het buitenshuis dragen van een boerka. Wel kunnen er specifieke situaties zijn waarin gezichtsbedekking niet aanvaardbaar is.
Hoofddoekjes af?
In Nederland en sommige andere landen is het dragen van hoofddoekjes vooral in het onderwijs omstreden. Voorstanders van vrije kledingkeuze voeren aan dat het recht op godsdienstvrijheid moet worden beschermd en dat islamitische meisjes door het dragen van een hoofddoekje een grote bewegingsvrijheid van hun ouders vergund krijgen. Tegenstanders voeren aan dat hoofddoekjes symbool zijn voor de (op religie gebaseerde) onderdrukking van de vrouw en dat godsdienst op openbare plaatsen geen aanleiding mag zijn tot discriminatie en onderscheid. De wetgeving verschilt sterk per land, ook binnen landen van de Europese Unie: overheden verbieden het dragen van hoofddoekjes alleen voor leraren, of zowel voor leraren als leerlingen, of verbieden het helemaal niet. In Frankrijk werd in 2004 met grote parlementaire meerderheid een wet aangenomen die het dragen van 'ostentatieve' uitingen van religie, zoals een kruis, keppeltje of hoofddoek, op openbare scholen verbiedt. De commissie die deze wet voorstelde voerde aan dat Frankrijk een 'lekenstaat' is die in de grondwet geen melding maakt van God (zoals trouwens ook de Nederlandse grondwet niet doet) en dat de staat de plicht heeft om het isolement van minderheden en hun onderlinge spanningen te voorkomen. De Franse commissie meende ook, na een groot aantal deskundigen en betrokkenen te hebben gehoord in binnen- en buitenland, dat het risico dat sommige moslimmeisjes zich aan het onderwijs zouden onttrekken minder zwaar moest wegen dan het uitbannen van de dwang tot het dragen van bepaalde kleding, waarover ook moslimvrouwen zich beklaagden. Dat gold vooral voor vrouwen afkomstig uit landen waar strenge kledingvoorschriften werden opgelegd en door de 'religieuze politie' werden gecontroleerd, zoals Iran en Afghanistan. Het gaat maar om een stukje stof, zeggen tegenstanders van een verbod. Maar het is wel een kledingstuk waaraan door anderen grote betekenis wordt gehecht.