Codificatie van mensenrechten
Het wettelijk vastleggen van grondrechten. In moderne grondwetten is meestal wetgeving aangaande vrijheid van meningsuiting, vrijwaring van marteling en slavernij, en het recht op privacy vastgelegd. Codificatie van internationale rechtsregels vond plaats vanaf het einde van de 19e eeuw, zoals in de Haagse verdragen over recht in oorlogstijd. De belangrijkste codificatie van mensenrechten vond plaats in de VN-verdragen van 1966. Andere VN-verdragen gaan over slavernij, genocide, de rechten van vrouwen, marteling en de rechten van het kind. De meeste sociaal-economische rechten, met uitzondering van het recht op onderwijs, zijn noch in grondwetten noch in internationaal recht in sterke termen gecodificeerd. Rechten als die op werk, huis en levensstandaard zijn meer intentieverklaringen dan regels van aansprakelijkheid. Zie ook geschiedenis van de mensenrechten
Het wetboek van de Babylonische koning Hammoerabi, opgetekend rond 1752 v.Chr., is gebaseerd op 'oog om oog'. Het heeft ook opvallend 'moderne' bepalingen zoals over het ontslaan van oneerlijke rechters en het bestrijden van geweld tegen vrouwen. Het stelt dat 'armen, weduwen, wezen en onderdrukten' beschermd moeten worden.
