Home > De bibliotheek: Landeninformatie > Jaarboek Wit-Rusland 2009
JAARBOEK WIT-RUSLAND 2009
Betreft informatie over 2008
De regering bleef buitensporig toezicht uitoefenen op de burgermaatschappij. De overheidscontrole op de media nam toe, en onafhankelijke media werden aan banden gelegd. Een aantal openbare evenementen werd verboden; vreedzame demonstranten kregen boetes opgelegd en werden korte tijd gedetineerd, en burgeractivisten en journalisten werden lastiggevallen. Wit-Rusland legde nog altijd doodvonnissen op en executeerde gevangenen.Lees hier de Engelstalige jaarboektekst
Feiten en cijfers
Achtergrond
Vrijheid van vereniging
Rechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders
Vrijheid van meningsuiting
Gewetensgevangenen
Doodstraf
Bezoek Amnesty International
Archief jaarboek
Het leek erop dat Wit-Rusland toenadering zocht tot de EU. Na de vrijlating van een aantal oppositiegevangenen in de loop van het jaar besloot de EU op 13 oktober het reisverbod dat in 2006 was opgelegd aan enkele regeringskopstukken, tijdelijk en gedeeltelijk op te schorten.
*Op 10 en 21 januari en 18 februari werden ruim veertig mensen gedetineerd en veroordeeld tot gevangenisstraffen van maximaal vijftien dagen of boetes. Dit omdat ze hadden deelgenomen aan demonstraties tegen besluit nr. 760, dat kleine bedrijven verplicht alleen familieleden in dienst te hebben op straffe van aanzienlijk hogere vennootschapsbelastingen.
*Op 25 maart zouden veiligheidstroepen buitensporig geweld hebben gebruikt tegen demonstranten die op de Dag van de Vrijheid (de dag dat de oprichting van de Volksrepubliek Wit-Rusland in 1918 wordt herdacht) bijeen waren gekomen in de hoofdstad Minsk. Circa honderd demonstranten werden gedetineerd en beboet of in administratieve hechtenis gehouden. De autoriteiten traden ongekend hard op tegen journalisten die verslag deden van de demonstratie. Onder de gedetineerden bevond zich Andrej Liankevitsj, een fotojournalist van de onafhankelijke krant Nasha Niva, die beweerde dat hij was gemolesteerd. Hij werd aangeklaagd wegens het organiseren van en deelnemen aan een verboden bijeenkomst. Hij werd op 27 maart vrijgelaten, maar eind 2008 liep het onderzoek in de zaak nog. Twee Litouwse televisieverslaggevers werden naar verluidt geslagen en hun apparatuur zou zijn beschadigd door de politie.
Op 27 maart verrichtten agenten van het Comité voor Staatsveiligheid – nog altijd KGB genaamd – in het hele land huiszoekingen bij journalisten die werkten met buitenlandse media. Op 31 maart toonde de EU zich ‘bijzonder teleurgesteld over de arrestatie van een groot aantal deelnemers, met name jongeren’ en veroordeelde ze het gebruik van geweld bij het uiteendrijven van vreedzame demonstranten.
Twee oppositieactivisten, Andrej Kim en Sergej Parsjoekevitsj, werden op grond van artikel 364 van het Wetboek van strafrecht aangeklaagd wegens het molesteren van politieagenten. Kim werd op 22 april in verband met deze aanklacht veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf. Getuigen beweerden dat hij degene was die werd geslagen door een politieagent, en niet andersom. Parsjoekevitsj, de leider van een vereniging van kleine ondernemers in de stad Vitebsk, werd na de demonstratie op 10 januari vijftien dagen lang in administratieve hechtenis geplaatst.
Op 24 april werd hij veroordeeld tot tweeënhalf jaar gevangenisstraf wegens geweldpleging tegen een politieagent terwijl hij in hechtenis zat, ofschoon hij beweert uit zijn cel te zijn gehaald en door twee agenten te zijn gemolesteerd. Lokale mensenrechtenorganisaties beweerden dat de aanklachten verzonnen waren en dat beide mannen gestraft werden omdat ze op vreedzame wijze uiting hadden gegeven aan hun politieke standpunten. In augustus besloot de president beide mannen vrij te laten.
In september werden een oplage van de onafhankelijke krant Svaboda (Vrijheid) en een aantal videoreportages, waaronder de Poolse documentaire A Lesson in Belarusian, door de arrondissementsrechtbank in Hrodna aangemerkt als extremistisch, na een verzoek hiertoe door de KGB-afdeling in Hrodna. Svaboda had een rapport gepubliceerd over een demonstratie door de politieke jongerenbeweging Malady Front tegen het optreden van het Russische leger in Zuid-Ossetië. Het rapport liet zich kritisch uit over de in 2007 geratificeerde Wet ter bestrijding van extremisme. Deze wet stelt dat elke organisatie mag worden verboden die aanzet tot het op gewelddadige wijze omverwerpen van de grondwettelijke orde, terrorisme of haat tegen rassen, volken of godsdiensten, en dat alle als extremistisch aangemerkte publicaties mochten worden vernietigd. Het vonnis tegen Svaboda werd in hoger beroep ingetrokken. In november verwierp dezelfde rechtbank een aanvraag om het mensenrechtenrapport uit 2004 van de niet-gouvernementele organisatie Viasna (Voorjaar) als extremistisch aan te merken.
*Zmitser Dasjkevitsj, een leider van Malady Front, werd op 23 januari vrijgelaten, twee maanden voordat hij zijn straf volledig had uitgezeten. Hij was in november 2006 veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf wegens ‘deelname aan een activiteit van een niet-geregistreerde niet-gouvernementele organisatie’.
*In augustus besloot president Loekasjenko tot de vrijlating van Aleksandr Kazoelin, kandidaat bij de presidentsverkiezingen in maart 2006, die in juli 2006 veroordeeld was tot vijfenhalf jaar gevangenisstraf wegens ‘vandalisme’ en het ‘organiseren van groepsactiviteiten die de openbare orde verstoren’.
Op 6 oktober werd Pavel Lenni terechtgesteld; hij was door de arrondissementsrechtbank in Homel ter dood veroordeeld wegens het verkrachten en vermoorden van een minderjarige. Tijdens een persconferentie op 9 september verklaarde de president van het Opperste Gerechtshof dat in 2008 slechts één persoon ter dood was veroordeeld. Het ministerie van Binnenlandse Zaken liet in oktober weten dat in Wit-Rusland een ‘onomkeerbaar en geleidelijk proces richting afschaffing van de doodstraf gaande was’. In december onthield Wit-Rusland zich van stemming over een resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties waarin werd opgeroepen tot een wereldwijd moratorium op terechtstellingen.
Achtergrond
Vrijheid van vereniging
Rechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders
Vrijheid van meningsuiting
Gewetensgevangenen
Doodstraf
Bezoek Amnesty International
Archief jaarboek
Achtergrond
De OVSE stuurde een waarnemingsmissie naar de parlementsverkiezingen van 28 september en oordeelde dat deze niet voldeden aan de OVSE-normen. Er zat enige verbetering in de toegang tot de media voor oppositiekandidaten, maar volgens de missie konden kiezers nog altijd geen onderbouwde keuze maken. Artikel 193-1 van het Wetboek van strafrecht beperkte de vrijheid van vereniging en meningsuiting. Deze wet, die het lidmaatschap en de activiteiten van burgerbewegingen strafbaar stelt, was in december 2005 bij presidentieel besluit ingevoerd in de aanloop naar de presidentsverkiezingen in maart 2006.Het leek erop dat Wit-Rusland toenadering zocht tot de EU. Na de vrijlating van een aantal oppositiegevangenen in de loop van het jaar besloot de EU op 13 oktober het reisverbod dat in 2006 was opgelegd aan enkele regeringskopstukken, tijdelijk en gedeeltelijk op te schorten.
Vrijheid van vereniging
De autoriteiten legden de vrijheid van vergadering aan banden door demonstraties te verbieden of met geweld de kop in te drukken, vreedzame demonstranten te detineren en burgeractivisten en journalisten lastig te vallen.*Op 10 en 21 januari en 18 februari werden ruim veertig mensen gedetineerd en veroordeeld tot gevangenisstraffen van maximaal vijftien dagen of boetes. Dit omdat ze hadden deelgenomen aan demonstraties tegen besluit nr. 760, dat kleine bedrijven verplicht alleen familieleden in dienst te hebben op straffe van aanzienlijk hogere vennootschapsbelastingen.
*Op 25 maart zouden veiligheidstroepen buitensporig geweld hebben gebruikt tegen demonstranten die op de Dag van de Vrijheid (de dag dat de oprichting van de Volksrepubliek Wit-Rusland in 1918 wordt herdacht) bijeen waren gekomen in de hoofdstad Minsk. Circa honderd demonstranten werden gedetineerd en beboet of in administratieve hechtenis gehouden. De autoriteiten traden ongekend hard op tegen journalisten die verslag deden van de demonstratie. Onder de gedetineerden bevond zich Andrej Liankevitsj, een fotojournalist van de onafhankelijke krant Nasha Niva, die beweerde dat hij was gemolesteerd. Hij werd aangeklaagd wegens het organiseren van en deelnemen aan een verboden bijeenkomst. Hij werd op 27 maart vrijgelaten, maar eind 2008 liep het onderzoek in de zaak nog. Twee Litouwse televisieverslaggevers werden naar verluidt geslagen en hun apparatuur zou zijn beschadigd door de politie.
Op 27 maart verrichtten agenten van het Comité voor Staatsveiligheid – nog altijd KGB genaamd – in het hele land huiszoekingen bij journalisten die werkten met buitenlandse media. Op 31 maart toonde de EU zich ‘bijzonder teleurgesteld over de arrestatie van een groot aantal deelnemers, met name jongeren’ en veroordeelde ze het gebruik van geweld bij het uiteendrijven van vreedzame demonstranten.
Twee oppositieactivisten, Andrej Kim en Sergej Parsjoekevitsj, werden op grond van artikel 364 van het Wetboek van strafrecht aangeklaagd wegens het molesteren van politieagenten. Kim werd op 22 april in verband met deze aanklacht veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf. Getuigen beweerden dat hij degene was die werd geslagen door een politieagent, en niet andersom. Parsjoekevitsj, de leider van een vereniging van kleine ondernemers in de stad Vitebsk, werd na de demonstratie op 10 januari vijftien dagen lang in administratieve hechtenis geplaatst.
Op 24 april werd hij veroordeeld tot tweeënhalf jaar gevangenisstraf wegens geweldpleging tegen een politieagent terwijl hij in hechtenis zat, ofschoon hij beweert uit zijn cel te zijn gehaald en door twee agenten te zijn gemolesteerd. Lokale mensenrechtenorganisaties beweerden dat de aanklachten verzonnen waren en dat beide mannen gestraft werden omdat ze op vreedzame wijze uiting hadden gegeven aan hun politieke standpunten. In augustus besloot de president beide mannen vrij te laten.
Rechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders
Lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgenderactivisten kregen geen toestemming om evenementen te organiseren. In Homel en Minsk vroegen groeperingen op respectievelijk 4 en 10 mei om toestemming voor kleinschalige straatacties, maar in beide gevallen weigerden de stadsbesturen dit verzoek in te willigen. De activisten in Minsk kregen te horen dat hun actie het verkeer zou blokkeren. De activisten in Homel hadden volgens de autoriteiten niet aangetoond dat ze voldoende EHBO-ers of stewards op de been konden brengen voor het evenement, of dat ze de locatie schoon zouden achterlaten, ofschoon ze dit in hun aanvraag hadden toegezegd.Vrijheid van meningsuiting
*Op 7 augustus ratificeerde de president een nieuwe wet inzake massamedia. De Wit-Russische Vereniging van Journalisten liet weten dat de nieuwe wet de vrijheid van meningsuiting aanzienlijk zou inperken en mediaorganisaties en journalisten het werken verder zou bemoeilijken. In september verschenen slechts dertig onafhankelijke maatschappelijke en politieke bladen, waarvan ook nog de helft was uitgesloten van de door de staat gecontroleerde verspreidingssystemen. De OVSE-vertegenwoordiger inzake mediavrijheid toonde zich bezorgd dat de wet ‘de overheid meer bevoegdheden geeft om mediaorganisaties te berispen, op non-actief te stellen en te sluiten’. De nieuwe wet legde de registratie verder aan banden, verbood elke financiering uit het buitenland of door niet-goedgekeurde bronnen, en maakte het voor overheidsorganen eenvoudiger om media zonder een gerechtelijk bevel en na slechts één waarschuwing te sluiten. De wet had betrekking op internetpublicaties, en het adjunct-hoofd van de presidentiële administratie, Natalja Pjatkevitsj, verklaarde dat de wet van toepassing zou zijn op websites om ‘desinformatie door buitenlandse sites te controleren’. Volgens haar hadden de autoriteiten zich laten leiden door ‘de ervaring van China, dat de toegang tot dergelijke sites op zijn grondgebied heeft geblokkeerd’.In september werden een oplage van de onafhankelijke krant Svaboda (Vrijheid) en een aantal videoreportages, waaronder de Poolse documentaire A Lesson in Belarusian, door de arrondissementsrechtbank in Hrodna aangemerkt als extremistisch, na een verzoek hiertoe door de KGB-afdeling in Hrodna. Svaboda had een rapport gepubliceerd over een demonstratie door de politieke jongerenbeweging Malady Front tegen het optreden van het Russische leger in Zuid-Ossetië. Het rapport liet zich kritisch uit over de in 2007 geratificeerde Wet ter bestrijding van extremisme. Deze wet stelt dat elke organisatie mag worden verboden die aanzet tot het op gewelddadige wijze omverwerpen van de grondwettelijke orde, terrorisme of haat tegen rassen, volken of godsdiensten, en dat alle als extremistisch aangemerkte publicaties mochten worden vernietigd. Het vonnis tegen Svaboda werd in hoger beroep ingetrokken. In november verwierp dezelfde rechtbank een aanvraag om het mensenrechtenrapport uit 2004 van de niet-gouvernementele organisatie Viasna (Voorjaar) als extremistisch aan te merken.
Gewetensgevangenen
*Op 18 januari werd Aleksandr Zdzvizhkou, voormalig plaatsvervangend hoofdredacteur van de krant Zhoda (Eenheid), door een stadsrechtbank veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens het ‘aanzetten tot raciale, nationale of religieuze vijandigheid of onmin’. Hij werd veroordeeld wegens de publicatie in 2006 van de striptekeningen van de profeet Mohammed die sommige moslims beledigend vonden, en die in 2005 voor het eerst verschenen in een Deense krant. De strafrechtelijke procedure ging op 22 februari 2006 van start, en in maart werd de krant verboden. Zdzvizhkou verliet Wit-Rusland om vervolging te ontlopen, maar werd op 18 november 2007 gearresteerd toen hij terugkeerde om het graf van zijn vader te bezoeken. Het hoofd van de moslimgemeenschap in Wit-Rusland zou het oneens zijn met de veroordeling van Zdzvizhkou en de sluiting van de krantenredactie. Op 22 februari bracht het Opperste Gerechtshof van Wit-Rusland zijn gevangenisstraf van drie jaar terug tot drie maanden. Dit besluit leidde tot zijn onmiddellijke vrijlating uit de streng beveiligde gevangenis waar hij werd vastgehouden.*Zmitser Dasjkevitsj, een leider van Malady Front, werd op 23 januari vrijgelaten, twee maanden voordat hij zijn straf volledig had uitgezeten. Hij was in november 2006 veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf wegens ‘deelname aan een activiteit van een niet-geregistreerde niet-gouvernementele organisatie’.
*In augustus besloot president Loekasjenko tot de vrijlating van Aleksandr Kazoelin, kandidaat bij de presidentsverkiezingen in maart 2006, die in juli 2006 veroordeeld was tot vijfenhalf jaar gevangenisstraf wegens ‘vandalisme’ en het ‘organiseren van groepsactiviteiten die de openbare orde verstoren’.
Doodstraf
Volgens berichtgeving in de media werden in 2008 vier doodvonnissen uitgevoerd. Op 5 februari werden Valeri Harbati, Sjarej Marozaw en Ihar Dantsjanka terechtgesteld. De drie mannen waren veroordeeld voor een reeks moorden in de regio Homel tussen 1990 en 2004. Alledrie werden ze door het Opperste Gerechtshof op 1 december 2006 veroordeeld tot executie door een vuurpeloton. Op 9 oktober 2007 stonden Sjarej Marozaw en Ihar Dantsjanka terecht voor andere moorden, en werd Sjarej Marozaw opnieuw ter dood veroordeeld. Volgens berichten in de pers gingen de drie mannen bij president Loekasjenko in beroep om gratie te krijgen. De secretaris-generaal van de Raad van Europa veroordeelde de terechtstellingen en beschuldigde de Wit-Russische autoriteiten van een ‘grove minachting’ van menselijke waarden.Op 6 oktober werd Pavel Lenni terechtgesteld; hij was door de arrondissementsrechtbank in Homel ter dood veroordeeld wegens het verkrachten en vermoorden van een minderjarige. Tijdens een persconferentie op 9 september verklaarde de president van het Opperste Gerechtshof dat in 2008 slechts één persoon ter dood was veroordeeld. Het ministerie van Binnenlandse Zaken liet in oktober weten dat in Wit-Rusland een ‘onomkeerbaar en geleidelijk proces richting afschaffing van de doodstraf gaande was’. In december onthield Wit-Rusland zich van stemming over een resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties waarin werd opgeroepen tot een wereldwijd moratorium op terechtstellingen.


