JAARBOEK SERVIË 2009
Betreft informatie over 2008
Servië boekte vooruitgang in het arresteren van verdachten die waren aangeklaagd door het Internationaal Strafhof voor het Voormalige Joegoslavië (Joegoslavië-tribunaal) en in het vervolgen van oorlogsmisdrijven voor nationale rechtbanken. Discriminatie tegen minderheidsgemeenschappen en straffeloosheid voor geweld tussen etnische groeperingen kwamen nog steeds voor in zowel Servië als Kosovo. De Tijdelijke VN-Missie in Kosovo (UNMIK) verzuimde om actie te ondernemen tegen straffeloosheid voor mensenrechtenschendingen door de internationale gemeenschap en voor oorlogsmisdrijven in Kosovo, waaronder gedwongen verdwijningen en ontvoeringen. Slechts een paar vluchtelingen keerden vrijwillig terug naar Kosovo.Lees hier de Engelstalige jaarboektekst
Achtergrond
Definitieve status van Kosovo
Internationale gerechtigheid – Internationaal Strafhof voor het Voormalige Joegoslavië
Servië
Kosovo
Rapporten van Amnesty International
Archief jaarboek
Achtergrond
Omdat de VN-Veiligheidsraad nog geen beslissing had genomen over het Brede Voorstel voor de Definitieve Status van Kosovo (het Ahtisaari-plan), riep Kosovo in februari eenzijdig zijn onafhankelijkheid van Servië uit. Aan het einde van het jaar was de onafhankelijkheid van Kosovo door 53 landen erkend.In april tekende Servië een Stabilisatie- en Associatieovereenkomst met de EU. De EU gaf in november aan dat Servië mogelijk in 2009 de kandidaatstatus krijgt, op voorwaarde dat het land blijft samenwerken met het Joegoslavië-tribunaal.
De verkiezingen in mei werden bespoedigd door grote politieke verdeeldheid binnen de regerende coalitie in Servië, onder andere over het EU-lidmaatschap. In juli vormde president Tadić van de Democratische Partij, na ingewikkelde onderhandelingen, een coalitieregering met de Socialistische Partij van Servië, die ooit werd geleid door Slobodan Milošević.
In november bepaalde het Internationaal Gerechtshof (IGH) dat het jurisdictie had over de motie van Kroatië om Servië te vervolgen wegens genocide.
Definitieve status van Kosovo
Nadat Kosovo de onafhankelijkheid had uitgeroepen, vonden er overal in Servië demonstraties plaats. Zoran Vujović, een Kosovaarse Serviër, kwam om bij een brand in de Amerikaanse ambassade in Belgrado. De brand was aangestoken tijdens een massademonstratie. Er werden meer dan tweehonderd aanvallen op eigendommen van etnische Albanezen gemeld, vooral in Vojvodina. Winkels van leden van de Gorani-gemeenschap werden geplunderd. Slechts weinig daders werden berecht.In het overwegend Servische noorden van Kosovo protesteerden Kosovaarse Serviërs na het uitroepen van de onafhankelijkheid in soms gewelddadige demonstraties tegen UNMIK-instellingen, onder andere grensposten en de UNMIK-rechtbank in het noorden van Mitrovica/ë, die in maart door de Servische rechterlijke macht was bezet. Tijdens een intern bekritiseerde UNMIK-operatie om de rechtbank te heroveren werd een Oekraïense UNMIK-politiefunctionaris gedood en raakten tweehonderd mensen ernstig gewond. In de daaropvolgende maanden namen Servische leden van de Kosovaarse Politiedienst (KPS) ontslag en werden ambtenaren door de regering in Belgrado aangespoord om hun posten te verlaten; de regering in Belgrado wilde vergelijkbare structuren opzetten in Servische gebieden in Kosovo.
In juni nam de Vergadering van Kosovo een grondwet aan die echter geen voorzieningen bevat voor het opzetten van effectieve mensenrechteninstellingen of voor het garanderen van de rechten van vrouwen en niet-Servische minderheden. Er werd ook wetgeving aangenomen waarin de juridische controle werd overgenomen over bevoegdheden die voorheen alleen bij de UNMIK lagen, zoals voorgeschreven door het Ahtisaari-plan. De UNMIK bleef in Kosovo, volgens Resolutie 1244/99 van de VN-Veiligheidsraad, hoewel ze haar administratieve functies niet kon vervullen.
In november keurde de VN-Veiligheidsraad, na onderhandelingen met Pristina en Belgrado, een ‘neutrale status’-plan goed om de UNMIK aan te passen. Hierdoor kon een missie voor Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EULEX), die in het Ahtisaari-plan was opgenomen en in februari door de EU werd geautoriseerd, in december de verantwoordelijkheid overnemen voor internationale controle en het onderzoeken en vervolgen van openstaande oorlogsmisdrijven. In gemeenten in het noorden waar Servië zich had verzet tegen de autoriteit van de EU-missie, vielen de politie, de rechterlijke macht en de douane in theorie nog steeds onder de jurisdictie van de UNMIK. Er was bezorgdheid dat dit zou leiden tot een de facto afscheiding van Kosovo.
In oktober keurde de Algemene Vergadering van de VN een verzoek van Servië goed om een adviserende mening van de IGH over de wettigheid van de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.
Internationale gerechtigheid – Internationaal Strafhof voor het Voormalige Joegoslavië
De voormalige Bosnisch-Servische politiecommandant Stojan Župljanin, die was aangeklaagd wegens genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven in Bosnië en Herzegovina, werd in juni in Pančevo gearresteerd.In juli werd de voormalige Bosnisch-Servische leider Radovan Karadžić in Belgrado gearresteerd, waar hij onder een valse identiteit leefde. Hij werd vervolgens overgedragen aan het Joegoslavië-tribunaal, waar hij in hechtenis werd genomen. Hij was aangeklaagd wegens genocide en medeplichtigheid aan genocide, waaronder de moord op ongeveer zevenduizend Bosnische moslimmannen (Bosniak) en jongens in Srebrenica in 1995. Hij werd ook aangeklaagd wegens uitroeiing, moord, moord met voorbedachten rade, vervolgingen, deportatie, onmenselijke handelingen en andere misdrijven tegen niet-Servische burgers in Bosnië en Herzegovina tussen 1992 en 1995.
In april werden Ramush Haradinaj, voormalig leider van het Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK) en voormalig minister-president van Kosovo, en Idriz Balaj vrijgesproken van misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven, waaronder wrede behandeling, marteling, verkrachting en moord op Albanezen, Serviërs en Roma in 1998. Lahi Brahimaj werd schuldig bevonden aan wrede behandeling en marteling en veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. De Rechtskamer van het Joegoslavië-tribunaal meldde aanzienlijke problemen bij het verzamelen van bewijzen van de honderd getuigen à charge; achttien van hen verschenen pas nadat ze waren gedagvaard en aan 34 van hen werden beschermende maatregelen verleend. Twee voormalige regeringsfunctionarissen werden in december veroordeeld wegens minachting voor de rechtbank omdat ze een beschermde getuige probeerden te beïnvloeden.
Het proces tegen zes hoge Servische politici, politiefunctionarissen en militairen die samen waren aangeklaagd wegens misdrijven tegen de menselijkheid en schendingen van de oorlogswetten en -gebruiken in Kosovo, werd voortgezet. Verder werd het proces voortgezet tegen Vojislav Šešelj, leider van de Servische Radicale Partij, die werd beschuldigd van de vervolging en gedwongen deportatie van niet-Serviërs in zowel Kroatië als Bosnië en Herzegovina.
Servië
Rechtssysteem – oorlogsmisdrijven
Bij de Kamer voor Oorlogsmisdrijven van de districtsrechtbank van Belgrado werden de vervolgingen voortgezet.
In juni werden, in de eerste zaak die door het Tribunaal aan Servië was overgedragen, drie leden van de paramilitaire groep Gele Wespen schuldig bevonden aan de marteling van en moord op ten minste 25 Bosniak-burgers in het gebied Zvornik in Bosnië en Herzegovina in 1992. Ze werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van vijftien, dertien en drie jaar.
In september bevestigde het Servische Opperste Gerechtshof het beroep van twee leden van de paramilitaire groep Schorpioenen die in april 2007 waren veroordeeld wegens de moord in 1995 op zes burgers uit Srebrenica; één gevangenisstraf werd teruggebracht van twintig naar vijftien jaar en er werd opdracht gegeven tot een nieuw proces van een andere beklaagde die tot een gevangenisstraf van vijf jaar was veroordeeld.
In september startte het proces tegen vier leden van de paramilitaire groep De Schorpioenen die waren aangeklaagd voor de moord op veertien leden van de familie Gashi en het ernstig verwonden van vijf overlevende kinderen in Podujevo/ë in maart 1999. Saša Cvjetan was in 2005 veroordeeld wegens dit misdrijf.
In oktober bracht Vladimir Vučkević, de Openbaar Aanklager voor Oorlogsmisdrijven, een bezoek aan Albanië om onderzoek te doen naar beschuldigingen dat gedurende 1999 meer dan driehonderd Serviërs waren ontvoerd door leden van de UÇK en waren meegenomen naar Albanië. De Albanese Hoofdaanklager gaf hem hiervoor geen toestemming en verwees naar een onderzoek van het Joegoslavië-tribunaal dat niet had geleid tot bewijzen die de claims bevestigden dat de Serviërs waren overgebracht om hun organen te verwijderen en te verkopen.
In november werden de slotverklaringen voorgelezen in het proces tegen zeventien soldaten van lage rang die waren aangeklaagd wegens de moord op Kroatische krijgsgevangenen en burgers op de Ovčara-boerderij in Kroatië in 1991. Het Opperste Gerechtshof had de eerdere veroordeling van veertien van de mannen in 2006 vernietigd.
Het proces tegen acht voormalige politiefunctionarissen wegens de moord op 48 etnische Albanezen, voor het grootste deel uit dezelfde familie, in Suva Reka/Suharekë in Kosovo in maart 1999, werd voortgezet. Meer dan honderd getuigen hadden een verklaring afgelegd sinds het proces in oktober 2006 begon.
Het proces tegen drie politiefunctionarissen die waren aangeklaagd wegens de moord in juli 1999 in Kosovo op de drie broers Bytiçi, etnische Albanezen met de Amerikaanse nationaliteit, duurde voort.
Regio Sandžak
Geschillen tussen politieke partijen en rivaliserende islamitische groeperingen leidden nog steeds tot geweld in de regio Sandžak, waaronder het in brand steken van een moskee bij Novi Pazar.
In januari startte het proces tegen vijftien mannen uit Sandžak, vermeende aanhangers van het Wahhabi-geloof, die in september 2007 waren aangeklaagd wegens samenzwering tegen de Servische veiligheid en grondwettelijke orde, en wegens illegaal bezit van wapens en explosieven. Het proces duurde het hele jaar voort.
Marteling en andere vormen van mishandeling
Er werd geen vooruitgang geboekt in het onderzoek naar de mishandeling van gedetineerden tijdens een protest in de Niš-gevangenis in december 2006; één gedetineerde was aan zijn verwondingen overleden. De niet-gouvernementele organisatie Leskovac Comité voor de Mensenrechten diende twee verzoekschriften in bij het Europese Hof voor de Mensenrechten in drie martelingszaken. Er werden nog steeds beschuldigingen gemeld van mishandeling van etnisch Albanese gevangenen.
Er waren nog steeds meldingen van mishandeling door de politie, onder andere van journalisten en Roma. In november drong het VN-Comité tegen Foltering er in zijn beoordeling van het rapport van Servië over de Servische verplichtingen volgens het Verdrag tegen Foltering op aan dat de definitie van marteling in het Wetboek van strafrecht werd gelijkgetrokken met de definitie in het verdrag en dat er een onafhankelijk toezichtmechanisme werd ingesteld.
Illegale executies
*In augustus werden zes politiefunctionarissen geschorst wegens het buitensporig gebruik van geweld nadat Ranko Panić was overleden als gevolg van verwondingen die hij op 29 juli had opgelopen tijdens een demonstratie in Belgrado tegen de arrestatie van Radovan Karadžić. Het onderzoek naar de zaak liep nog.
Discriminatie – Roma
Servië nam in juni het presidentschap op zich van het Decennium van de Roma en kondigde prioriteiten aan op het gebied van het legaliseren van Roma-nederzettingen en het voorkomen van discriminatie in het onderwijs, waaronder de introductie in juli van het Romani als facultatieve taal op scholen. De Roma werden echter nog steeds uitgesloten van banen bij de nationale en lokale overheid en waren vaak het slachtoffer van uitzettingen of andere vormen van discriminatie met betrekking tot hun recht op adequate huisvesting.
Roma in de Bokeljska-straat in Belgrado zetten hun protest voort tegen de sloop van hun huizen op land van het bedrijf Adok, dat plannen had voor een nieuw wooncomplex op deze locatie. Bewoners van de buitenwijk Ovča in Belgrado protesteerden tegen de verhuizing naar nieuwe appartementen van Roma-families uit de nederzetting Gazela onder de brug over de snelweg in Belgrado.
Mensenrechtenverdedigers
In februari werd Nataša Kandić, directeur van de niet-gouvernementele organisatie Humanitair Rechtscentrum, in de media en door vooraanstaande politici bedreigd omdat ze de ceremonie van de onafhankelijkheidsverklaring van de Vergadering van Kosovo had bijgewoond.
In oktober en november leidde een mediacampagne tegen Sonja Biserko, directeur van het Helsinki-Comité voor Mensenrechten in Servië, tot demonstraties buiten het kantoor van de ngo. Mensen zouden Sonja Biserko bij haar appartement hebben opgewacht nadat haar persoonlijke gegevens op internet waren gepubliceerd. De campagnes tegen beide vrouwen werden gekenmerkt door uitingen van vrouwenhaat.
Geweld tegen vrouwen en meisjes
Niet-gouvernementele organisaties meldden dat procedures om bescherming te bieden aan slachtoffers van geweld binnen de familie vaak werden vertraagd en dat deze maatregelen vaak niet werden opgelegd in gevallen van herhaaldelijk geweld. Openbaar aanklagers startten zelden een strafrechtelijke procedure; als ze dit al deden, legden rechters niet de straffen op die door de wet werden voorgeschreven.
Kosovo
Verantwoording – internationale gemeenschap
Er was nog steeds een gebrek aan aansprakelijkheid voor mensenrechtenschendingen die in het verleden door UNMIK-medewerkers waren gepleegd tegen mensen in Kosovo. In oktober ging de EU ermee akkoord dat Amerikaanse burgers die deelnemen aan de EULEX-missie geen verantwoording hoeven af te leggen aan de EU voor eventuele mensenrechtenschendingen die ze plegen.
De Adviescommissie inzake de Mensenrechten (HRAP), die in maart 2006 was opgezet om rechtsmiddelen te bieden voor acties en veronachtzaming van de UNMIK, had nog 62 zaken in behandeling. In juni verklaarde de HRAP een klacht gegrond van de families van Mon Balaj en Arben Xheladini, die tijdens een demonstratie in februari 2007 door niet-geïdentificeerde Roemeense UNMIK-politiefunctionarissen waren gedood, ondanks het feit dat de Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal van de VN de toelaatbaarheid van de klacht ter discussie had gesteld. HRAP deed in november haar eerste uitspraak, waarin ze bepaalde dat de UNMIK-politie had verzuimd om de moord op Remzije Canhasi in 2000 te onderzoeken.
In november kreeg Muhamed Biçi een schadevergoeding van 2,75 miljoen euro toegekend van het Britse ministerie van Defensie na een civiel geding in 2004 waarin werd bepaald dat Britse troepen hem in 1999 opzettelijk en om niet-verdedigbare redenen hadden verwond.
In zijn slotcommentaar in november op het rapport van de UNMIK, over de uitvoering van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten in Kosovo, deed het toezichthoudend comité (CESCR) de aanbeveling dat de UNMIK het verdrag opneemt in de internationale wetgeving die op Kosovo van toepassing is.
De parlementaire vergadering van Kosovo verzuimde opnieuw om een ombudsman aan te stellen; het mandaat van de internationale ombudsman liep in 2005 af.
Oneerlijke processen
In februari schortte de UNMIK het proces op tegen Albin Kurti, leider van de niet-gouvernementele organisatie Vetëvendosje! (Zelfbeschikking), die was aangeklaagd wegens het organiseren van en deelnemen aan een demonstratie in februari 2007. De organisatie vond dat het erop leek dat de vervolging tot een politieke zaak werd gemaakt en dat een proces voor een commissie van internationale rechters een bewijs van gebrek aan onafhankelijkheid van de rechterlijke macht was. Zes advocaten hadden geweigerd om Albin Kurti te vertegenwoordigen, die gebruik wilde maken van het recht om zichzelf te verdedigen.
Straffeloosheid – oorlogsmisdrijven
De overgebleven internationale aanklagers en rechterlijke macht van UNMIK boekten weinig vooruitgang in het afhandelen van een achterstand van naar schatting 1.560 zaken van oorlogsmisdrijven. In augustus verklaarde de UNMIK dat er in zeven zaken een proces werd gevoerd, waarvan er slechts één geen beroep of een heropend proces was. Volgens de UNMIK zouden internationale aanklagers bovendien onderzoek uitvoeren in 47 zaken. Er was nog steeds bezorgdheid over maatregelen voor de bescherming van getuigen.
Marko Simonović werd samen met drie anderen in oktober aangeklaagd voor de moord op vier etnische Albanezen in Pristina in juni 1999.
In november meldde de secretaris-generaal van de VN dat het Departement van Justitie van de UNMIK richtlijnen had opgesteld om EULEX-aanklagers toegang te geven tot strafrechtelijke dossiers; de EULEX-aanklagers hadden herhaaldelijk geklaagd dat er geen dossiers over oorlogsmisdrijven beschikbaar waren.
Het merendeel van de verdwijnings- en ontvoeringszaken bleef nog steeds onbestraft. Er werd een onderzoek ingesteld naar zes zaken die door Amnesty International aan de UNMIK-politie waren gemeld. Er was nog steeds niets bekend over het lot van zo’n 1.918 personen, onder wie Albanezen, Serviërs en leden van andere minderheden. Het Bureau voor Vermiste Personen en Gerechtelijke Geneeskunde voerde 73 opgravingen uit en vond 53 stoffelijke overschotten. Zo’n 437 opgegraven lichamen waren nog niet geïdentificeerd.
Geweld tussen etnische groeperingen
Hoewel de hevigheid en de frequentie van geweld tussen etnische groeperingen na maart afnam, hielden de onderhuidse intimidaties en pesterijen van minderheden aan. In oktober werden er schoten gelost op zes ontheemde Kosovaarse Serviërs die hun huizen bezochten in het dorp Dvoran/ë in de gemeente Suva Reka/Suharekë; een Kosovaarse Albanees werd later gearresteerd. In november werd Ali Kadriu, een ontheemde etnische Albanees, door de UNMIK-politie geslagen toen hij probeerde terug te keren om zijn huis in Suvi Dol/Suhadoll in het noorden van Mitrovica/ë opnieuw op te bouwen; hij was eerder bedreigd door leden van de Servische gemeenschap. Albanese winkels werden in brand gestoken nadat etnische Albanezen op 29 december een uit meerdere etniciteiten bestaande patrouille van de Kosovaarse Politiedienst hadden aangevallen en op 30 december een zestienjarige Servische jongen hadden neergestoken.
Geweld tussen etnische groeperingen uit het verleden bleef nog steeds onbestraft. In juli meldde de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) dat er slechts vierhonderd vervolgingen waren ingesteld in veertienhonderd zaken die bij de politie waren gemeld na het etnische geweld in maart 2004, waarbij negentien mensen de dood vonden en meer dan negenhonderd mensen gewond raakten. Processen werden vertraagd omdat getuigen, onder wie politiefunctionarissen, naar verluidt niet kwamen opdagen of tegenstrijdige verklaringen aflegden; de opgelegde vonnissen waren niet in overeenstemming met de ernst van de overtredingen.
In juni werd Florim Ejupi veroordeeld wegens de bomaanslag op de Niš Express-bus bij Podujevo/ë in februari 2001, waarbij elf Serviërs werden gedood en 22 Serviërs ernstig gewond raakten. Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertig jaar wegens moord, poging tot moord, terrorisme, het voorzaken van algemeen gevaar, rassendiscriminatie en andere discriminatie en illegaal bezit van explosief materiaal.
Er werd geen vooruitgang geboekt na de arrestatie in 2007 van een etnisch Albanese man die werd verdacht van betrokkenheid bij de moord op veertien Servische mannen in Staro Gračko in juli 1999; er waren meldingen van intimidatie van getuigen.
Discriminatie
Zowel Serviërs als Albanezen werden nog steeds gediscrimineerd in gebieden waar ze in de minderheid waren. De Wet op talen werd niet consistent uitgevoerd en de Antidiscriminatiewet uit 2004 werd niet nageleefd. De regering ontwikkelde een actieplan met betrekking tot maatregelen die in 2005 waren aanbevolen door het Adviescomité van het Kaderverdrag ter Bescherming van Nationale Minderheden. Leden van niet-Servische minderheden werden uitgesloten van overleg over de Grondwet van Kosovo.
Ongeveer eenderde van de Roma, de Ashkali en de Egyptenaren in Kosovo waren naar verluidt niet als burgers of vaste ingezetenen geregistreerd, waardoor ze hun huizen niet terug konden krijgen. Veel kinderen, vooral meisjes, gingen niet naar school of maakten de school vaak niet af. Veel gezinnen konden geen gezondheidszorg betalen. Zo’n zevenhonderd Roma waren nog steeds ontheemd en leefden in kampen in het noorden van Mitrovica, sommigen op locaties waar hun gezondheid ernstig werd aangetast door loodvervuiling.
Vluchtelingen en ontheemden in eigen land – terugkeer
Na het uitroepen van de onafhankelijkheid vluchtten Serviërs en andere niet-Albanezen niet weg uit Kosovo, zoals was gevreesd, maar slechts weinigen keerden gedurende het jaar terug. Zo’n 445 mensen die ontheemd waren in eigen land keerden terug naar hun huizen; hieronder waren 107 Kosovaarse Serviërs.
Aan het einde van het jaar hadden verschillende lidstaten van de EU aangegeven dat mensen die tijdelijke bescherming genoten snel gedwongen zouden worden teruggestuurd naar Kosovo. De OVSE meldde dat er geen middelen beschikbaar waren voor de integratie van gerepatrieerde mensen: in september waren er bijvoorbeeld geen middelen beschikbaar in de gemeente Klina/Kline om het huis van een Roma-stel te herbouwen dat gedwongen was teruggestuurd vanuit Duitsland.
Veel andere mensen konden niet terugkeren naar hun huizen vanwege de achterstand van 29.000 zaken en 11.000 niet-uitgevoerde beslissingen met betrekking tot claims over bezittingen als gevolg van de oorlog van 1999.
Geweld tegen vrouwen en meisjes
In juli werd een nieuw Actieplan ter Bestrijding van Mensenhandel aangenomen. In november werden 98 bars of clubs aangemerkt als betrokken bij gedwongen prostitutie, maar mensenhandelaars zouden vrouwen naar particuliere woningen en escortservices hebben overgebracht om te voorkomen dat ze werden ontdekt. De KPS meldde een toename in het aantal slachtoffers van mensenhandel in eigen land. Weinig daders werden vervolgd, maar vrouwen die het slachtoffer waren van mensenhandel werden nog steeds gearresteerd wegens prostitutie.
In november meldde de CESCR het grote aantal gevallen van huiselijk geweld in Kosovo, het lage aantal vervolgingen en veroordelingen en het gebrek aan afdoende hulp en bescherming voor de slachtoffers.
Rapporten van Amnesty International
- Kosovo (Serbia): The challenge to fix a failed UN justice mission (EUR 70/001/2008)
- Serbia: Submission to the UN Universal Periodic Review (EUR 70/006/2008)


