JAARBOEK MEXICO 2003
Betreft informatie over 2002
De Mexicaanse regering herhaalde haar belofte om de mensenrechten in binnen- en buitenland te beschermen en te bevorderen. Niettemin waren er talloze berichten over willekeurige detentie, marteling en mishandeling in heel Mexico. Er kwamen nieuwe berichten binnen over bedreiging en belastering van mensenrechtenactivisten in verscheidene deelstaten. Het onderzoek naar de moord op een vooraanstaande mensenrechtenactivist duurde voort. De regering sprak met mensenrechtenactivisten over het nemen van maatregelen om mensenrechtenschendingen tegen te gaan. Er waren een aantal berichten over buitengerechtelijke executies en ten minste één persoon zou zijn “verdwenen”. Een Speciale Aanklager stelde onderzoeken in naar mensenrechtenschendingen uit het verleden. Generaal José Francisco Gallardo, een langgestrafte gewetensgevangene, werd vrijgelaten. Inheemse gemeenschappen bleven het doelwit van geweld en marginalisering. Dertien internationale verdragen werden geratificeerd, maar een voorbehoud bij het Inter-Amerikaans Verdrag inzake Gedwongen Verdwijningen van Personen werkte straffeloosheid in de hand.
Lees hier de Engelstalige jaarboektekstAchtergrond
Archief jaarboek
Achtergrond
In het tweede jaar van de ambtstermijn van president Fox richtte het binnenlands beleid zich op harmonisatie van nationale wetgeving met internationaal recht, samenwerking met internationale organisaties, en het tot stand brengen van een dialoog met de burger. Binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken werd een mensenrechteneenheid opgezet. Er werd nog altijd overleg gevoerd over de hervorming van het staatsbestel teneinde de mensenrechten beter te waarborgen, ofschoon eind 2002 nog geen definitieve voorstellen in deze richting waren gedaan. De meeste van de 31 Mexicaanse deelstaatregeringen, onder wier jurisdictie vele mensenrechtenschendingen werden begaan, pakten mensenrechtenschendingen niet echt aan. Ondanks initiatieven van de federale regering bleven de onderliggende oorzaken van mensenrechtenschendingen onaangeroerd.
In internationaal verband speelde de Mexicaanse regering een belangrijke rol bij het op de agenda zetten van mensenrechtenkwesties. De regering handhaafde haar steun aan het Internationaal Strafhof, en zette stappen om het Statuut van Rome te ratificeren. De Senaat verbond echter een aantal voorwaarden aan haar goedkeuring voor de ratificatie, die in de praktijk het werk van het Strafhof zouden kunnen verhinderen en zouden neerkomen op een schending van Mexico’s verplichtingen onder internationaal recht.
INTERGOUVERNEMENTELE ORGANISATIES
Speciale VN-Rapporteurs en de Werkgroep inzake Willekeurige Detentie legden verscheidene bezoeken af aan Mexico. Ook de Speciale Rapporteur inzake de Rechten van Vrouwen en de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens (IACHR) bezochten het land. Vertegenwoordigers van de rechterlijke en wetgevende macht probeerden het rapport van de Speciale VN-Rapporteur inzake de Onafhankelijkheid van Rechters en Advocaten in diskrediet te brengen.
De cruciale tweede fase van het Technisch Samenwerkingsprogramma met de Hoge VN-Commissaris voor de Rechten van de Mens werd doorlopen. In december gaf de Senaat zijn goedkeuring aan de oprichting van een Bureau van de Hoge Commissaris om toe te zien op de implementatie van het programma.
RECHTSPLEGING
Belangrijke instituties op landelijk en deelstaatniveau, zoals de politie, het leger, het openbaar ministerie en de rechterlijke macht, waren dikwijls direct verantwoordelijk voor mensenrechtenschendingen of droegen er indirect aan bij door schendingen toe te staan of niet doelmatig te onderzoeken. De Nationale Commissie voor de Mensenrechten en de Deelstaatcommissies voor de Mensenrechten slaagden er niet in fundamentele mensenrechten afdoende te waarborgen of de autoriteiten ter verantwoording te roepen. De grondige wijzigingen in de structuur en werkwijze van deze instituties, bedoeld om transparantie, verantwoordelijkheid en naleving van internationale normen op het gebied van de mensenrechten te garanderen, bleven achterwege.
WILLEKEURIGE DETENTIE, MARTELING EN MISHANDELING
Politie, leger en het openbaar ministerie in deelstaten en op federaal niveau bedienden zich veelvuldig van willekeurige detentie, mishandeling en marteling. In een aantal gevallen overleden gedetineerden als gevolg van marteling. Rechters wisten beschuldigingen van onder dwang verkregen bekentenissen niet op waarde te schatten, hetgeen het gebruik van marteling als onderzoeksmethode in de hand werkte. Dubieuze veroordelingen op grond van afgedwongen bekentenissen kwamen veel voor. Geen enkele functionaris werd vervolgd wegens marteling. De buitensporige en onverantwoorde bevoegdheden van het openbaar ministerie in deelstaten en op federaal niveau maakten het vrijwel onmogelijk berichten over schendingen geloofwaardig en onafhankelijk te onderzoeken, waardoor slachtoffers geen rechtsbescherming kregen en daders vrijuit gingen.
Op 29 maart overleed Guillermo Vélez Mendoza luttele uren nadat hij door agenten van het bureau van de procureur-generaal (Procuraduría General de la República, PGR) was gearresteerd in verband met een aantal ontvoeringen. Het eerste autopsierapport gaf aan dat hij was overleden als gevolg van marteling. Een door de procureur-generaal gelast onderzoeksrapport stelde echter dat hij was overleden na ten val te zijn gekomen bij een ontsnappingspoging. De ongerechtigheden in het onderzoek ondermijnden de geloofwaardigheid ervan en onderstreepte de tekortkomingen van officiële onderzoeken naar dergelijke incidenten.
In januari, na een gewapende overval in de deelstaat Chiapas, werden Miguel Angel Gómez, Andrés Gómez Luna en Mariano Cruz Hernández gedetineerd en naar verluidt in het bijzijn van medewerkers van het openbaar ministerie in Chiapas gemarteld door leden van de gerechtelijke politie om bekentenissen af te dwingen.
MENSENRECHTENACTIVISTEN EN JOURNALISTEN
Er waren opnieuw berichten over het bedreigen, lastigvallen en zwart maken van mensenrechtenactivisten. Na gesprekken met de federale regering kreeg een aantal activisten bescherming, ofschoon er vraagtekens bleven bij de doelmatigheid van deze maatregelen. Deelstaatautoriteiten namen geen doeltreffende maatregelen. Onderzoeken naar deze en eerdere bedreigingen aan het adres van activisten liepen vast, hetgeen bijdroeg aan een klimaat van straffeloosheid. Er waren berichten over journalisten die werden bedreigd of vervolgd wegens smaad omdat ze corruptie of mensenrechtenschendingen aan de kaak hadden gesteld.
De moord op mensenrechtenadvocate Digna Ochoa in oktober 2001 was eind 2002 nog niet opgehelderd. De kwaliteit van het officiële onderzoek werd herhaaldelijk in twijfel getrokken; het onderzoeksteam zou informatie over de zaak hebben gelekt waarin de suggestie werd gewekt dat ze zelfmoord had gepleegd. Eind 2002 werd een nieuwe aanklager op de zaak gezet en was er sprake van een bezoek door IACHR-deskundigen om het bewijs te beoordelen.
In januari werden schoten afgevuurd op het huis van de voorzitter van de Commissie voor de Mensenrechten van de deelstaat Chiapas, Pedro Raul López. In oktober werd hij naar verluidt gemolesteerd door drie gewapende mannen die hem waarschuwden dat de commissie moest ophouden kritiek te leveren op de mensenrechtenverdiensten van de lokale autoriteiten.
GEWETENSGEVANGENE VRIJGELATEN
In februari werd gewetensgevangene generaal Gallardo vrijgelaten nadat de president opdracht had gegeven zijn straf terug te brengen tot de tijd die hij reeds had uitgezeten. Er werd geen onderzoek ingesteld naar misstanden in het rechtssysteem die ertoe hadden geleid dat hij ruim acht jaar lang gevangen had gezeten.
MISSTANDEN IN HET RECHTSSYSTEEM
Er waren berichten over misbruik van het rechtssysteem, met name op deelstaatniveau, waar sociale activisten langdurig in voorarrest zaten en buitensporig lange gevangenisstraffen opgelegd kregen. Infrastructurele- en ontwikkelingsprojecten leidden tot sociale onrust. Ook was er bezorgdheid over de mogelijke gevolgen voor lokale gemeenschappen van projecten in het kader van het Plan Puebla Panamá, een ontwikkelingsplan voor de zuidelijke deelstaten van Mexico en Midden-Amerika.
In februari annuleerde president Fox de twintigjarige gevangenisstraffen van Aurelio Guzmán Mateo en Leocadio Ascencio Amaya, twee inheemse vissers uit Pátzcuaro (deelstaat Michoacan). Ze waren in 2000 veroordeeld wegens hun aandeel in protesten tegen het inperken van de visgronden in hun gemeenschap. De gerechtelijke procedure die leidde tot hun oorspronkelijke veroordeling werd niet aan een onderzoek onderworpen.
De dreigende onteigening van gemeentelijk land voor de aanleg van een nieuwe luchthaven in Atenco (deelstaat Mexico) leidde tot detenties, gewelddadige botsingen tussen politie en demonstranten en berichten over mishandeling en buitensporig gebruik van geweld.
In augustus en oktober werden demonstranten gedetineerd die protesteerden tegen plannen om een milieubelastend project, Casino de la Selva, te ontwikkelen in Cuernavaca (deelstaat Morelos), naar verluidt met buitensporig gebruik van geweld.
BUITENGERECHTELIJKE EXECUTIES EN “VERDWIJNINGEN”
Ook in 2002 vonden talloze buitengerechtelijke executies en “verdwijningen” plaats, die voornamelijk gericht waren tegen criminele verdachten of directe criminele doeleinden dienden. Straffeloosheid werd in de hand gewerkt door de nauwe banden tussen onderzoeksautoriteiten en de agenten die betrokken waren bij dergelijke schendingen.
In maart zou Jesús Angel Gutiérrez Olvera door de Federale Gerechtelijke Politie zijn gedetineerd in verband met een aantal ontvoeringen. Ondanks officiële onderzoeken bleef zijn verblijfplaats onbekend. Een mensenrechtenactivist die zich met de zaak bezig hield werd telefonisch bedreigd en op intimiderende wijze geschaduwd.
STRAFFELOOSHEID
In januari werd een Speciale Aanklager benoemd aan het hoofd van de eenheid die onderzoek deed naar eerdere misdrijven tegen leden van politieke en sociale bewegingen. De nieuwe aanklager heropende een aantal zaken nadat hij klachten van slachtoffers had ontvangen, die onder meer betrekking hadden op meer dan vijfhonderd “verdwijningen” in de afgelopen drie decennia. Een aantal getuigen en gedaagden, onder wie een voormalige president, werd gehoord. Eind 2002 was er geen duidelijke aanwijzing dat er vooruitgang was geboekt bij de onderzoeken. Er bestond bezorgdheid over de beperkte middelen waarover de eenheid beschikte, het gebrek aan onafhankelijkheid ten opzichte van de procureur-generaal en het feit dat ze geen jurisdictie had opgeëist in belangrijke zaken waarbij het leger betrokken was.
De rol van de strijdkrachten bij burgerlijk politieoptreden bleef een punt van zorg. Hoge legerofficieren vervulden nog altijd sleutelfuncties binnen het openbaar ministerie en militaire rechters bleven functionarissen vrijwaren van vervolging wegens mensenrechtenschendingen. Het voorbehoud dat werd aangebracht bij het Inter-Amerikaans Verdrag inzake Gedwongen Verdwijningen van Personen versterkte de rol van de militaire rechtspraak. Het Opperste Gerechtshof had eind 2002 nog geen uitspraak gedaan in een geding waarbij de rechtmatigheid van het voorbehoud werd aangevochten.
INHEEMSE GEMEENSCHAPPEN
Inheemse gemeenschappen bleven het slachtoffer van marginalisering en discriminatie. Het Opperste Gerechtshof verwierp officiële protesten tegen controversiële wetgeving inzake de rechten van inheemse volken, die in 2000 was aangenomen door het Congres en alom werd bekritiseerd omdat erkenning en bescherming van de rechten van inheemse gemeenschappen erin feitelijk niet werden vastgelegd. Doordat de wetgeving de met het Zapatistisch Nationaal Bevrijdingsleger (Ejército Zapatista de Liberación Nacional, EZLN) gemaakte afspraken niet weerspiegelde, laaide de onrust op in Chiapas, waar het conflict voortduurde. Het leger bleef met veel manschappen aanwezig in de deelstaat en er bleven berichten over aanvallen en bedreigingen door gewapende burgergroeperingen of zogenaamde paramilitairen die kennelijk opereerden met de bescherming of oogluikende goedkeuring van plaatselijke of gemeentelijke autoriteiten.
Op 7 augustus werd José López Santís, een leider van de autonome Zapatista-gemeenschap 6 de Agosto, door drie gewapende mannen doodgeschoten.
Gedurende het jaar werden verscheidene leden van de paramilitaire groepering Justicia y Paz gedetineerd en nog eens negentien mensen veroordeeld tot gevangenisstraffen in verband met de massamoord in 1997 op 45 leden van de inheemse gemeenschap Acteal.
In de deelstaten Oaxaca en Guerrero zouden gewapende groeperingen of lokale functionarissen, gesteund door plaatselijke politieke kopstukken, dissidente facties binnen de gemeenschap hebben bedreigd of aangevallen. De deelstaatautoriteiten zouden dergelijke acties niet hebben tegengehouden of onderzocht, hetgeen bijdroeg aan een klimaat van straffeloosheid.
Op 2 mei werden 26 inheemse mensen neergeschoten in de gemeente Santiago Textitlán (Oaxaca). De deelstaatautoriteiten hadden naar verluidt waarschuwingen over ophanden zijnd geweld niet serieus genomen. Na de massamoord werden massale arrestaties verricht in een naburige gemeenschap; ook zouden gedetineerden zijn gemarteld om bekentenissen af te dwingen.
GEWELD TEGEN VROUWEN
Er bleef bezorgdheid bestaan over het feit dat de autoriteiten verzuimden de zaken van vermoorde en “verdwenen” vrouwen in Ciudad Juarez, en Chihuahua (deelstaat Chihuahua) grondig te onderzoeken. Er waren meer berichten over moorden, “verdwijningen” en de ontdekking van menselijke resten. Op 2 februari werd Mario Escobedo Anaya, de advocaat van een van de personen die was aangeklaagd wegens de moorden, gedood door agenten van de gerechtelijke deelstaatpolitie, die later door een rechter van iedere blaam werden gezuiverd omdat ze uit noodweer zouden hebben gehandeld. Journalisten en familieleden van slachtoffers die de zaken onder de aandacht wilden brengen, werden lastiggevallen.
Ten minste twee inheemse vrouwen zouden tijdens verzetsbestrijdingsoperaties in de deelstaat Guerrero zijn verkracht door militairen.
Op 16 februari werd een zeventienjarige vrouw naar verluidt verkracht door leden van het 41e Bataljon in de buurt van haar huis in Barranca Bejuco, in de gemeente Ayutla. De arts in een plaatselijke kliniek weigerde haar verwondingen in een rapport vast te leggen uit vrees voor vergelding door het leger, en ze moest zes uur verder reizen naar Ayutla voor medische behandeling. Ondanks officiële protesten door mensenrechtenorganisaties werd de zaak in handen gegeven van een militaire aanklager.
BEZOEK AMNESTY INTERNATIONAL
Afgevaardigden van Amnesty International bezochten het land in juli, en reisden naar Oaxaca, Guerrero en Chiapas


