De koopman, de dominee en de stroman
Reactie Lars van Troost,hoofd politieke zaken en persvoorlichting bij Amnesty Nederland
Wat vinden deskundigen van het (al dan niet nieuwe) mensenrechtenbeleid van minister Rosenthal? Wordt Vervolgd peilde de meningen in ‘het circuit’.
Minister Rosenthal wil realist zijn in de buitenlandse betrekkingen, geen idealist. Over mensenrechten heeft hij, sinds zijn aantreden, een duidelijke boodschap: geen getuigenispolitiek, geen vrome woorden. Effectiviteit staat voorop en selectiviteit is daartoe geboden. Rosenthal wekte de verwachting van een trendbreuk. Maar waren zijn voorgangers echt zulke ineffectieve mensenrechtenpredikers?
Maxime Verhagen (CDA) was minister van Buitenlandse Zaken tussen 2007 en 2010. Hij had een ambitieuze mensenrechtenstrategie. Zijn motto was: mensenrechten voor iedereen, altijd en overal. Hij zei erbij: de koopman en de dominee gaan prima samen. Volgens de laatste rapportage van het ministerie van Buitenlandse Zaken over zijn brede mensenrechtenbeleid zou Verhagen zeer effectief zijn geweest (in 2009 waren 83 van de 102 strategische doelstellingen bereikt). Tenzij Rosenthal die zelfrapportage van Verhagen in twijfel trekt, vindt de huidige minister bij zijn voorganger geen aanleiding voor een ‘selectiever’ mensenrechtenbeleid.
Tussen 2003 en 2007 zwaaide Ben Bot (CDA) de scepter over het ministerie. Bot staat bekend als een bekwaam diplomaat, niet als een dominee. Amnesty International karakteriseerde Bot ooit als hekkensluiter waar het om de bevordering van mensenrechten ging.
Tussen 1998 en 2002 werd het ministerie bestierd door Jozias van Aartsen (VVD). In 2001 presenteerde hij een mensenrechtennotitie waarin de vraag centraal stond ‘hoe ons beleid effectiever kan worden ingebed en ingezet’. De normen zijn bekend, stelde Van Aartsen, het gaat om de toepassing. Dat klinkt eerder technocratisch dan moraliserend. Als burgemeester van Den Haag is Van Aartsen tegenwoordig druk met de promotie van de hofstad als juridische hoofdstad van de wereld en stad van recht en vrede. Daaraan liggen vooral economische motieven ten grondslag. Den Haag wil internationale organisaties aantrekken, want dat stimuleert de gemeentelijke economie. Met ‘city marketing’ is niets mis, maar het is niet het idealisme waartegen minister Rosenthal zich verzet. Sterker, het past precies in zijn beleid dat zeer uitdrukkelijk aandacht heeft voor het nationale economische belang.
Misschien kijkt Rosenthal naar een verder verleden waarin het mensenrechtenbeleid in domineeshanden gelegen zou hebben. Dan blijven er twee gezichtsbepalende ministers over. Hans van den Broek (CDA) leidde het ministerie tussen 1982 en 1993. In het standaardwerk over de buitenlandse politiek van Nederland schrijft Duco Hellema (hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen): ‘Het is de vraag of het mensenrechtenbeginsel in de jaren tachtig tot een werkelijke wijziging van de Nederlandse buitenlandse politiek heeft geleid. In verschillende gevallen leek de toepassing ervan uit te monden in gebruikelijke politieke oordelen. Dat betrof met name de principiële afwijzing van de communistische staten.’
Max van der Stoel (PvdA) was van 1973 tot 1977 en tussen 1981 en 1982 minister van Buitenlandse Zaken. Hij staat bekend als mister human rights. Onder zijn bewind werd de grondslag gelegd voor de nota De rechten van de mens in het buitenlands beleid. Zijn opvolger Chris van der Klaauw (VVD) tekende in 1979 uiteindelijk voor de nota die de grondslag was voor het beleid van opeenvolgende Nederlandse regeringen. Om redenen van geloofwaardigheid maakte zowel Van der Stoel als Van der Klaauw non-selectiviteit tot uitgangspunt van hun mensenrechtenbeleid, ook al was de praktijk vooral bij die laatste soms anders. Minister Van der Stoel was niet wars van openlijke contacten met mensenrechtenactivisten en dissidenten, zoals Charta 77 in Tsjecho-Slowakije, noch van openlijke en harde kritiek op andere regeringen, waaronder de Sovjet-Russische en de Chileense dictatuur. De grenzen van het diplomatieke protocol waren daarbij voor hem niet heilig. Maar ook voor Van der Stoel telde niet het mooie woord, maar het resultaat. Bij zijn dood roemde minister Rosenthal zijn voorganger vanwege diens resultaten op het gebied van de mensenrechten, niet om diens preken.
Misschien is de dominee gewoon een stroman. Een figuur waartegen het makkelijk argumenteren is, maar die niet bestaat, behalve als retorische figuur. Het is te hopen dat minister Rosenthal in het debat met de Tweede Kamer over zijn nieuwe mensenrechtenbeleid dominees, koopmannen en stromannen thuis laat. Een presentatie van concrete doelstellingen en het benoemen van kansen en hindernissen die hij voorziet, een beter begin van een serieus debat tussen regering en parlement zijn.
Lees de brief die Amnesty International stuurde aan de Tweede kamer
Reactie Egbert Myjer, rechter bij het EHRM in Straatsburg
‘Ik ben er nog steeds erg verbaasd over dat Rosenthal in zijn notitie schrijft dat het Hof geen uitspraken moet doen in zaken die slechts op perifere wijze verband houden met mensenrechten. Als je alleen al beziet over welke onderwerpen het Hof het afgelopen jaar arrest heeft gewezen – ongeveer 1.500 arresten, naast ongeveer 38.500 niet-ontvankelijkheden – dan heb ik de neiging eenieder uit te dagen om mij te vertellen hoeveel van die arresten werkelijk perifeer zijn.
Dus Rosenthal vindt de Britse zaak over het kiesrecht van gedetineerden (zie het interview) perifeer? Het gaat wel over een – nota bene politiek – belangrijk mensenrecht! Ons Hof oordeelde in die zaak dat het niet past om bij een strafrechtelijke vrijheidsbeneming automatisch dat recht te laten vervallen. Daarmee zeiden we dus niet dat alle gedetineerden stemrecht moeten hebben.
Vorig jaar was de Nederlandse regering nog positief over het Hof. Toenmalig premier Balkenende sprak lovende woorden nadat de Nederlandse overheid het Hof had onderscheiden met de prestigieuze Four Freedoms Award. Dat was nog eens wat anders dan het gebruik van het woord “perifeer”. Gelukkig heeft de Eerste Kamer onlangs met een ruime meerderheid een motie aangenomen waarin die term als “onjuist en niet passend” werd aangeduid.’
