Home > De bibliotheek: Boeken en bladen > Amnesty-energie in armoedebestrijding? ‘Dood- en doodzonde’
Banner
Amnesty.nl Homepage
© Amnesty International

AMNESTY-ENERGIE IN ARMOEDEBESTRIJDING? ‘DOOD- EN DOODZONDE’

Door Pieter van de Blink - Uit Wordt Vervolgd, februari 2010

Op het moment dat een verhitte discussie gaande is over de rol van Amnesty in het armoededebat, komt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid met een rapport over de toekomst van ontwikkelingshulp. WRR-lid Peter van Lieshout: ‘Amnesty moet niet verder willen springen dan de polsstok lang is.’

Minder pretentie, meer ambitie

Rondom het vertrek van Irene Khan, die als secretaris-generaal het boegbeeld was van het ‘nieuwe Amnesty’, is de discussie over Amnesty’s werkterrein weer hoog opgelaaid. Moet de beweging méér doen dan waar zij bekend om staat: het verdedigen van politieke en burgerrechten? Is armoedebestrijding een taak van Amnesty? Juist op dit moment komt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) met een rapport over de toekomst van de ontwikkelingshulp, met veel aandacht voor armoedebestrijding. Onder de titel Minder pretentie, meer ambitie biedt het goede aanknopingspunten voor de koersbepaling van Amnesty.

Hoogleraar en lid van de WRR Peter van Lieshout, namens deze Raad verantwoordelijk voor het rapport, heeft zich voor dit gesprek verdiept in Irene Khans net verschenen boek Een ongehoorde waarheid over de relatie tussen armoede en mensenrechten. Over de rol die Amnesty zou kunnen vervullen bij de armoedebestrijding wil hij graag praten. De vraag gaat hem aan het hart. Want, zegt hij, ‘Amnesty International is een organisatie hors concours, met een breed draagvlak en een enorme toegevoegde waarde.’

De aanbevelingen uit het rapport zijn bedoeld voor de Nederlandse regering, maar ook de rol van non-gouvernementele organisaties komt expliciet aan de orde in Van Lieshouts rapport. Zij zijn immers al decennialang vaste medespelers van de overheid op het terrein van ontwikkelingshulp en armoedebestrijding.

‘Er spelen drie vragen die voor Amnesty van belang zijn’, zegt Van Lieshout, vlak voor de verschijning van zijn rapport op 18 januari. ‘Ten eerste: wat is het nut van armoedebestrijding? Ten tweede: is de benadering van armoedebestrijding via de mensenrechten mogelijk? En ten derde: is dat een verstandige strategie voor Amnesty? Op alledrie die punten ben ik zeer terughoudend.’
Dan steekt hij van wal. Hij laat zich niet voorstaan op zijn kennis, spreekt met geen woord over zijn wereldomspannende reizen voor dit rapport (tot een unembedded bezoek aan Afghanistan toe), refereert niet aan zijn filosofische achtergrond noch aan zijn eigen ervaringen als topambtenaar op diverse ministeries. Toch klinkt al die bagage mee.

Van Lieshouts rapport beschrijft de historische ontwikkeling dat armoedebestrijding steeds meer op de voorgrond is komen te staan binnen het domein van ontwikkelingssamenwerking, onder meer door toedoen van de media. ‘Waterpompen, latrines, schooltjes, dokters’ doen het beter op televisie dan iets abstracts als toegang tot de kapitaalmarkt.

Van Lieshout: ‘Die verschuiving van de hulp in de richting van armoedebestrijding leidt nu tot een conclusie als die van de spraakmakende Zambiaanse econome Dambisa Moyo dat het alleen maar pappen en nathouden is. Armoedebestrijding is een moreel appel maar zelfredzaamheid bevorderen is belangrijker.’
Het bevorderen van zelfredzaamheid, empowerment, is een van de manieren waarop Amnesty zich binnen de armoedebestrijding wil manifesteren. Van Lieshout is er niet enthousiast over. ‘In ons rapport constateren wij dat organisaties als Cordaid en Novib daar nu al vol op inzetten. Zij hebben de affiniteit met armoedebestrijding. Amnesty zou daar dus het vijfde wiel aan de wagen zijn.’

Zo komt Van Lieshout op de tweede vraag die hij aan de orde wil stellen: heeft een benadering van armoedebestrijding via mensenrechten zin? Wat is de kracht ervan? Van Lieshout: ‘Irene Khan ging heel ver in de kwesties waarbij ze een rol voor Amnesty zag: het recht op veilig moederschap, het recht op veiligheid, het recht om in de stad te wonen. Waar dat ophoudt is mij niet helder. Bij het recht op geluk voor iedereen? Amnesty moet niet verder willen springen dan de polsstok lang is.’ Hij vervolgt: ‘Dat iets in een VN-verdrag is vastgelegd, zegt niks zolang er geen boter bij de vis wordt geleverd. Wat is de winst van het in stelling brengen van het zware geschut van de mensenrechten op dit terrein? Je kan er een groepsgevoel mee creëren, verder niks. Dat je een ideologisch 100 procent kloppend luchtkasteel hebt gebouwd is mooi, maar loos. Kijk naar de Verenigde Naties, die hebben om die reden veel functieverlies geleden de afgelopen twintig jaar. Je moet je normatieve instrumentarium kiezen in overeenstemming met de doelen die je wilt bereiken.’

Daarbij komt dat armoedebestrijding altijd de kunst van het hoogst haalbare is, in tegenstelling tot de strijd tegen de doodstraf of marteling. Daar kan een organisatie categorisch tegen zijn. Terwijl de VN-Millenniumdoelen bijvoorbeeld streven naar een halvering van de honger in 2015. Van Lieshout: ‘Zolang je aanvaardt dat 50 procent dus nog wel honger lijdt, is het kennelijk geen schending van mensenrechten, want dan zou alleen 100 procent aanvaardbaar zijn.’

De laatste vraag die Van Lieshout aan de orde wilde stellen, of het voor Amnesty zinvol is om zich op het pad van de armoedebestrijding te begeven, wordt in het rapport met een luid en duidelijk nee beantwoord. Maar de strekking van het betoog is dat al te veel organisaties zich met armoedebestrijding bezighouden, zonder dat ze allemaal even goed weten wat ze doen en waarom. (Zie kader)

‘Dood- en doodzonde’ noemt Van Lieshout het dat Amnesty energie wil steken in armoedebestrijding. ‘Amnesty heeft zo’n hoog aanzien, zowel ter rechter- als ter linkerzijde in het politieke spectrum. Die status is verworven op basis van Amnesty’s core business, het opkomen voor politieke en burgerrechten. Dat moet je niet weggooien.’

Dat neemt niet weg dat Van Lieshout ruimte ziet voor Amnesty om als mensenrechtenorganisatie iets te doen om de levensomstandigheden van groepen te verbeteren. ‘Het is belangrijk voor een land in ontwikkeling om een middenklasse te hebben die groot genoeg is om niet te worden opgesloten door een regime. Maatschappelijke ontwikkeling gaat altijd via de middenklasse. Amnesty heeft steeds de elite gesteund. Het zou naar die middenklasse kunnen kijken, dan doet Amnesty datgene waar ze ervaring in heeft en waar ze onaantastbaar in is. Uit de middenklasse van vandaag staan morgen de nieuwe leiders van een land op. Een goed voorbeeld is de Braziliaanse president Lula, die ICCO nog altijd dankbaar is voor de steun die hij kreeg toen hij nog stakingsleider in Sao Paulo was.’

Reageren? wordtvervolgd@amnesty.nl
Ga naar boven

Minder pretentie, meer ambitie
Het net verschenen rapport Minder pretentie, meer ambitie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) leest als een geschiedenis van de ontwikkelingshulp, uitmondend in een kritische analyse van de huidige situatie. ‘Het impliciete idee dat in het Westen al meer dan zestig jaar wordt aangehangen, is het idee dat hulp altijd goed is. Was het maar zo simpel. Het effect van hulp is zeker niet per definitie positief’, stelt het rapport.
De WRR is ingesteld om de overheid (gevraagd of ongevraagd) van advies te dienen op een wetenschappelijke grondslag. De rapporten van de Raad kenmerken zich traditiegetrouw door een onafhankelijke, eigen toon.

Het scala aan aanbevelingen in Minder pretentie, meer ambitie behelst onder meer een geheel nieuwe werkwijze inzake ontwikkelingssamenwerking en een verschuiving van de aandacht van de gebieden waarop Nederland nu veel doet terwijl het er relatief weinig van af weet (lager onderwijs) naar terreinen waar Nederland specifieke expertise in huis heeft maar juist weinig aan doet (landbouw). In de marge daarvan staan algemenere observaties als: ‘De VN [is] op het terrein van ontwikkelingshulp altijd eerder een bron van ideeën dan een machtige politieke factor geweest’ en ‘Hulp uit China [is] altijd onderdeel van een bredere economische overeenkomst en [wordt] geregeld door het ministerie van Handel.’

Over de rol van een ngo als Amnesty stelt het rapport: ‘De paradox is dat een kritische “waakhondfunctie” alleen zin heeft als er een functionerende staat bestaat en als die op den duur ook bereid en in staat is om te veranderen.’

Lees het rapport op www.amnesty.nl/wordtvervolgd
Ga naar boven


Vrijdag 12 maart 2010
Bekijk sitemap
Zoeken