Home > De bibliotheek: Landeninformatie > Voorwoord Jaarboek 2008: Geschonden beloften
'Ongelijkheid en straffeloosheid drukken nog steeds een stempel op de wereld van vandaag' |
VOORWOORD JAARBOEK 2008: GESCHONDEN BELOFTEN
Door Amnesty International
Geschonden beloften
Een deerniswekkende reputatie
Opkomende mogendheden
Scheppen van een nieuwe gezamenlijke vastberadenheid
Uiteraard is er veel vooruitgang geboekt, internationaal, regionaal en nationaal, in het ontwikkelen van mensenrechtenstandaarden, -systemen en -instellingen. Op basis hiervan is er veel verbeterd in grote delen van de wereld. Tegenwoordig worden de mensenrechten in meer landen dan ooit tevoren grondwettelijk en wettelijk beschermd. Slechts een handvol landen zal de internationale gemeenschap openlijk het recht ontzeggen om hun mensenrechtenreputatie kritisch onder de loep te nemen. Het jaar 2007 was het eerste jaar waarin de VN-Mensenrechtenraad het hele jaar actief was. Via de VN-Mensenrechtenraad zijn alle lidstaten van de VN ermee akkoord gegaan dat hun prestaties op het gebied van de mensenrechten openlijk worden besproken.
Maar ondanks al deze goede ontwikkelingen blijft het een feit dat onrecht, ongelijkheid en straffeloosheid nog steeds een stempel drukken op de wereld van vandaag.
In 1948 toonden wereldleiders uitzonderlijk leiderschap toen ze samen de UVRM aannamen. Lidstaten van de net opgerichte Verenigde Naties gaven blijk van een vooruitziende blik en van moed door te geloven in wereldomspannende waarden. Ze waren zich sterk bewust van de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en van de grimmige realiteit van de beginnende Koude Oorlog. Hun visie werd niet beperkt door de gebeurtenissen in Europa alleen. Het jaar 1948 was ook het jaar waarin Birma onafhankelijk werd, Mahatma Gandhi werd vermoord en de apartheidwetten in Zuid-Afrika werden geïntroduceerd. Grote delen van de wereld leden nog steeds onder het juk van kolonisatie.
De opstellers van de UVRM handelden vanuit de overtuiging dat alleen een multilateraal systeem van globale waarden, gebaseerd op gelijkheid, rechtvaardigheid en rechtsorde, de uitdagingen van de toekomst kon doorstaan. Ze toonden waarachtig leiderschap en weerstonden de druk vanuit rivaliserende politieke kampen. Ze verwierpen elke hiërarchie tussen het recht op vrije meningsuiting en het recht op onderwijs, het recht om niet te worden gemarteld en het recht op sociale zekerheid. Ze erkenden dat de universaliteit van mensenrechten (elke persoon wordt vrij en gelijk geboren) en hun ondeelbaarheid (aan alle rechten, of het nu economische, sociale, burger-, politieke of culturele rechten zijn, moet in gelijke mate worden voldaan) de basis vormen voor onze collectieve veiligheid en onze gemeenschappelijke humaniteit.
In de jaren die volgden maakte vooruitziend leiderschap plaats voor kleingeestige politieke belangen. Terwijl de twee ‘supermachten’ zich in een ideologische en geopolitieke strijd stortten om hun oppermacht te bewijzen, werden de mensenrechten een spel dat verdeeldheid zaaide. De ene partij schond burgerrechten en politieke rechten, terwijl de andere partij economische en sociale rechten lager op de agenda zette. Mensenrechten werden gebruikt als instrument om strategische doelen te bereiken, in plaats van om de waardigheid en het welzijn van mensen te bevorderen. Landen die net onafhankelijk waren geworden raakten verstrikt in de strijd tussen de supermachten. Ze worstelden om een democratie en rechtsorde op te zetten of lieten dit maar helemaal varen en kozen in plaats daarvan voor een autoritair systeem.
Met het einde van de Koude Oorlog nam de hoop voor de mensenrechten toe. Deze hoop werd echter weer teniet gedaan door etnische conflicten en de ineenstorting van landen, met als gevolg een stroom van humanitaire crises met massale en wrede mensenrechtenschendingen. Ondertussen hadden in veel delen van de wereld corruptie, slecht bestuur en wijdverbreide straffeloosheid voor mensenrechtenschendingen de overhand.
Toen we de 21ste eeuw binnenstapten, veranderde als gevolg van de terroristische aanslagen van 11 september 2001 het debat over mensenrechten opnieuw in een verdeeldheid zaaiende en destructieve discussie tussen "westers" en "niet-westers", waardoor vrijheden werden beperkt en achterdocht, angst, discriminatie en vooroordelen werden gezaaid onder zowel regeringen als bevolkingen.
De kracht van de economische globalisering bracht nieuwe hoop, maar ook uitdagingen. Hoewel wereldleiders verklaarden zich in te zullen zetten voor de uitbanning van armoede, negeerden ze grotendeels de mensenrechtenschendingen die armoede veroorzaken en verergeren. De UVRM was nog steeds een papieren belofte.
Als we nu terugkijken is misschien nog het meest verrassend de gezamenlijke vastberadenheid waarmee de VN-lidstaten indertijd de UVRM zonder één tegenstem aannamen. De wereldleiders van nu, geconfronteerd met talrijke, dringende mensenrechtencrises, hebben geen gezamenlijke visie op de moderne uitdagingen op het gebied van mensenrechten in een wereld die steeds meer wordt bedreigd en waar de onveiligheid en ongelijkheid alleen maar toenemen.
Het politieke landschap is in zestig jaar sterk veranderd. Er zijn veel meer landen dan in 1948. Een aantal voormalige koloniën is in opkomst als spelers op het wereldtoneel, naast hun voormalige koloniale overheersers. Kunnen we verwachten dat de oude en de nieuwe mogendheden tot elkaar komen, zoals hun voorgangers in 1948 deden, en zich opnieuw gaan inzetten voor de mensenrechten? Het jaar 2007 was wat dat betreft niet bemoedigend. Zullen nieuwe leiders en druk van de burgermaatschappij in dit jubileumjaar tot veranderingen leiden?
Hoe inhoudsloos de oproep van de Amerikaanse regering voor democratie en vrijheid in andere landen was, bleek uit de aanhoudende steun voor de Pakistaanse president Musharraf, die duizenden advocaten, journalisten, mensenrechtenverdedigers en politieke activisten arresteerde omdat ze democratie, rechtsorde en een onafhankelijke rechterlijke macht eisten in Pakistan. Terwijl president Musharraf op onwettige wijze de noodtoestand afkondigde, de opperrechter ontsloeg en de hogere rechtbanken vulde met volgzamere rechters, rechtvaardigde de Amerikaanse regering haar steun voor hem als een “onmisbare” bondgenoot in de “oorlog tegen terrorisme”. De groeiende onveiligheid in de steden en de grensgebieden van Pakistan bewees echter dat het extremistisch geweld niet werd bedwongen door Musharrafs repressieve beleid, dat onder andere bestond uit gedwongen verdwijningen en willekeurige detentie. Integendeel, het heeft het ongenoegen alleen maar aangewakkerd, antiwesterse gevoelens versterkt en de kiem gelegd voor grotere instabiliteit in de regio. Het Pakistaanse volk heeft laten zien dat ze het beleid van president Musharraf sterk afwijzen, ondanks de Amerikaanse steun.
Het is essentieel voor de wereld dat de VS zich oprecht bezighouden met, en betrokken zijn bij, de mensenrechten, zowel in eigen land als daarbuiten. In november 2008 kiezen de Amerikanen een nieuwe president. Als de VS moreel gezag willen hebben als voorvechter van de mensenrechten, moet de nieuwe regering Guantánamo sluiten en de gedetineerden voor gewone federale rechtbanken berechten of hen vrijlaten. Ze moet de Wet op de militaire commissies intrekken en garanderen dat het internationaal humanitair recht en de mensenrechten worden gerespecteerd tijdens alle veiligheids- en militaire operaties. Ze moet bewijs verkregen door middel van dwang verbieden en elke vorm van marteling of andere vorm van mishandeling, voor welk doel dan ook, afkeuren. De nieuwe regering moet een uitvoerbare strategie voor internationale vrede en veiligheid opstellen. Ze moet autoritaire leiders niet langer steunen en investeren in de instellingen voor democratie, rechtsorde en mensenrechten die voor langdurige stabiliteit kunnen zorgen. En ze moet bereid zijn om het Amerikaanse isolement in het internationale mensenrechtensysteem te beëindigen en constructief samen te werken met de VN-Mensenrechtenraad.
Terwijl de Amerikaanse regering zich de afgelopen paar jaar heeft onderscheiden in het tarten van het internationaal recht, hebben Europese regeringen een neiging getoond met twee maten te meten. De Europese Unie (EU) beweert “een unie van waarden, verenigd door respect voor de rechtsorde, gevormd door gezamenlijke standaards en eensgezindheid, toegewijd aan tolerantie, democratie en mensenrechten” te zijn. Maar in 2007 kwamen er nieuwe bewijzen aan het licht dat een aantal lidstaten van de EU een oogje hadden dichtgeknepen of met de CIA hadden samengespannen bij de ontvoering, geheime detentie en illegale overdracht van gevangenen naar landen waar ze werden gemarteld en op andere wijze werden mishandeld. Ondanks herhaalde oproepen van de Raad van Europa heeft geen enkele regering de vergrijpen volledig onderzocht, eerlijk toegegeven wat er is gebeurd en/of toereikende maatregelen genomen om het gebruik van Europees grondgebied voor uitlevering en geheime detentie in de toekomst te voorkomen.
Integendeel, een aantal Europese regeringen heeft geprobeerd de uitspraak uit 1996 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin het terugsturen van verdachten naar landen waar ze zouden kunnen worden gemarteld wordt verboden, af te zwakken. Het hof sprak zich in 2007 uit in twee zaken die nog aanhangig waren, waarbij het absoluut verbod op marteling en andere vormen van mishandeling opnieuw werd bevestigd.
Terwijl veel mensen klagen over de overdreven regelgeving van de EU, maken weinigen zich druk over het gebrek aan EU-regels met betrekking tot mensenrechten in eigen land. De EU is namelijk niet in staat om haar eigen lidstaten ter verantwoording te roepen voor mensenrechtenkwesties die buiten de EU-wetgeving vallen. Het mandaat van het Agentschap voor Fundamentele Rechten, dat werd opgericht in 2007, is zo beperkt dat het geen echte verantwoording kan eisen. Terwijl de EU voor kandidaat-lidstaten de lat op het gebied van mensenrechten (terecht) hoog legt, kunnen deze landen, zodra ze lid zijn, de standaarden schenden met weinig of geen verantwoordelijkheid tegenover de EU.
Kunnen de EU of haar lidstaten China of Rusland oproepen de mensenrechten te respecteren als ze zelf medeplichtig zijn aan marteling? Kan de EU andere – veel armere – landen vragen hun grenzen open te houden terwijl haar eigen lidstaten de rechten van vluchtelingen en asielzoekers beperken? Kan de EU aandringen op tolerantie in andere landen terwijl ze er zelf niet in slaagt discriminatie tegen Roma, moslims en andere minderheden die binnen haar grenzen wonen, aan te pakken?
Net als in de VS zullen er in het komende jaar in de EU belangrijke politieke veranderingen plaatsvinden. Voor het Verdrag van Lissabon, dat in december 2007 door EU-regeringen is ondertekend, moeten nieuwe institutionele verbintenissen tussen de lidstaten worden gesloten. Verkiezingen en andere ontwikkelingen in een aantal belangrijke lidstaten zullen leiden tot nieuw politiek leiderschap. Dit biedt mogelijkheden voor actie op het gebied van de mensenrechten, zowel binnen de EU als wereldwijd.
Terwijl de VS en de EU hun mensenrechtenreputatie bezoedelen, neemt hun vermogen om anderen te beïnvloeden af. Het meest schrijnende voorbeeld van hun afzijdige houding op het gebied van mensenrechten was het geval Myanmar in 2007. De militaire junta trad met harde hand op tegen vreedzame demonstraties geleid door monniken, plunderde en sloot kloosters, confisqueerde en vernielde bezittingen, beschoot, sloeg en detineerde demonstraten, viel vrienden en familieleden lastig of hield hen gevangen als gijzelaars. De VS en de EU veroordeelden de acties in de strengste bewoordingen en verscherpten hun handels- en wapenembargo’s, maar dit had in de praktijk weinig tot geen invloed op de mensenrechtensituatie. Er zaten nog steeds duizenden mensen in detentie in Myanmar, onder wie ten minste zevenhonderd gewetensgevangenen, met als meest bekende de Nobelprijswinnares Aung San Suu Kyi, die twaalf van de afgelopen achttien jaar heeft doorgebracht onder huisarrest.
Net als in Myanmar slaagden westerse regeringen er ook in Darfur niet in om veel vooruitgang te boeken in de mensenrechtensituatie. Dankzij internationale verontwaardiging en uitgebreide publieke mobilisatie werd de naam Darfur in het geweten van de wereld gegrift, maar dit bracht nauwelijks verandering in het lijden van haar bevolking. Moord, verkrachting en geweld duurden onverminderd voort en als er al iets is veranderd, dan is het dat het conflict alleen maar complexer is geworden en een politieke oplossing nog verder weg is. Ondanks een serie resoluties van de VN-Veiligheidsraad moet de volledige inzet van een gezamenlijke troepenmacht van de Afrikaanse Unie en de VN nog van de grond komen.
Maar de houding van China is niet onveranderlijk of hardnekkig. In 2007 stemde het vóór de inzet van de gezamenlijke vredesmacht in Darfur, oefende het druk uit op Myanmar om een bezoek van de Speciale Gezant van de VN toe te staan en beperkte het z’n openlijke steun aan president Mugabe van Zimbabwe. Dezelfde factoren die er in het verleden toe leidden dat China relaties aanging met repressieve regimes, zouden nu wel eens de motivatie kunnen vormen om het beleid ten opzichte van deze regimes te wijzigen: de behoefte aan betrouwbare energiebronnen en andere natuurlijke hulpbronnen. Amnesty International en andere mensenrechtenorganisaties hebben lang gesteld dat landen met een slechte mensenrechtenreputatie geen goed zakelijk klimaat bieden – voor een goed zakelijk klimaat is politieke stabiliteit nodig en mensenrechten zorgen daarvoor. Mogelijk begint ook China zich te realiseren dat steun aan instabiele regimes met een slechte mensenrechtenreputatie niet getuigt van goed zakelijk inzicht en dat, als het z’n bezittingen en burgers in het buitenland wil beschermen, het globale waarden moet steunen die leiden tot langdurige politieke stabiliteit.
Ondanks China’s diplomatieke verschuivingen heeft het land nog een lange weg te gaan. Het is nog steeds de grootste wapenleverancier van Sudan sinds 2004. In januari 2007 sprak het een veto uit tegen een resolutie van de VN-Veiligheidsraad waarin de mensenrechtenpraktijken in Myanmar werden veroordeeld en in de aanloop naar de Olympische Spelen in Beijing moet het nog steeds z’n beloften op het gebied van de mensenrechten waarmaken. Een aantal hervormingen in de toepassing van de doodstraf en het versoepelen van regels voor buitenlandse media in 2007 werden tenietgedaan door de beperkende maatregelen voor mensenrechtenverdedigers in China en voor de nationale media en door de uitbreiding van de reikwijdte van “heropvoeding door arbeid”, een vorm van detentie zonder aanklacht of proces, die deel uitmaakt van het “opschonen” van Beijing in de aanloop naar de Spelen.
De aanloop naar de Spelen in Beijing heeft geleid tot minder ruimte voor verbetering en meer ruimte voor confrontatie op het gebied van mensenrechten in China. Terwijl het stof rond de Olympische Spelen optrekt, moet de internationale gemeenschap een effectieve strategie ontwikkelen om het debat over mensenrechten met China op een meer productieve en vooruitstrevende manier te voeren. De Chinese regering moet op haar beurt erkennen dat aan globaal leiderschap verantwoordelijkheden en verwachtingen zijn verbonden en dat een wereldspeler niet geloofwaardig is als hij de waarden en principes negeert die de collectieve identiteit van de internationale gemeenschap vormen.
En hoe scoort Rusland op mensenrechtenleiderschap? Een zelfverzekerd Rusland, goed bij kas dankzij olieopbrengsten, heeft afwijkende politieke meningen onderdrukt, onafhankelijke journalisten onder druk gezet en wettelijk toezicht geïntroduceerd om niet-gouvernementele organisaties te beteugelen. In 2007 werden vreedzame demonstraties met geweld uit elkaar geslagen en advocaten, mensenrechtenverdedigers en journalisten werden bedreigd en aangevallen. Het gerechtelijk apparaat was nog steeds gevoelig voor druk van de uitvoerende macht. Alomtegenwoordige corruptie ondermijnde de rechtsorde en het vertrouwen van de bevolking in het gerechtelijk systeem. Straffeloosheid tierde welig in Tsjetsjenië, met als gevolg dat sommige slachtoffers gerechtigheid zochten bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.
Zal de nieuwe Russische president Dmtri Medvedev in 2008 de mensenrechten anders aanpakken? Hij zou er goed aan doen om eens in de wereld rond te kijken en lering te trekken uit het feit dat langdurige politieke stabiliteit en economische bloei alleen kunnen worden opgebouwd in maatschappijen die open zijn en in landen die verantwoording afleggen.
Als de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad al weinig hebben gedaan om de mensenrechten te bevorderen en veel om ze te ondermijnen, wat voor soort leiderschap kunnen we dan verwachten van opkomende mogendheden als India, Zuid-Afrika en Brazilië?
India is een bewezen liberale democratie met een sterke wettelijke mensenrechtentraditie en een onafhankelijke rechterlijke macht en heeft het daarmee in zich om een krachtig rolmodel te worden. Het heeft een positieve rol gespeeld in de VN-Mensenrechtenraad. Het heeft geholpen de heersende partijen en de Maoïstische opstandelingen in Nepal nader tot elkaar te brengen en een langlopend gewapend conflict te beëindigen dat tot massale mensenrechtenschendingen heeft geleid. Maar India moet krachtiger zijn in de nationale uitvoering en meer vastbesloten in het internationaal leiderschap op het gebied van de mensenrechten. Zelfs toen de junta in Myanmar gewelddadig optrad tegen de vreedzame protesten van monniken en anderen, bleef de Indiase regering deelnemen aan onderhandelingen over oliewinningen. In Nandigram, in het westen van Bengalen, werden leden van plattelandsgemeenschappen met medewerking van de politie aangevallen, verwond en gedood terwijl ze protesteerden tegen het instellen van een Speciale Economische Zone voor de industrie.
De rol van Zuid-Afrika binnen NEPAD (Nieuw Partnerschap voor Afrika’s Ontwikkeling) – dat de nadruk legt op goed bestuur – bood hoop dat Afrikaanse leiders verantwoordelijkheid zouden nemen voor het oplossen van Afrikaanse problemen, inclusief problemen op het gebied van de mensenrechten. Maar de Zuid-Afrikaanse regering was nog steeds niet bereid om zich uit te spreken tegen de mensenrechtenschendingen in Zimbabwe. Mensenrechten gelden universeel voor iedereen – en geen land weet dit beter dan Zuid-Afrika. Er zijn maar weinig landen die een grotere morele verantwoordelijkheid hebben om deze universele waarden, waar ze ook worden geschonden, te propageren dan Zuid-Afrika.
Landen als Brazilië en Mexico waren sterk in het internationaal propageren van de mensenrechten en in het steunen van het mensenrechtenmechanisme van de VN. Maar hun geloofwaardigheid als voorvechters van de mensenrechten zal in twijfel worden getrokken als ze de kloof tussen hun internationaal beleid en hun acties in eigen land niet weten te dichten.
Mensenrechten zijn geen westerse waarden – sterker nog, westerse regeringen hebben er net zo veel minachting voor getoond als elke andere regering. Het zijn globale waarden en als zodanig is hun kans op succes gekoppeld aan het leiderschap van de VN. Hoewel de VN-Veiligheidsraad op het gebied van de mensenrechten nog steeds werd verlamd door de uiteenlopende belangen van zijn permanente leden, toonde de Algemene Vergadering van de VN in 2007 haar potentieel voor leiderschap door een resolutie aan te nemen waarin werd opgeroepen tot een universeel moratorium op de doodstraf. Dit liet precies zien wat voor soort leiding de wereld nodig heeft van de VN: landen die elkaar inspireren om het beter te doen in plaats van elkaar naar beneden te halen tot het laagste gemiddelde. Dit waren de Verenigde Naties op hun best. Zal de VN-Mensenrechtenraad in 2008 een vergelijkbaar leiderschap laten zien als ze start met het systeem van universele periodieke toetsing?
Een opvallend voorbeeld van doortastend leiderschap vormde de stemming in september 2007 van 143 lidstaten van de Algemene Vergadering van de VN om, ondanks de oppositie van zeer machtige landen, de Verklaring inzake de Rechten van Inheemse Volken aan te nemen, waarmee twee decennia van discussie werden afgesloten. Twee maanden nadat Australië tegen de verklaring had gestemd, bood de nieuw gekozen regering van minister-president Kevin Rudd een officiële verontschuldiging aan voor de wetten en het beleid van opeenvolgende regeringen die “voor diepgaand leed, lijden en verlies hadden gezorgd” onder de inheemse Aboriginalbevolking.
De weg die voor ons ligt is moeilijk. Diepgewortelde conflicten – duidelijk zichtbaar in het Midden-Oosten, Irak en Afghanistan, vergeten in plaatsen als Sri Lanka en Somalië, om er twee te noemen – eisen een zware menselijke tol. Wereldleiders stuntelen in hun pogingen om vooruitgang te boeken zoals in Irak en Afghanistan, of het ontbreekt ze aan politieke wil om oplossingen te vinden, zoals in Israël/de bezette Palestijnse Gebieden. Dat conflict wordt bij uitstek gekenmerkt door het onvermogen van collectief internationaal leiderschap (in de vorm van het kwartet bestaande uit de VS, de EU, Rusland en de VN) om straffeloosheid en onrechtvaardigheid aan te pakken.
Terwijl de mondiale financiële markten schommelen en de rijken hun positie en grote invloed gebruiken om hun verliezen te beperken, is er het risico dat de belangen van de armen en de zwakken worden vergeten. Met stilzwijgende steun van regeringen die weigeren om hen op effectieve wijze kritisch in de gaten te houden en te reguleren, blijven veel te veel bedrijven verantwoording uit de weg gaan voor hun betrokkenheid bij misbruik en schendingen van mensenrechten.
Er is veel retoriek over het uitbannen van armoede, maar onvoldoende politieke wil voor actie. Ten minste twee miljard mensen binnen onze wereldgemeenschap leven nog steeds in armoede, vechtend om schoon water, voedsel en huisvesting. Klimaatveranderingen hebben gevolgen voor ons allemaal, maar de armsten zullen er het slechtst aan toe zijn, want zij zullen hun grond, hun voedsel en hun middelen van bestaan verliezen. In juli 2007 waren we precies halverwege het tijdschema dat door de VN is opgesteld om de Millenniumdoelen te realiseren. Hoewel deze doelen verre van perfect zijn, zou het realiseren ervan tegen 2015 in ieder geval tot enige verbetering leiden op het gebied van gezondheid, leefomstandigheden en onderwijs voor velen in de ontwikkelingslanden. De wereld ligt niet op schema om de meeste van deze minimale doelstellingen te realiseren en bij dit proces wordt er helaas niet echt rekening gehouden met mensenrechten. Het is duidelijk dat zowel de inspanningen als de focus moeten veranderen.
En waar is het leiderschap om geweld op basis van sekse uit te bannen? Vrouwen en meisjes zijn in vrijwel elke regio in de wereld het slachtoffer van ernstig seksueel geweld. In het door oorlog verscheurde Darfur komen ongestrafte verkrachtingen zeer veel voor. In de VS lukt het veel slachtoffers van verkrachting uit arme en gemarginaliseerde inheemse gemeenschappen nog steeds niet om gerechtigheid of effectieve bescherming te krijgen van de stam- en federale autoriteiten. Leiders moeten meer aandacht besteden aan het realiseren van rechten voor vrouwen en meisjes.
Dit zijn wereldwijde uitdagingen met een menselijk aspect. Er is een wereldwijde reactie voor nodig. Internationaal erkende mensenrechten vormen het beste kader voor die reactie, omdat mensenrechten een wereldwijde consensus vertegenwoordigen met betrekking tot de aanvaardbare grenzen en de onaanvaardbare tekortkomingen van regeringsbeleid en regeringspraktijken.
De UVRM is een blauwdruk voor verlicht leiderschap die vandaag de dag nog net zo relevant is als in 1948. Regeringen moeten zich opnieuw gaan verbinden aan de mensenrechten.
Mensen die rusteloos, boos en gedesillusioneerd zijn zullen niet stilzwijgend blijven toekijken als de kloof tussen hun roep om gelijkheid en vrijheid en de ontkenning door hun regeringen blijft groeien. Ontevredenheid onder de bevolking van Bangladesh over de sterke stijging van de rijstprijzen, rellen in Egypte over de broodprijs, geweld na de verkiezingen in Kenia en openbare demonstraties in China tegen uitzettingen en milieukwesties zijn niet alleen maar voorbeelden van de bezorgdheid onder de bevolking over economische en sociale problemen. Het zijn signalen van een kolkende ketel van protesten van mensen tegen het verraad van de regeringen die hen gerechtigheid en gelijkheid hadden beloofd.
Er bestaat vandaag de dag een wereldwijde burgerbeweging die in 1948 nog nauwelijks voor te stellen was. Die beweging eist dat leiders zich opnieuw inzetten om de mensenrechten te handhaven en te bevorderen. Advocaten in donkere pakken in Pakistan, monniken in oranjegele gewaden in Myanmar, 43,7 miljoen individuen die op 17 oktober 2007 in actie kwamen om te eisen dat de armoede wordt aangepakt – allemaal levendige bewijzen in het afgelopen jaar van een globale burgerij die vastbesloten is op te komen voor de mensenrechten en haar leiders ter verantwoording roept.
In een dorpje in het noorden van Bangladesh zit een groep vrouwen op bamboematjes binnen de stoffige dorpsomheining. Ze doen mee aan een lesprogramma over hun wettelijke rechten. De meesten van hen kunnen nauwelijks lezen of schrijven. Ze luisteren aandachtig terwijl hun lerares met behulp van posters met plaatjes uitlegt hoe de wet werkt die kinderhuwelijken verbiedt en die voorschrijft dat een vrouw weloverwogen moet instemmen met een huwelijk. De vrouwen hebben pas leningen ontvangen via een microkredietprogramma dat wordt geleid door het Bangladesh Rural Advancement Committee, een grote non-gouvernementele organisatie. Eén vrouw heeft een koe gekocht en hoopt wat extra geld te verdienen door melk te verkopen. Een andere vrouw wil een naaimachine kopen en haar eigen kleermakersbedrijfje opzetten. Wat hoopt ze op deze cursus te leren? “Ik wil meer weten over mijn rechten,” zegt ze. “Ik wil niet dat mijn dochters net zo lijden als ik in het verleden, dus moet ik leren hoe ik mijn en hun rechten kan beschermen.” In haar ogen glinstert de hoop en de vastberadenheid van miljoenen vrouwen en mannen zoals zij over de hele wereld.
De macht van mensen om hoop te creëren en veranderingen te bewerkstelligen is springlevend in het jaar van de zestigste verjaardag van de UVRM. Een bewustzijn met betrekking tot de mensenrechten verovert de wereld.
Wereldleiders die het negeren doen dat op eigen risico.
Een deerniswekkende reputatie
Opkomende mogendheden
Scheppen van een nieuwe gezamenlijke vastberadenheid
Geschonden beloften
Wereldleiders zouden zich moeten verontschuldigen. De belofte van rechtvaardigheid en gelijkheid uit de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM), die zestig jaar geleden werd aangenomen, zijn ze niet nagekomen. In de afgelopen zes decennia hebben veel regeringen meer interesse getoond in machtsmisbruik of in het najagen van politiek eigenbelang dan in het respecteren van de rechten van degenen die ze regeren.Uiteraard is er veel vooruitgang geboekt, internationaal, regionaal en nationaal, in het ontwikkelen van mensenrechtenstandaarden, -systemen en -instellingen. Op basis hiervan is er veel verbeterd in grote delen van de wereld. Tegenwoordig worden de mensenrechten in meer landen dan ooit tevoren grondwettelijk en wettelijk beschermd. Slechts een handvol landen zal de internationale gemeenschap openlijk het recht ontzeggen om hun mensenrechtenreputatie kritisch onder de loep te nemen. Het jaar 2007 was het eerste jaar waarin de VN-Mensenrechtenraad het hele jaar actief was. Via de VN-Mensenrechtenraad zijn alle lidstaten van de VN ermee akkoord gegaan dat hun prestaties op het gebied van de mensenrechten openlijk worden besproken.
Maar ondanks al deze goede ontwikkelingen blijft het een feit dat onrecht, ongelijkheid en straffeloosheid nog steeds een stempel drukken op de wereld van vandaag.
In 1948 toonden wereldleiders uitzonderlijk leiderschap toen ze samen de UVRM aannamen. Lidstaten van de net opgerichte Verenigde Naties gaven blijk van een vooruitziende blik en van moed door te geloven in wereldomspannende waarden. Ze waren zich sterk bewust van de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en van de grimmige realiteit van de beginnende Koude Oorlog. Hun visie werd niet beperkt door de gebeurtenissen in Europa alleen. Het jaar 1948 was ook het jaar waarin Birma onafhankelijk werd, Mahatma Gandhi werd vermoord en de apartheidwetten in Zuid-Afrika werden geïntroduceerd. Grote delen van de wereld leden nog steeds onder het juk van kolonisatie.
De opstellers van de UVRM handelden vanuit de overtuiging dat alleen een multilateraal systeem van globale waarden, gebaseerd op gelijkheid, rechtvaardigheid en rechtsorde, de uitdagingen van de toekomst kon doorstaan. Ze toonden waarachtig leiderschap en weerstonden de druk vanuit rivaliserende politieke kampen. Ze verwierpen elke hiërarchie tussen het recht op vrije meningsuiting en het recht op onderwijs, het recht om niet te worden gemarteld en het recht op sociale zekerheid. Ze erkenden dat de universaliteit van mensenrechten (elke persoon wordt vrij en gelijk geboren) en hun ondeelbaarheid (aan alle rechten, of het nu economische, sociale, burger-, politieke of culturele rechten zijn, moet in gelijke mate worden voldaan) de basis vormen voor onze collectieve veiligheid en onze gemeenschappelijke humaniteit.
In de jaren die volgden maakte vooruitziend leiderschap plaats voor kleingeestige politieke belangen. Terwijl de twee ‘supermachten’ zich in een ideologische en geopolitieke strijd stortten om hun oppermacht te bewijzen, werden de mensenrechten een spel dat verdeeldheid zaaide. De ene partij schond burgerrechten en politieke rechten, terwijl de andere partij economische en sociale rechten lager op de agenda zette. Mensenrechten werden gebruikt als instrument om strategische doelen te bereiken, in plaats van om de waardigheid en het welzijn van mensen te bevorderen. Landen die net onafhankelijk waren geworden raakten verstrikt in de strijd tussen de supermachten. Ze worstelden om een democratie en rechtsorde op te zetten of lieten dit maar helemaal varen en kozen in plaats daarvan voor een autoritair systeem.
Met het einde van de Koude Oorlog nam de hoop voor de mensenrechten toe. Deze hoop werd echter weer teniet gedaan door etnische conflicten en de ineenstorting van landen, met als gevolg een stroom van humanitaire crises met massale en wrede mensenrechtenschendingen. Ondertussen hadden in veel delen van de wereld corruptie, slecht bestuur en wijdverbreide straffeloosheid voor mensenrechtenschendingen de overhand.
Toen we de 21ste eeuw binnenstapten, veranderde als gevolg van de terroristische aanslagen van 11 september 2001 het debat over mensenrechten opnieuw in een verdeeldheid zaaiende en destructieve discussie tussen "westers" en "niet-westers", waardoor vrijheden werden beperkt en achterdocht, angst, discriminatie en vooroordelen werden gezaaid onder zowel regeringen als bevolkingen.
De kracht van de economische globalisering bracht nieuwe hoop, maar ook uitdagingen. Hoewel wereldleiders verklaarden zich in te zullen zetten voor de uitbanning van armoede, negeerden ze grotendeels de mensenrechtenschendingen die armoede veroorzaken en verergeren. De UVRM was nog steeds een papieren belofte.
Als we nu terugkijken is misschien nog het meest verrassend de gezamenlijke vastberadenheid waarmee de VN-lidstaten indertijd de UVRM zonder één tegenstem aannamen. De wereldleiders van nu, geconfronteerd met talrijke, dringende mensenrechtencrises, hebben geen gezamenlijke visie op de moderne uitdagingen op het gebied van mensenrechten in een wereld die steeds meer wordt bedreigd en waar de onveiligheid en ongelijkheid alleen maar toenemen.
Het politieke landschap is in zestig jaar sterk veranderd. Er zijn veel meer landen dan in 1948. Een aantal voormalige koloniën is in opkomst als spelers op het wereldtoneel, naast hun voormalige koloniale overheersers. Kunnen we verwachten dat de oude en de nieuwe mogendheden tot elkaar komen, zoals hun voorgangers in 1948 deden, en zich opnieuw gaan inzetten voor de mensenrechten? Het jaar 2007 was wat dat betreft niet bemoedigend. Zullen nieuwe leiders en druk van de burgermaatschappij in dit jubileumjaar tot veranderingen leiden?
Een deerniswekkende reputatie
Als machtigste land ter wereld gelden de Verenigde Staten wereldwijd als voorbeeld voor regeringen. In een adembenemende wettelijke vertroebeling gaat de Amerikaanse regering door met haar pogingen het absolute verbod op marteling en andere vormen van mishandeling uit te hollen. Hoge functionarissen weigerden de beruchte praktijk van “waterboarding” af te keuren. De Amerikaanse president gaf de CIA toestemming door te gaan met geheime detentie en ondervraging, ondanks het feit dat dit gelijkstaat aan gedwongen verdwijning, een internationaal misdrijf. Honderden gevangenen in Guantánamo en Bagram en duizenden gevangenen in Irak zaten nog steeds in detentie zonder aanklacht of proces, velen al meer dan zes jaar. De Amerikaanse regering verzuimde volledige aansprakelijkheid te garanderen voor schendingen die door haar troepen in Irak worden gepleegd. Een Gerechtelijke Beslissing die in juni 2004 werd uitgevaardigd door de CPA (het Voorlopig Coalitiebestuur), en die buitenlandse particuliere soldaten en beveiligingsbedrijven die actief zijn in Irak immuniteit verleende voor vervolging door Iraakse rechtbanken, zorgt voor extra obstakels voor het afleggen van verantwoording. Er was wijdverbreide bezorgdheid over de moord, in september 2007, op ten minste zeventien Iraakse burgers door bewakers die waren ingehuurd door het particuliere beveiligingsbedrijf Blackwater. Deze acties hebben op geen enkele manier bijgedragen aan de strijd tegen terrorisme en hebben het aanzien en de invloed van de VS in het buitenland ernstig beschadigd.Hoe inhoudsloos de oproep van de Amerikaanse regering voor democratie en vrijheid in andere landen was, bleek uit de aanhoudende steun voor de Pakistaanse president Musharraf, die duizenden advocaten, journalisten, mensenrechtenverdedigers en politieke activisten arresteerde omdat ze democratie, rechtsorde en een onafhankelijke rechterlijke macht eisten in Pakistan. Terwijl president Musharraf op onwettige wijze de noodtoestand afkondigde, de opperrechter ontsloeg en de hogere rechtbanken vulde met volgzamere rechters, rechtvaardigde de Amerikaanse regering haar steun voor hem als een “onmisbare” bondgenoot in de “oorlog tegen terrorisme”. De groeiende onveiligheid in de steden en de grensgebieden van Pakistan bewees echter dat het extremistisch geweld niet werd bedwongen door Musharrafs repressieve beleid, dat onder andere bestond uit gedwongen verdwijningen en willekeurige detentie. Integendeel, het heeft het ongenoegen alleen maar aangewakkerd, antiwesterse gevoelens versterkt en de kiem gelegd voor grotere instabiliteit in de regio. Het Pakistaanse volk heeft laten zien dat ze het beleid van president Musharraf sterk afwijzen, ondanks de Amerikaanse steun.
Het is essentieel voor de wereld dat de VS zich oprecht bezighouden met, en betrokken zijn bij, de mensenrechten, zowel in eigen land als daarbuiten. In november 2008 kiezen de Amerikanen een nieuwe president. Als de VS moreel gezag willen hebben als voorvechter van de mensenrechten, moet de nieuwe regering Guantánamo sluiten en de gedetineerden voor gewone federale rechtbanken berechten of hen vrijlaten. Ze moet de Wet op de militaire commissies intrekken en garanderen dat het internationaal humanitair recht en de mensenrechten worden gerespecteerd tijdens alle veiligheids- en militaire operaties. Ze moet bewijs verkregen door middel van dwang verbieden en elke vorm van marteling of andere vorm van mishandeling, voor welk doel dan ook, afkeuren. De nieuwe regering moet een uitvoerbare strategie voor internationale vrede en veiligheid opstellen. Ze moet autoritaire leiders niet langer steunen en investeren in de instellingen voor democratie, rechtsorde en mensenrechten die voor langdurige stabiliteit kunnen zorgen. En ze moet bereid zijn om het Amerikaanse isolement in het internationale mensenrechtensysteem te beëindigen en constructief samen te werken met de VN-Mensenrechtenraad.
Terwijl de Amerikaanse regering zich de afgelopen paar jaar heeft onderscheiden in het tarten van het internationaal recht, hebben Europese regeringen een neiging getoond met twee maten te meten. De Europese Unie (EU) beweert “een unie van waarden, verenigd door respect voor de rechtsorde, gevormd door gezamenlijke standaards en eensgezindheid, toegewijd aan tolerantie, democratie en mensenrechten” te zijn. Maar in 2007 kwamen er nieuwe bewijzen aan het licht dat een aantal lidstaten van de EU een oogje hadden dichtgeknepen of met de CIA hadden samengespannen bij de ontvoering, geheime detentie en illegale overdracht van gevangenen naar landen waar ze werden gemarteld en op andere wijze werden mishandeld. Ondanks herhaalde oproepen van de Raad van Europa heeft geen enkele regering de vergrijpen volledig onderzocht, eerlijk toegegeven wat er is gebeurd en/of toereikende maatregelen genomen om het gebruik van Europees grondgebied voor uitlevering en geheime detentie in de toekomst te voorkomen.
Integendeel, een aantal Europese regeringen heeft geprobeerd de uitspraak uit 1996 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin het terugsturen van verdachten naar landen waar ze zouden kunnen worden gemarteld wordt verboden, af te zwakken. Het hof sprak zich in 2007 uit in twee zaken die nog aanhangig waren, waarbij het absoluut verbod op marteling en andere vormen van mishandeling opnieuw werd bevestigd.
Terwijl veel mensen klagen over de overdreven regelgeving van de EU, maken weinigen zich druk over het gebrek aan EU-regels met betrekking tot mensenrechten in eigen land. De EU is namelijk niet in staat om haar eigen lidstaten ter verantwoording te roepen voor mensenrechtenkwesties die buiten de EU-wetgeving vallen. Het mandaat van het Agentschap voor Fundamentele Rechten, dat werd opgericht in 2007, is zo beperkt dat het geen echte verantwoording kan eisen. Terwijl de EU voor kandidaat-lidstaten de lat op het gebied van mensenrechten (terecht) hoog legt, kunnen deze landen, zodra ze lid zijn, de standaarden schenden met weinig of geen verantwoordelijkheid tegenover de EU.
Kunnen de EU of haar lidstaten China of Rusland oproepen de mensenrechten te respecteren als ze zelf medeplichtig zijn aan marteling? Kan de EU andere – veel armere – landen vragen hun grenzen open te houden terwijl haar eigen lidstaten de rechten van vluchtelingen en asielzoekers beperken? Kan de EU aandringen op tolerantie in andere landen terwijl ze er zelf niet in slaagt discriminatie tegen Roma, moslims en andere minderheden die binnen haar grenzen wonen, aan te pakken?
Net als in de VS zullen er in het komende jaar in de EU belangrijke politieke veranderingen plaatsvinden. Voor het Verdrag van Lissabon, dat in december 2007 door EU-regeringen is ondertekend, moeten nieuwe institutionele verbintenissen tussen de lidstaten worden gesloten. Verkiezingen en andere ontwikkelingen in een aantal belangrijke lidstaten zullen leiden tot nieuw politiek leiderschap. Dit biedt mogelijkheden voor actie op het gebied van de mensenrechten, zowel binnen de EU als wereldwijd.
Terwijl de VS en de EU hun mensenrechtenreputatie bezoedelen, neemt hun vermogen om anderen te beïnvloeden af. Het meest schrijnende voorbeeld van hun afzijdige houding op het gebied van mensenrechten was het geval Myanmar in 2007. De militaire junta trad met harde hand op tegen vreedzame demonstraties geleid door monniken, plunderde en sloot kloosters, confisqueerde en vernielde bezittingen, beschoot, sloeg en detineerde demonstraten, viel vrienden en familieleden lastig of hield hen gevangen als gijzelaars. De VS en de EU veroordeelden de acties in de strengste bewoordingen en verscherpten hun handels- en wapenembargo’s, maar dit had in de praktijk weinig tot geen invloed op de mensenrechtensituatie. Er zaten nog steeds duizenden mensen in detentie in Myanmar, onder wie ten minste zevenhonderd gewetensgevangenen, met als meest bekende de Nobelprijswinnares Aung San Suu Kyi, die twaalf van de afgelopen achttien jaar heeft doorgebracht onder huisarrest.
Net als in Myanmar slaagden westerse regeringen er ook in Darfur niet in om veel vooruitgang te boeken in de mensenrechtensituatie. Dankzij internationale verontwaardiging en uitgebreide publieke mobilisatie werd de naam Darfur in het geweten van de wereld gegrift, maar dit bracht nauwelijks verandering in het lijden van haar bevolking. Moord, verkrachting en geweld duurden onverminderd voort en als er al iets is veranderd, dan is het dat het conflict alleen maar complexer is geworden en een politieke oplossing nog verder weg is. Ondanks een serie resoluties van de VN-Veiligheidsraad moet de volledige inzet van een gezamenlijke troepenmacht van de Afrikaanse Unie en de VN nog van de grond komen.
Opkomende mogendheden
Of het nu om Myanmar of Darfur gaat, de wereld keek niet naar de VS, maar naar China als het land met de noodzakelijke economische en politieke invloed om de zaken in gang te zetten – en niet zonder reden. China is de grootste handelspartner van Sudan en de op één na grootste van Myanmar. Volgens onderzoek van Amnesty International zijn er, in strijd met het wapenembargo van de VN, Chinese wapens overgebracht naar Darfur. China heeft zijn steun aan corrupte regeringen, zoals die van Sudan, Myanmar en Zimbabwe, lang gerechtvaardigd door mensenrechten te beschouwen als een interne kwestie voor soevereine staten, en niet als een onderdeel van haar buitenlands beleid – wat beter uitkwam voor de politieke en commerciële belangen van China.Maar de houding van China is niet onveranderlijk of hardnekkig. In 2007 stemde het vóór de inzet van de gezamenlijke vredesmacht in Darfur, oefende het druk uit op Myanmar om een bezoek van de Speciale Gezant van de VN toe te staan en beperkte het z’n openlijke steun aan president Mugabe van Zimbabwe. Dezelfde factoren die er in het verleden toe leidden dat China relaties aanging met repressieve regimes, zouden nu wel eens de motivatie kunnen vormen om het beleid ten opzichte van deze regimes te wijzigen: de behoefte aan betrouwbare energiebronnen en andere natuurlijke hulpbronnen. Amnesty International en andere mensenrechtenorganisaties hebben lang gesteld dat landen met een slechte mensenrechtenreputatie geen goed zakelijk klimaat bieden – voor een goed zakelijk klimaat is politieke stabiliteit nodig en mensenrechten zorgen daarvoor. Mogelijk begint ook China zich te realiseren dat steun aan instabiele regimes met een slechte mensenrechtenreputatie niet getuigt van goed zakelijk inzicht en dat, als het z’n bezittingen en burgers in het buitenland wil beschermen, het globale waarden moet steunen die leiden tot langdurige politieke stabiliteit.
Ondanks China’s diplomatieke verschuivingen heeft het land nog een lange weg te gaan. Het is nog steeds de grootste wapenleverancier van Sudan sinds 2004. In januari 2007 sprak het een veto uit tegen een resolutie van de VN-Veiligheidsraad waarin de mensenrechtenpraktijken in Myanmar werden veroordeeld en in de aanloop naar de Olympische Spelen in Beijing moet het nog steeds z’n beloften op het gebied van de mensenrechten waarmaken. Een aantal hervormingen in de toepassing van de doodstraf en het versoepelen van regels voor buitenlandse media in 2007 werden tenietgedaan door de beperkende maatregelen voor mensenrechtenverdedigers in China en voor de nationale media en door de uitbreiding van de reikwijdte van “heropvoeding door arbeid”, een vorm van detentie zonder aanklacht of proces, die deel uitmaakt van het “opschonen” van Beijing in de aanloop naar de Spelen.
De aanloop naar de Spelen in Beijing heeft geleid tot minder ruimte voor verbetering en meer ruimte voor confrontatie op het gebied van mensenrechten in China. Terwijl het stof rond de Olympische Spelen optrekt, moet de internationale gemeenschap een effectieve strategie ontwikkelen om het debat over mensenrechten met China op een meer productieve en vooruitstrevende manier te voeren. De Chinese regering moet op haar beurt erkennen dat aan globaal leiderschap verantwoordelijkheden en verwachtingen zijn verbonden en dat een wereldspeler niet geloofwaardig is als hij de waarden en principes negeert die de collectieve identiteit van de internationale gemeenschap vormen.
En hoe scoort Rusland op mensenrechtenleiderschap? Een zelfverzekerd Rusland, goed bij kas dankzij olieopbrengsten, heeft afwijkende politieke meningen onderdrukt, onafhankelijke journalisten onder druk gezet en wettelijk toezicht geïntroduceerd om niet-gouvernementele organisaties te beteugelen. In 2007 werden vreedzame demonstraties met geweld uit elkaar geslagen en advocaten, mensenrechtenverdedigers en journalisten werden bedreigd en aangevallen. Het gerechtelijk apparaat was nog steeds gevoelig voor druk van de uitvoerende macht. Alomtegenwoordige corruptie ondermijnde de rechtsorde en het vertrouwen van de bevolking in het gerechtelijk systeem. Straffeloosheid tierde welig in Tsjetsjenië, met als gevolg dat sommige slachtoffers gerechtigheid zochten bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.
Zal de nieuwe Russische president Dmtri Medvedev in 2008 de mensenrechten anders aanpakken? Hij zou er goed aan doen om eens in de wereld rond te kijken en lering te trekken uit het feit dat langdurige politieke stabiliteit en economische bloei alleen kunnen worden opgebouwd in maatschappijen die open zijn en in landen die verantwoording afleggen.
Als de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad al weinig hebben gedaan om de mensenrechten te bevorderen en veel om ze te ondermijnen, wat voor soort leiderschap kunnen we dan verwachten van opkomende mogendheden als India, Zuid-Afrika en Brazilië?
India is een bewezen liberale democratie met een sterke wettelijke mensenrechtentraditie en een onafhankelijke rechterlijke macht en heeft het daarmee in zich om een krachtig rolmodel te worden. Het heeft een positieve rol gespeeld in de VN-Mensenrechtenraad. Het heeft geholpen de heersende partijen en de Maoïstische opstandelingen in Nepal nader tot elkaar te brengen en een langlopend gewapend conflict te beëindigen dat tot massale mensenrechtenschendingen heeft geleid. Maar India moet krachtiger zijn in de nationale uitvoering en meer vastbesloten in het internationaal leiderschap op het gebied van de mensenrechten. Zelfs toen de junta in Myanmar gewelddadig optrad tegen de vreedzame protesten van monniken en anderen, bleef de Indiase regering deelnemen aan onderhandelingen over oliewinningen. In Nandigram, in het westen van Bengalen, werden leden van plattelandsgemeenschappen met medewerking van de politie aangevallen, verwond en gedood terwijl ze protesteerden tegen het instellen van een Speciale Economische Zone voor de industrie.
De rol van Zuid-Afrika binnen NEPAD (Nieuw Partnerschap voor Afrika’s Ontwikkeling) – dat de nadruk legt op goed bestuur – bood hoop dat Afrikaanse leiders verantwoordelijkheid zouden nemen voor het oplossen van Afrikaanse problemen, inclusief problemen op het gebied van de mensenrechten. Maar de Zuid-Afrikaanse regering was nog steeds niet bereid om zich uit te spreken tegen de mensenrechtenschendingen in Zimbabwe. Mensenrechten gelden universeel voor iedereen – en geen land weet dit beter dan Zuid-Afrika. Er zijn maar weinig landen die een grotere morele verantwoordelijkheid hebben om deze universele waarden, waar ze ook worden geschonden, te propageren dan Zuid-Afrika.
Landen als Brazilië en Mexico waren sterk in het internationaal propageren van de mensenrechten en in het steunen van het mensenrechtenmechanisme van de VN. Maar hun geloofwaardigheid als voorvechters van de mensenrechten zal in twijfel worden getrokken als ze de kloof tussen hun internationaal beleid en hun acties in eigen land niet weten te dichten.
Mensenrechten zijn geen westerse waarden – sterker nog, westerse regeringen hebben er net zo veel minachting voor getoond als elke andere regering. Het zijn globale waarden en als zodanig is hun kans op succes gekoppeld aan het leiderschap van de VN. Hoewel de VN-Veiligheidsraad op het gebied van de mensenrechten nog steeds werd verlamd door de uiteenlopende belangen van zijn permanente leden, toonde de Algemene Vergadering van de VN in 2007 haar potentieel voor leiderschap door een resolutie aan te nemen waarin werd opgeroepen tot een universeel moratorium op de doodstraf. Dit liet precies zien wat voor soort leiding de wereld nodig heeft van de VN: landen die elkaar inspireren om het beter te doen in plaats van elkaar naar beneden te halen tot het laagste gemiddelde. Dit waren de Verenigde Naties op hun best. Zal de VN-Mensenrechtenraad in 2008 een vergelijkbaar leiderschap laten zien als ze start met het systeem van universele periodieke toetsing?
Een opvallend voorbeeld van doortastend leiderschap vormde de stemming in september 2007 van 143 lidstaten van de Algemene Vergadering van de VN om, ondanks de oppositie van zeer machtige landen, de Verklaring inzake de Rechten van Inheemse Volken aan te nemen, waarmee twee decennia van discussie werden afgesloten. Twee maanden nadat Australië tegen de verklaring had gestemd, bood de nieuw gekozen regering van minister-president Kevin Rudd een officiële verontschuldiging aan voor de wetten en het beleid van opeenvolgende regeringen die “voor diepgaand leed, lijden en verlies hadden gezorgd” onder de inheemse Aboriginalbevolking.
Scheppen van een nieuwe gezamenlijke vastberadenheid
Terwijl de geopolitieke orde structurele verschuivingen ondergaat, verzaken oude mogendheden de mensenrechten en moeten nieuwe leiders zich er nog over uitspreken, of zijn ze tegenstrijdig op het gebied van de mensenrechten. Wat is dan de toekomst voor de mensenrechten?De weg die voor ons ligt is moeilijk. Diepgewortelde conflicten – duidelijk zichtbaar in het Midden-Oosten, Irak en Afghanistan, vergeten in plaatsen als Sri Lanka en Somalië, om er twee te noemen – eisen een zware menselijke tol. Wereldleiders stuntelen in hun pogingen om vooruitgang te boeken zoals in Irak en Afghanistan, of het ontbreekt ze aan politieke wil om oplossingen te vinden, zoals in Israël/de bezette Palestijnse Gebieden. Dat conflict wordt bij uitstek gekenmerkt door het onvermogen van collectief internationaal leiderschap (in de vorm van het kwartet bestaande uit de VS, de EU, Rusland en de VN) om straffeloosheid en onrechtvaardigheid aan te pakken.
Terwijl de mondiale financiële markten schommelen en de rijken hun positie en grote invloed gebruiken om hun verliezen te beperken, is er het risico dat de belangen van de armen en de zwakken worden vergeten. Met stilzwijgende steun van regeringen die weigeren om hen op effectieve wijze kritisch in de gaten te houden en te reguleren, blijven veel te veel bedrijven verantwoording uit de weg gaan voor hun betrokkenheid bij misbruik en schendingen van mensenrechten.
Er is veel retoriek over het uitbannen van armoede, maar onvoldoende politieke wil voor actie. Ten minste twee miljard mensen binnen onze wereldgemeenschap leven nog steeds in armoede, vechtend om schoon water, voedsel en huisvesting. Klimaatveranderingen hebben gevolgen voor ons allemaal, maar de armsten zullen er het slechtst aan toe zijn, want zij zullen hun grond, hun voedsel en hun middelen van bestaan verliezen. In juli 2007 waren we precies halverwege het tijdschema dat door de VN is opgesteld om de Millenniumdoelen te realiseren. Hoewel deze doelen verre van perfect zijn, zou het realiseren ervan tegen 2015 in ieder geval tot enige verbetering leiden op het gebied van gezondheid, leefomstandigheden en onderwijs voor velen in de ontwikkelingslanden. De wereld ligt niet op schema om de meeste van deze minimale doelstellingen te realiseren en bij dit proces wordt er helaas niet echt rekening gehouden met mensenrechten. Het is duidelijk dat zowel de inspanningen als de focus moeten veranderen.
En waar is het leiderschap om geweld op basis van sekse uit te bannen? Vrouwen en meisjes zijn in vrijwel elke regio in de wereld het slachtoffer van ernstig seksueel geweld. In het door oorlog verscheurde Darfur komen ongestrafte verkrachtingen zeer veel voor. In de VS lukt het veel slachtoffers van verkrachting uit arme en gemarginaliseerde inheemse gemeenschappen nog steeds niet om gerechtigheid of effectieve bescherming te krijgen van de stam- en federale autoriteiten. Leiders moeten meer aandacht besteden aan het realiseren van rechten voor vrouwen en meisjes.
Dit zijn wereldwijde uitdagingen met een menselijk aspect. Er is een wereldwijde reactie voor nodig. Internationaal erkende mensenrechten vormen het beste kader voor die reactie, omdat mensenrechten een wereldwijde consensus vertegenwoordigen met betrekking tot de aanvaardbare grenzen en de onaanvaardbare tekortkomingen van regeringsbeleid en regeringspraktijken.
De UVRM is een blauwdruk voor verlicht leiderschap die vandaag de dag nog net zo relevant is als in 1948. Regeringen moeten zich opnieuw gaan verbinden aan de mensenrechten.
Mensen die rusteloos, boos en gedesillusioneerd zijn zullen niet stilzwijgend blijven toekijken als de kloof tussen hun roep om gelijkheid en vrijheid en de ontkenning door hun regeringen blijft groeien. Ontevredenheid onder de bevolking van Bangladesh over de sterke stijging van de rijstprijzen, rellen in Egypte over de broodprijs, geweld na de verkiezingen in Kenia en openbare demonstraties in China tegen uitzettingen en milieukwesties zijn niet alleen maar voorbeelden van de bezorgdheid onder de bevolking over economische en sociale problemen. Het zijn signalen van een kolkende ketel van protesten van mensen tegen het verraad van de regeringen die hen gerechtigheid en gelijkheid hadden beloofd.
Er bestaat vandaag de dag een wereldwijde burgerbeweging die in 1948 nog nauwelijks voor te stellen was. Die beweging eist dat leiders zich opnieuw inzetten om de mensenrechten te handhaven en te bevorderen. Advocaten in donkere pakken in Pakistan, monniken in oranjegele gewaden in Myanmar, 43,7 miljoen individuen die op 17 oktober 2007 in actie kwamen om te eisen dat de armoede wordt aangepakt – allemaal levendige bewijzen in het afgelopen jaar van een globale burgerij die vastbesloten is op te komen voor de mensenrechten en haar leiders ter verantwoording roept.
In een dorpje in het noorden van Bangladesh zit een groep vrouwen op bamboematjes binnen de stoffige dorpsomheining. Ze doen mee aan een lesprogramma over hun wettelijke rechten. De meesten van hen kunnen nauwelijks lezen of schrijven. Ze luisteren aandachtig terwijl hun lerares met behulp van posters met plaatjes uitlegt hoe de wet werkt die kinderhuwelijken verbiedt en die voorschrijft dat een vrouw weloverwogen moet instemmen met een huwelijk. De vrouwen hebben pas leningen ontvangen via een microkredietprogramma dat wordt geleid door het Bangladesh Rural Advancement Committee, een grote non-gouvernementele organisatie. Eén vrouw heeft een koe gekocht en hoopt wat extra geld te verdienen door melk te verkopen. Een andere vrouw wil een naaimachine kopen en haar eigen kleermakersbedrijfje opzetten. Wat hoopt ze op deze cursus te leren? “Ik wil meer weten over mijn rechten,” zegt ze. “Ik wil niet dat mijn dochters net zo lijden als ik in het verleden, dus moet ik leren hoe ik mijn en hun rechten kan beschermen.” In haar ogen glinstert de hoop en de vastberadenheid van miljoenen vrouwen en mannen zoals zij over de hele wereld.
De macht van mensen om hoop te creëren en veranderingen te bewerkstelligen is springlevend in het jaar van de zestigste verjaardag van de UVRM. Een bewustzijn met betrekking tot de mensenrechten verovert de wereld.
Wereldleiders die het negeren doen dat op eigen risico.


