Home > De bibliotheek: Landeninformatie > Regionaal Overzicht – Midden-Oosten en Noord-Afrika
Ernstige schendingen van mensenrechten zijn nog steeds wijdverbreid en diepgeworteld |
REGIONAAL OVERZICHT – MIDDEN-OOSTEN EN NOORD-AFRIKA
Uit het Jaarboek 2008
De Universele Verklaring - zestig jaar later
Een terugblik op 2007: conflicten
"Oorlog tegen terrorisme"
Detentie zonder proces, marteling en andere vormen van mishandeling
Beperking van vrijheid van meningsuiting en afwijkende meningen
Doodstraf
Geweld tegen vrouwen
Vluchtelingen en migranten
Mensenrechtenverdedigers
Zes decennia later zou men verwachten dat de Universele Verklaring, met zoveel steun bij de invoering, een grotere invloed zou hebben gehad in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. De regio ligt echter achter op Afrika, Noord- en Zuid-Amerika en Europa voor wat betreft het ontwikkelen van effectieve wettelijk kaders en handhavingssystemen voor het bevorderen en beschermen van mensenrechten. Bepaalde landen, zoals Saudi-Arabië en een aantal van de golfstaten, moeten zelfs nog twee essentiële internationale verdragen ondertekenen die direct zijn voortgekomen uit de Universele Verklaring, te weten de verdragen voor Burgerrechten en Politieke Rechten, en voor Economische, Sociale en Culturele Rechten; beide verdragen zijn door de meeste andere landen al jaren geleden geratificeerd. En Iran is één van de weinige landen die het Verdrag voor de Uitbanning van Discriminatie van Vrouwen (CEDAW) nog niet heeft ondertekend.
Pas nu, in het jaar van de zestigste verjaardag van de Universele Verklaring, wordt er een Arabisch Handvest voor de Mensenrechten van kracht. Dit Handvest bevat positieve punten die een uitbreiding vormen op de rechten die in internationale mensenrechtenverdragen zijn vastgelegd, maar bevat ook een aantal zeer negatieve aspecten – het bevat bijvoorbeeld geen verbod op executies van kinderen – die landen zouden kunnen gebruiken om hun verplichtingen volgens bindende wereldwijde standaards te ondermijnen.
Er zijn vele en complexe redenen waarom het internationale mensenrechtensysteem zich in het Midden-Oosten en Noord-Afrika slechts langzaam heeft ontwikkeld. De Universele Verklaring werd door veel leiders in zekere mate afgeschilderd als een poging om "westerse" waarden op te leggen in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. De verwijzingen in de Universele Verklaring naar het verbod op discriminatie botsten bijvoorbeeld met rechtssystemen en het gewoonterecht in landen in de regio, met opvattingen over vrijheid van godsdienst en met de andere rollen en posities van vrouwen en mannen.
Deze bezorgdheid was overkomelijk geweest als er in 1948 niet nog andere belangrijke ontwikkelingen waren geweest, namelijk de oprichting van de staat Israël en de daaropvolgende verdrijving van de Palestijnse bevolking. Het oprichten van een joodse staat middenin de Arabisch-islamitische wereld had een ingrijpend effect en leidde in feite tot een continue oorlogstoestand tussen Israël en zijn Arabische buren. De verdrijving van de Palestijnen en het ontstaan van een Palestijnse vluchtelingenbevolking in ballingschap leidde tot een problematische situatie die nog steeds niet is opgelost en die wordt gekenmerkt door terugkerende gevechten tussen Israël en zijn buren – met als meest recente voorbeeld de 34-daagse oorlog tussen Israël en Hezbollah in 2006.
Populaire opvattingen worden vaak misbruikt voor politiek opportunisme. Zo wordt de "dreiging" van Israël door de Syrische, en in mindere mate de Egyptische regering voornamelijk gebruikt om hun jarenlange noodtoestand te rechtvaardigen, terwijl de "dreiging" van de Arabische buurlanden door Israël wordt gebruikt om hun militaristisch beleid te rechtvaardigen en de steun van het Westen veilig te stellen. Het feit dat het de internationale gemeenschap niet is gelukt om de militaire bezetting van de Palestijnse Gebieden door Israël te beëindigen en te komen tot een duurzame oplossing, waarin de fundamentele rechten van zowel Israëli's als Palestijnen worden erkend en gegarandeerd, werpt een donkere schaduw over de regio als geheel en is nog steeds een potentiële bron van regionale, zelfs wereldwijde confrontatie.
Regeringen in de regio zijn nog steeds gericht op "staatsveiligheid" en "openbare veiligheid", met nadelige gevolgen voor de mensenrechten. Dit is nog verergerd sinds het begin van de "oorlog tegen terrorisme". Ernstige mensenrechtenschendingen zijn nog steeds wijdverbreid en diepgeworteld in veel landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Ondanks het feit dat er wordt gesproken over meer democratie, goed bestuur en het afleggen van verantwoording, is de macht nog vooral stevig in handen van kleine elites – de geestelijke oligarchie in Iran; burgers met nauwe banden met het leger in Algerije, Egypte en Tunesië; religieuze minderheden in de golfstaten; secularistische leden van de Ba'ath Partij in Syrië. Voor alle deze elites geldt dat ze nauwelijks aansprakelijk zijn voor degenen over wie ze regeren.
In de hele regio wordt staatsmacht gehandhaafd en worden afwijkende meningen en debat onderdrukt door almachtige veiligheids- en inlichtingendiensten. Degenen die voor hun mening uitkomen, lopen het risico slachtoffer te worden van willekeurige arrestatie en detentie zonder proces, marteling en andere vormen van mishandeling door de veiligheidspolitie die ongestraft mensenrechtenschendingen mogen plegen van hun politieke bazen. Voor deze slachtoffers zijn er vaak geen middelen om verhaal te halen of rechtsherstel te krijgen. Rechtbanken zijn niet onafhankelijk – ze dienen de uitvoerende macht.
In het verleden spraken westerse regeringen zich tenminste uit tegen dergelijke schendingen en pleitten ze voor een veranderingsproces, zelfs als ze niet bereid waren hun eigen economische belangen op het spel te zetten en ook zelf een zeer repressief beleid hadden gevoerd in hun koloniale periode. Maar sinds 11 september 2001 is zelfs hun kritiek verstomd. In hun "oorlog tegen terrorisme" hebben de Verenigde Staten en andere westerse landen bondgenootschappen gesloten met de veiligheids- en inlichtingendiensten van een aantal van de meest repressieve regimes in de regio. Ze hebben in het geheim verdachten "overgeleverd" aan landen als Egypte, Jordanië en Syrië, zodat ze kunnen worden gedetineerd, ondervraagd en gemarteld, of ze hebben verdachten gedeporteerd naar Algerije of Tunesië ondanks dergelijke risico's. Hiermee hebben ze niet alleen het internationaal recht overtreden, maar hielpen ze bovendien mee aan het verankeren van de corrupte methoden van het veiligheidsapparaat in de regio.
Vandaag de dag moet voor hoop op hervorming vooral worden gekeken naar de groeiende generatie jonge mensen in de regio, die zich steeds vaker afvragen waarom hun onvervreemdbare mensenrechten niet voor hen gelden. Dankzij het steeds grotere bereik van satellietuitzendingen en toenemend internetgebruik kan de ruimte voor debat nu niet meer zo eenvoudig worden gesloten.
De standpunten van de regerende elites in de regio worden ter discussie gesteld. Er wordt druk uitgeoefend om aanpassingen door te voeren en meer verantwoording af te leggen tegenover de bevolking die ze vertegenwoordigen. Langzaam maar zeker komt er een transformatie op gang. De tekenen zijn overal – de campagnes voor "Eén miljoen handtekeningen" en "Stop steniging" van mensenrechtenactivisten in Iran; protesten door rechters die meer juridische onafhankelijkheid eisen in Egypte; de emancipatie van vrouwen in Koeweit; pogingen in Marokko om de schendingen uit het verleden aan te pakken en om de doodstraf af te schaffen; de vastberadenheid van de gevangengenomen ondertekenaars van de Verklaring van Damascus in Syrië; en de pogingen om een brug te slaan tussen gemeenschappen door Israëlische en Palestijnse organisaties die zich inzetten voor mensenrechten.
Aan het einde van 2007 concentreerden Turkse troepen zich bij de grens met Irak voor aanvallen op Turks-Koerdische separatisten die daar waren gelegerd. De steeds scherpere woordentwist tussen de Amerikaanse en Iraanse regering vormde een bedreiging voor de hele Golf.
De situatie in de door Israël bezette Palestijnse Gebieden was niet veel beter. Palestijnse gewapende groeperingen gingen door met het willekeurig afschieten van zelfgemaakte "Qassam"-raketten op het zuiden van Israël, terwijl Israël terugsloeg met zijn militaire macht, waarbij veel burgers werden gedood en verminkt. Tegelijkertijd gingen de Israëlische autoriteiten door met het uitbreiden van illegale nederzettingen op de bezette Westoever, het strikt controleren van de bewegingen van Palestijnen en het bouwen van een "beschermende" muur/hek waarvoor ze steeds grotere stukken Palestijns land onteigenden. Op de Westoever en in Gaza werd het effect van deze maatregelen nog versterkt door groeiende tegenstellingen binnen de Palestijnse gemeenschap. Botsingen in de eerste helft van het jaar tussen rivaliserende Palestijnse veiligheidstroepen en gewapende groeperingen die trouw waren aan Fatah en Hamas bereikten in juni een hoogtepunt toen Hamas de controle over de Gazastrook overnam, waardoor de door Fatah geleide Palestijnse Autoriteit nog slechts de controle had over de Westoever. De internationale gemeenschap zette meteen de hulp aan Gaza stop en de Israëlische autoriteiten wierpen een blokkade op – waarmee een collectieve straf werd opgelegd aan de 1,5 miljoen inwoners van de Gazastrook. De meest kwetsbaren – kinderen, bejaarden en zieken – hadden hier het meest onder te lijden. Mensen met levensbedreigende ziekten mochten het gebied niet verlaten voor medische behandeling.
Aan het einde van het jaar vormden Jemenieten de grootste groep gevangenen die in de Amerikaanse gevangenis in Guantánamo Bay in Cuba werden vastgehouden. Sommige staatsburgers van andere landen, zoals Bahrein, Koeweit, Libië, Saudi-Arabië en Tunesië werden teruggestuurd naar hun eigen land. Meestal werden ze bij aankomst gedetineerd, maar een aantal van hen werd snel vrijgelaten, terwijl anderen werden berecht en tot gevangenisstraffen werden veroordeeld. In Saudi-Arabië werden de teruggekeerde gevangenen onderworpen aan een "hervormingsprogramma" waarover maar weinig details bekend waren, waaronder de vraag of het programma vrijwillig of verplicht was. In sommige gevallen – bijvoorbeeld in het geval van twee mannen die waren teruggestuurd naar Libië en die vervolgens zouden zijn gedetineerd zonder proces – was hun lot aan het einde van het jaar onzeker.
In Saudi-Arabië, evenals in andere landen, werd de "oorlog tegen terrorisme" door de autoriteiten ook gebruikt om repressieve maatregelen te rechtvaardigen die al lang voor de opkomst van Al-Qaida bestonden. Extreme maatregelen zoals willekeurige arrestaties, geheime en incommunicado-detentie en huiszoekingen en beslagleggingen werden niet alleen tegen vermeende terroristen gebruikt, maar werden ook veel breder ingezet om afwijkende meningen te onderdrukken. In Egypte werden vooraanstaande leden van de Moslimbroederschap aangeklaagd en, hoewel zij burgers waren, na een presidentieel besluit voorgeleid aan een militaire rechtbank nadat een burgerrechtbank alle aanklachten tegen een aantal van hen had afgewezen. In Marokko werden meer dan honderd personen gedetineerd als vermeende militante islamisten.
Gedetineerden – zowel politieke gevangenen als gewone gevangenen – waren vaak het slachtoffer van marteling en andere vormen van mishandeling door de veiligheidspolitie, waarvan de werkwijze bestond uit het slaan van verdachten totdat ze "bekenden". In het geval van politieke gevangenen werden ze in verschillende landen bijgestaan door rechtbanken waarvan de rechters marteling voorafgaand aan het proces herhaaldelijk negeerden en die verzoeken van de advocaten om de beklaagden medisch te laten onderzoeken afwezen en verdachten schuldig bevonden enkel en alleen op basis van "bewijs" dat door middel van marteling was verkregen. Het Opperste Gerechtshof voor de Staatsveiligheid in Syrië was hiervan slechts één voorbeeld. De oprichting van een Gerechtshof voor de Staatsveiligheid door de Libische autoriteiten was veelzeggend en riep herinneringen op aan de oneerlijke, in opspraak geraakte Volksrechtbank die pas in 2005 werd opgeheven.
Wrede en onmenselijke straffen zoals geseling en amputatie werden in verschillende landen toegepast, bijvoorbeeld in Qatar, Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten.
Daar stond tegenover dat het toenemende gebruik van internet en mobiele telefoons, ondanks het feit dat de overheid de toegang hiertoe belemmerde, meer openbare toegang tot informatie bood en soms nieuwe druk op autoriteiten mobiliseerde. In Egypte zorgden een paar fragmenten van een filmpje dat door de politie met een mobiele telefoon was gemaakt, en dat circuleerde in de buurt waar het slachtoffer vandaan kwam, tot grote verontwaardiging. Het toonde de marteling door de plaatselijke politie en hun gevoel van onaantastbaarheid. Een dergelijk effect was nog nooit eerder bereikt met de vele woorden die in de loop van vele jaren hierover waren gesproken en geschreven. De autoriteiten waren gedwongen zich te verdedigen en de verantwoordelijke politiefunctionarissen te vervolgen.
De Iraanse autoriteiten gebruikten executies om tegenstanders te intimideren – met openbare ophangingen. De regering van Saudi-Arabië sprak over wettelijke hervormingen, maar het aantal executies na oneerlijke processen nam sterk toe. Veel verdachten waren buitenlandse staatsburgers, vooral arme Afrikaanse of Aziatische migrantenarbeiders, die werden veroordeeld na processen die werden gevoerd in een taal die ze niet verstonden. Sommigen kregen pas kort voor hun dood te horen dat ze zouden worden geëxecuteerd. In zowel Iran als Saudi-Arabïe werden minderjarige misdadigers terechtgesteld, een grove schending van het internationaal recht. In Iran waren er onder de geëxecuteerden personen die waren veroordeeld wegens misdaden tegen de moraal; ten minste één persoon werd gestenigd. Ook in Jemen en Syrië vonden er executies plaats, vaak na oneerlijke processen. In Jemen werd één veroordeelde minderjarige misdadiger, Hafez Ibrahim, slechts een paar uur voor zijn executie gered – na een dringend telefoontje naar Amnesty International en nadat president ‘Ali Abdullah Saleh had ingegrepen na internationale oproepen.
In december stemde de vertegenwoordiger van Algerije vóór het wereldwijde moratorium op executies waarover de Algemene Vergadering van de VN het eens was geworden. De vertegenwoordigers van Marokko, Libanon en de Verenigde Arabische Emiraten onthielden zich van stemming en die van Tunesië bracht geen stem uit. Er was bezorgdheid dat de Arabische landen een blok zouden vormen en tegen het moratorium zouden stemmen; dat ze dit niet deden was bemoedigend.
Niettemin hadden vrouwen in het grootste deel van de regio nog steeds een lagere status dan mannen binnen het familierecht en andere wetgeving. Geweld tegen vrouwen was nog steeds wijdverbreid en diepgeworteld en vaak het gevolg van heersende sociale en culturele normen die in stand werden gehouden en werden verergerd doordat de autoriteiten misbruik niet aanpakten. In Egypte zouden in de eerste helft van 2007 bijna 250 vrouwen zijn gedood door gewelddadige echtgenoten of andere familieleden, werden gemiddeld twee vrouwen per uur verkracht en kwam besnijdenis van meisjes nog steeds veel voor, ondanks het feit dat dit tegenwoordig illegaal is. "Eremoorden" werden nog steeds gepleegd in Jordanië, Syrië en andere landen. In het zuiden van Irak werden vrouwen door sjiitische activisten vermoord omdat ze de strikte kleding- en moraalvoorschriften hadden overtreden.
De meest symbolische zaak was waarschijnlijk die in Saudi-Arabië waarbij een door mannen voorgezeten rechtbank een jonge vrouw veroordeelde tot geseling en gevangenisstraf, hoewel de rechtbank erkende dat ze het slachtoffer was van een groepsverkrachting. Haar misdaad? Ze bevond zich in het gezelschap van een mannelijke vriend toen ze beiden werden aangevallen door de verkrachters. Na een golf van publiciteit werd de zaak tegen haar ingetrokken nadat de koning in december een pardon had verleend.
Er waren echter ook op dit gebied bemoedigende ontwikkelingen. Twee vooraanstaande moslimgeestelijken, de Groot Moefti van Syrië, Ahmad Hassoun en de hoogste sjiitische geestelijke van Libanon, Ayatollah Mohammed Hussein Fadlallah, spraken zich beiden krachtig uit tegen "eremisdaden" en ander geweld tegen vrouwen, waarbij ze dergelijk misbruik "on-islamitisch" noemden.
Enkele honderdduizenden Palestijnse vluchtelingen zaten nog steeds geïsoleerd in verpauperde kampen in Libanon, waar hun families ten tijde van de oprichting van Israël in 1948 heen waren gevlucht. Ze waren nog steeds het slachtoffer van discriminatie en hadden geen toegang tot gezondheidszorg, onderwijs en werk, hoewel velen van hen al hun hele leven in Libanon wonen. In mei kwam hun situatie in de publiciteit toen er in Nahr al-Bared, één van de grootste vluchtelingenkampen bij Tripoli, gevechten uitbraken tussen het Libanese leger en leden van een islamistische gewapende groepering die zich daar had gestationeerd. Zo’n dertigduizend Palestijnse bewoners moesten het kamp gedwongen ontvluchten.
Migranten, vluchtelingen en asielzoekers uit Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara hadden ernstige problemen in Marokko, Algerije en Libië, vooral als ze via deze landen naar zuidelijk Europa wilden reizen. In Marokko werden mensen, onder wie erkende vluchtelingen, willekeurig gedetineerd en zonder voldoende voedsel of water achtergelaten bij de onherbergzame landsgrens met Algerije. De Libische autoriteiten voerden massale arrestaties en deportaties uit zonder te controleren of het ging om vluchtelingen op de vlucht voor vervolging die bescherming nodig hadden, of om economische migranten van wie ze de mensenrechten ook moesten respecteren. Dit alles ging naar verluidt gepaard met marteling en andere vormen van mishandeling. In Egypte doodden veiligheidstroepen ten minste zes vluchtelingen of migranten die de grens met Israël probeerden over te steken.
In de golfstaten vervulden migrantenarbeiders essentiële maar laagbetaalde banen in de bouw of dienstensector en waren vooral vrouwen die in het huishouden werkten het slachtoffer van misbruik door werkgevers en anderen, waaronder verkrachting en ander seksueel geweld. Ze werden onvoldoende beschermd door de wet en regeringsinstanties toonden weinig betrokkenheid bij het handhaven van hun mensenrechten.
Een terugblik op 2007: conflicten
"Oorlog tegen terrorisme"
Detentie zonder proces, marteling en andere vormen van mishandeling
Beperking van vrijheid van meningsuiting en afwijkende meningen
Doodstraf
Geweld tegen vrouwen
Vluchtelingen en migranten
Mensenrechtenverdedigers
De Universele Verklaring - zestig jaar later
Zestig jaar geleden namen vertegenwoordigers van verschillende regeringen uit het Midden-Oosten deel aan de onderhandelingen om de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aan te nemen. Egypte, Iran, Irak, Libanon en Syrië behoorden tot de 48 landen met visie die de Universele Verklaring aannamen. Saudi-Arabië behoorde samen met de Sovjet-Unie en de apartheidsregering van Zuid-Afrika tot de acht landen die zich onthielden van stemming.Zes decennia later zou men verwachten dat de Universele Verklaring, met zoveel steun bij de invoering, een grotere invloed zou hebben gehad in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. De regio ligt echter achter op Afrika, Noord- en Zuid-Amerika en Europa voor wat betreft het ontwikkelen van effectieve wettelijk kaders en handhavingssystemen voor het bevorderen en beschermen van mensenrechten. Bepaalde landen, zoals Saudi-Arabië en een aantal van de golfstaten, moeten zelfs nog twee essentiële internationale verdragen ondertekenen die direct zijn voortgekomen uit de Universele Verklaring, te weten de verdragen voor Burgerrechten en Politieke Rechten, en voor Economische, Sociale en Culturele Rechten; beide verdragen zijn door de meeste andere landen al jaren geleden geratificeerd. En Iran is één van de weinige landen die het Verdrag voor de Uitbanning van Discriminatie van Vrouwen (CEDAW) nog niet heeft ondertekend.
Pas nu, in het jaar van de zestigste verjaardag van de Universele Verklaring, wordt er een Arabisch Handvest voor de Mensenrechten van kracht. Dit Handvest bevat positieve punten die een uitbreiding vormen op de rechten die in internationale mensenrechtenverdragen zijn vastgelegd, maar bevat ook een aantal zeer negatieve aspecten – het bevat bijvoorbeeld geen verbod op executies van kinderen – die landen zouden kunnen gebruiken om hun verplichtingen volgens bindende wereldwijde standaards te ondermijnen.
Er zijn vele en complexe redenen waarom het internationale mensenrechtensysteem zich in het Midden-Oosten en Noord-Afrika slechts langzaam heeft ontwikkeld. De Universele Verklaring werd door veel leiders in zekere mate afgeschilderd als een poging om "westerse" waarden op te leggen in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. De verwijzingen in de Universele Verklaring naar het verbod op discriminatie botsten bijvoorbeeld met rechtssystemen en het gewoonterecht in landen in de regio, met opvattingen over vrijheid van godsdienst en met de andere rollen en posities van vrouwen en mannen.
Deze bezorgdheid was overkomelijk geweest als er in 1948 niet nog andere belangrijke ontwikkelingen waren geweest, namelijk de oprichting van de staat Israël en de daaropvolgende verdrijving van de Palestijnse bevolking. Het oprichten van een joodse staat middenin de Arabisch-islamitische wereld had een ingrijpend effect en leidde in feite tot een continue oorlogstoestand tussen Israël en zijn Arabische buren. De verdrijving van de Palestijnen en het ontstaan van een Palestijnse vluchtelingenbevolking in ballingschap leidde tot een problematische situatie die nog steeds niet is opgelost en die wordt gekenmerkt door terugkerende gevechten tussen Israël en zijn buren – met als meest recente voorbeeld de 34-daagse oorlog tussen Israël en Hezbollah in 2006.
Populaire opvattingen worden vaak misbruikt voor politiek opportunisme. Zo wordt de "dreiging" van Israël door de Syrische, en in mindere mate de Egyptische regering voornamelijk gebruikt om hun jarenlange noodtoestand te rechtvaardigen, terwijl de "dreiging" van de Arabische buurlanden door Israël wordt gebruikt om hun militaristisch beleid te rechtvaardigen en de steun van het Westen veilig te stellen. Het feit dat het de internationale gemeenschap niet is gelukt om de militaire bezetting van de Palestijnse Gebieden door Israël te beëindigen en te komen tot een duurzame oplossing, waarin de fundamentele rechten van zowel Israëli's als Palestijnen worden erkend en gegarandeerd, werpt een donkere schaduw over de regio als geheel en is nog steeds een potentiële bron van regionale, zelfs wereldwijde confrontatie.
Regeringen in de regio zijn nog steeds gericht op "staatsveiligheid" en "openbare veiligheid", met nadelige gevolgen voor de mensenrechten. Dit is nog verergerd sinds het begin van de "oorlog tegen terrorisme". Ernstige mensenrechtenschendingen zijn nog steeds wijdverbreid en diepgeworteld in veel landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Ondanks het feit dat er wordt gesproken over meer democratie, goed bestuur en het afleggen van verantwoording, is de macht nog vooral stevig in handen van kleine elites – de geestelijke oligarchie in Iran; burgers met nauwe banden met het leger in Algerije, Egypte en Tunesië; religieuze minderheden in de golfstaten; secularistische leden van de Ba'ath Partij in Syrië. Voor alle deze elites geldt dat ze nauwelijks aansprakelijk zijn voor degenen over wie ze regeren.
In de hele regio wordt staatsmacht gehandhaafd en worden afwijkende meningen en debat onderdrukt door almachtige veiligheids- en inlichtingendiensten. Degenen die voor hun mening uitkomen, lopen het risico slachtoffer te worden van willekeurige arrestatie en detentie zonder proces, marteling en andere vormen van mishandeling door de veiligheidspolitie die ongestraft mensenrechtenschendingen mogen plegen van hun politieke bazen. Voor deze slachtoffers zijn er vaak geen middelen om verhaal te halen of rechtsherstel te krijgen. Rechtbanken zijn niet onafhankelijk – ze dienen de uitvoerende macht.
In het verleden spraken westerse regeringen zich tenminste uit tegen dergelijke schendingen en pleitten ze voor een veranderingsproces, zelfs als ze niet bereid waren hun eigen economische belangen op het spel te zetten en ook zelf een zeer repressief beleid hadden gevoerd in hun koloniale periode. Maar sinds 11 september 2001 is zelfs hun kritiek verstomd. In hun "oorlog tegen terrorisme" hebben de Verenigde Staten en andere westerse landen bondgenootschappen gesloten met de veiligheids- en inlichtingendiensten van een aantal van de meest repressieve regimes in de regio. Ze hebben in het geheim verdachten "overgeleverd" aan landen als Egypte, Jordanië en Syrië, zodat ze kunnen worden gedetineerd, ondervraagd en gemarteld, of ze hebben verdachten gedeporteerd naar Algerije of Tunesië ondanks dergelijke risico's. Hiermee hebben ze niet alleen het internationaal recht overtreden, maar hielpen ze bovendien mee aan het verankeren van de corrupte methoden van het veiligheidsapparaat in de regio.
Vandaag de dag moet voor hoop op hervorming vooral worden gekeken naar de groeiende generatie jonge mensen in de regio, die zich steeds vaker afvragen waarom hun onvervreemdbare mensenrechten niet voor hen gelden. Dankzij het steeds grotere bereik van satellietuitzendingen en toenemend internetgebruik kan de ruimte voor debat nu niet meer zo eenvoudig worden gesloten.
De standpunten van de regerende elites in de regio worden ter discussie gesteld. Er wordt druk uitgeoefend om aanpassingen door te voeren en meer verantwoording af te leggen tegenover de bevolking die ze vertegenwoordigen. Langzaam maar zeker komt er een transformatie op gang. De tekenen zijn overal – de campagnes voor "Eén miljoen handtekeningen" en "Stop steniging" van mensenrechtenactivisten in Iran; protesten door rechters die meer juridische onafhankelijkheid eisen in Egypte; de emancipatie van vrouwen in Koeweit; pogingen in Marokko om de schendingen uit het verleden aan te pakken en om de doodstraf af te schaffen; de vastberadenheid van de gevangengenomen ondertekenaars van de Verklaring van Damascus in Syrië; en de pogingen om een brug te slaan tussen gemeenschappen door Israëlische en Palestijnse organisaties die zich inzetten voor mensenrechten.
Een terugblik op 2007: conflicten
In 2007, bijna vijf jaar na de door de Amerikanen geleide invasie waarbij Saddam Hussein ten val werd gebracht, was het conflict in Irak nauwelijks in hevigheid afgenomen. Aan het begin van het jaar zegde de Amerikaanse president Bush nog eens 26.000 extra troepen toe voor een grote "golf" om de veiligheid te verbeteren, maar mensenrechtenschendingen waren nog steeds wijdverbreid en kenden verschillende daders – sjiitische en soennitische gewapende groeperingen en milities, Iraakse regeringstroepen en de door de Amerikanen geleide Multinationale Troepenmacht (MNF). Sektarisch geweld leidde tot duizenden doden en ernstige verminkingen en marteling. Veel Irakezen werden gedwongen uit hun huizen te vluchten – zo'n twee miljoen vluchtelingen en nog eens 2,2 miljoen ontheemden in eigen land. Tegen het einde van het jaar suggereerden bronnen van de Amerikaanse en Irakese regering dat de "golf" succesvol was geweest en had bijgedragen aan een afname van het aantal burgerdoden en de terugkeer van een aantal vluchtelingen, maar er waren nog steeds regelmatig aanvallen en de omstandigheden waaronder de meeste Irakezen leefden waren alarmerend. Meer dan zestigduizend mensen werden zonder proces gedetineerd door de door de MNF en de Iraakse autoriteiten. Marteling kwam zeer veel voor en werd ongestraft door de Iraakse veiligheidstroepen toegepast. Degenen die werden beschuldigd van aanvallen en moorden werden voor rechtbanken gesleept waar ze geen eerlijk proces kregen, maar wel steeds vaker ter dood werden veroordeeld.Aan het einde van 2007 concentreerden Turkse troepen zich bij de grens met Irak voor aanvallen op Turks-Koerdische separatisten die daar waren gelegerd. De steeds scherpere woordentwist tussen de Amerikaanse en Iraanse regering vormde een bedreiging voor de hele Golf.
De situatie in de door Israël bezette Palestijnse Gebieden was niet veel beter. Palestijnse gewapende groeperingen gingen door met het willekeurig afschieten van zelfgemaakte "Qassam"-raketten op het zuiden van Israël, terwijl Israël terugsloeg met zijn militaire macht, waarbij veel burgers werden gedood en verminkt. Tegelijkertijd gingen de Israëlische autoriteiten door met het uitbreiden van illegale nederzettingen op de bezette Westoever, het strikt controleren van de bewegingen van Palestijnen en het bouwen van een "beschermende" muur/hek waarvoor ze steeds grotere stukken Palestijns land onteigenden. Op de Westoever en in Gaza werd het effect van deze maatregelen nog versterkt door groeiende tegenstellingen binnen de Palestijnse gemeenschap. Botsingen in de eerste helft van het jaar tussen rivaliserende Palestijnse veiligheidstroepen en gewapende groeperingen die trouw waren aan Fatah en Hamas bereikten in juni een hoogtepunt toen Hamas de controle over de Gazastrook overnam, waardoor de door Fatah geleide Palestijnse Autoriteit nog slechts de controle had over de Westoever. De internationale gemeenschap zette meteen de hulp aan Gaza stop en de Israëlische autoriteiten wierpen een blokkade op – waarmee een collectieve straf werd opgelegd aan de 1,5 miljoen inwoners van de Gazastrook. De meest kwetsbaren – kinderen, bejaarden en zieken – hadden hier het meest onder te lijden. Mensen met levensbedreigende ziekten mochten het gebied niet verlaten voor medische behandeling.
"Oorlog tegen terrorisme"
De "oorlog tegen terrorisme" had nog steeds een grote invloed op de hele regio. Dit werd verergerd door aanvallen zoals die van een gewapende groepering in Algerije waarbij zo’n honderddertig personen omkwamen, onder wie veel burgers. Deze betreurenswaardige aanvallen werden onvoorwaardelijk veroordeeld door Amnesty International, maar ze vormden geen rechtvaardiging voor de wijdverspreide mensenrechtenschendingen die nog steeds in de naam van de "oorlog tegen terrorisme" werden gepleegd en die gericht waren tegen vele mensen die niet bij terrorisme of ander geweld betrokken waren.Aan het einde van het jaar vormden Jemenieten de grootste groep gevangenen die in de Amerikaanse gevangenis in Guantánamo Bay in Cuba werden vastgehouden. Sommige staatsburgers van andere landen, zoals Bahrein, Koeweit, Libië, Saudi-Arabië en Tunesië werden teruggestuurd naar hun eigen land. Meestal werden ze bij aankomst gedetineerd, maar een aantal van hen werd snel vrijgelaten, terwijl anderen werden berecht en tot gevangenisstraffen werden veroordeeld. In Saudi-Arabië werden de teruggekeerde gevangenen onderworpen aan een "hervormingsprogramma" waarover maar weinig details bekend waren, waaronder de vraag of het programma vrijwillig of verplicht was. In sommige gevallen – bijvoorbeeld in het geval van twee mannen die waren teruggestuurd naar Libië en die vervolgens zouden zijn gedetineerd zonder proces – was hun lot aan het einde van het jaar onzeker.
In Saudi-Arabië, evenals in andere landen, werd de "oorlog tegen terrorisme" door de autoriteiten ook gebruikt om repressieve maatregelen te rechtvaardigen die al lang voor de opkomst van Al-Qaida bestonden. Extreme maatregelen zoals willekeurige arrestaties, geheime en incommunicado-detentie en huiszoekingen en beslagleggingen werden niet alleen tegen vermeende terroristen gebruikt, maar werden ook veel breder ingezet om afwijkende meningen te onderdrukken. In Egypte werden vooraanstaande leden van de Moslimbroederschap aangeklaagd en, hoewel zij burgers waren, na een presidentieel besluit voorgeleid aan een militaire rechtbank nadat een burgerrechtbank alle aanklachten tegen een aantal van hen had afgewezen. In Marokko werden meer dan honderd personen gedetineerd als vermeende militante islamisten.
Detentie zonder proces, marteling en andere vormen van mishandeling
Duizenden mensen in de hele regio werden zonder proces en om politieke redenen gedetineerd. De Egyptische autoriteiten hielden naar verluidt zo’n achttienduizend personen in administratieve hechtenis, onder wie een aantal die jaren geleden waren gearresteerd, terwijl het ministerie van Binnenlandse Zaken beweerde dat het niet meer dan vijftienhonderd personen in hechtenis had. De regering van Saudi-Arabië maakte bekend dat er negenduizend personen waren gedetineerd sinds 2003, van wie er in juli 2007 nog meer dan drieduizend vastzaten. De Israëlische regering hield meer dan achthonderd Palestijnen in administratieve hechtenis. Net als de meer dan achtduizend andere Palestijnen, onder wie kinderen, die door de Israëlische autoriteiten preventief waren gedetineerd of die een straf uitzaten, werden ze, in strijd met internationaal recht, voornamelijk in Israël vastgehouden, waardoor ze in de praktijk geen familiebezoek konden ontvangen.Gedetineerden – zowel politieke gevangenen als gewone gevangenen – waren vaak het slachtoffer van marteling en andere vormen van mishandeling door de veiligheidspolitie, waarvan de werkwijze bestond uit het slaan van verdachten totdat ze "bekenden". In het geval van politieke gevangenen werden ze in verschillende landen bijgestaan door rechtbanken waarvan de rechters marteling voorafgaand aan het proces herhaaldelijk negeerden en die verzoeken van de advocaten om de beklaagden medisch te laten onderzoeken afwezen en verdachten schuldig bevonden enkel en alleen op basis van "bewijs" dat door middel van marteling was verkregen. Het Opperste Gerechtshof voor de Staatsveiligheid in Syrië was hiervan slechts één voorbeeld. De oprichting van een Gerechtshof voor de Staatsveiligheid door de Libische autoriteiten was veelzeggend en riep herinneringen op aan de oneerlijke, in opspraak geraakte Volksrechtbank die pas in 2005 werd opgeheven.
Wrede en onmenselijke straffen zoals geseling en amputatie werden in verschillende landen toegepast, bijvoorbeeld in Qatar, Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten.
Beperking van vrijheid van meningsuiting en afwijkende meningen
De meeste regeringen oefenden nog steeds strenge controle uit op de vrijheid van meningsuiting en kozen journalisten en anderen van wie ze de uitspraken, artikelen of blogs als te kritisch of gezagsondermijnend beschouwden, als doelwit. Autoriteiten klaagden journalisten en bloggers aan wegens smaad in Algerije, Egypte, Marokko, Tunesië, de Verenigde Arabische Emiraten en Jemen. In Iran werden journalisten gevangengezet wegens het uiten van hun mening; in Irak werden ze vermoord door vage gewapende groeperingen. In veel landen werden personen die afwijkende meningen uitten en activisten voor politieke rechten en mensenrechten geconfronteerd met arrestaties en gevangenisstraf, dwarsboming en intimidatie door de autoriteiten.Daar stond tegenover dat het toenemende gebruik van internet en mobiele telefoons, ondanks het feit dat de overheid de toegang hiertoe belemmerde, meer openbare toegang tot informatie bood en soms nieuwe druk op autoriteiten mobiliseerde. In Egypte zorgden een paar fragmenten van een filmpje dat door de politie met een mobiele telefoon was gemaakt, en dat circuleerde in de buurt waar het slachtoffer vandaan kwam, tot grote verontwaardiging. Het toonde de marteling door de plaatselijke politie en hun gevoel van onaantastbaarheid. Een dergelijk effect was nog nooit eerder bereikt met de vele woorden die in de loop van vele jaren hierover waren gesproken en geschreven. De autoriteiten waren gedwongen zich te verdedigen en de verantwoordelijke politiefunctionarissen te vervolgen.
Doodstraf
De doodstraf werd nog steeds veelvuldig toegepast in Iran, Saudi-Arabië, Irak en Jemen; de regeringen van deze landen behoorden tot ‘s werelds belangrijkste uitvoerders van de doodstraf. De Iraakse regering hield vol dat ze hiermee reageerde op de uitzichtloze veiligheidssituatie en dergelijke extreme maatregelen liever niet zou nemen. Hier stond tegenover dat de Maghreb-landen hun reeds lang van kracht zijnde moratorium op executies handhaafden, ondanks het feit dat er burgers werden gedood bij terroristische aanslagen.De Iraanse autoriteiten gebruikten executies om tegenstanders te intimideren – met openbare ophangingen. De regering van Saudi-Arabië sprak over wettelijke hervormingen, maar het aantal executies na oneerlijke processen nam sterk toe. Veel verdachten waren buitenlandse staatsburgers, vooral arme Afrikaanse of Aziatische migrantenarbeiders, die werden veroordeeld na processen die werden gevoerd in een taal die ze niet verstonden. Sommigen kregen pas kort voor hun dood te horen dat ze zouden worden geëxecuteerd. In zowel Iran als Saudi-Arabïe werden minderjarige misdadigers terechtgesteld, een grove schending van het internationaal recht. In Iran waren er onder de geëxecuteerden personen die waren veroordeeld wegens misdaden tegen de moraal; ten minste één persoon werd gestenigd. Ook in Jemen en Syrië vonden er executies plaats, vaak na oneerlijke processen. In Jemen werd één veroordeelde minderjarige misdadiger, Hafez Ibrahim, slechts een paar uur voor zijn executie gered – na een dringend telefoontje naar Amnesty International en nadat president ‘Ali Abdullah Saleh had ingegrepen na internationale oproepen.
In december stemde de vertegenwoordiger van Algerije vóór het wereldwijde moratorium op executies waarover de Algemene Vergadering van de VN het eens was geworden. De vertegenwoordigers van Marokko, Libanon en de Verenigde Arabische Emiraten onthielden zich van stemming en die van Tunesië bracht geen stem uit. Er was bezorgdheid dat de Arabische landen een blok zouden vormen en tegen het moratorium zouden stemmen; dat ze dit niet deden was bemoedigend.
Geweld tegen vrouwen
In landen als Algerije, Irak, Israël, Koeweit, Tunesië en Jemen zaten vrouwen in het kabinet of in het nationale parlement of vervulden ze een vooraanstaande rol in een steeds groter aantal verschillende beroepen.Niettemin hadden vrouwen in het grootste deel van de regio nog steeds een lagere status dan mannen binnen het familierecht en andere wetgeving. Geweld tegen vrouwen was nog steeds wijdverbreid en diepgeworteld en vaak het gevolg van heersende sociale en culturele normen die in stand werden gehouden en werden verergerd doordat de autoriteiten misbruik niet aanpakten. In Egypte zouden in de eerste helft van 2007 bijna 250 vrouwen zijn gedood door gewelddadige echtgenoten of andere familieleden, werden gemiddeld twee vrouwen per uur verkracht en kwam besnijdenis van meisjes nog steeds veel voor, ondanks het feit dat dit tegenwoordig illegaal is. "Eremoorden" werden nog steeds gepleegd in Jordanië, Syrië en andere landen. In het zuiden van Irak werden vrouwen door sjiitische activisten vermoord omdat ze de strikte kleding- en moraalvoorschriften hadden overtreden.
De meest symbolische zaak was waarschijnlijk die in Saudi-Arabië waarbij een door mannen voorgezeten rechtbank een jonge vrouw veroordeelde tot geseling en gevangenisstraf, hoewel de rechtbank erkende dat ze het slachtoffer was van een groepsverkrachting. Haar misdaad? Ze bevond zich in het gezelschap van een mannelijke vriend toen ze beiden werden aangevallen door de verkrachters. Na een golf van publiciteit werd de zaak tegen haar ingetrokken nadat de koning in december een pardon had verleend.
Er waren echter ook op dit gebied bemoedigende ontwikkelingen. Twee vooraanstaande moslimgeestelijken, de Groot Moefti van Syrië, Ahmad Hassoun en de hoogste sjiitische geestelijke van Libanon, Ayatollah Mohammed Hussein Fadlallah, spraken zich beiden krachtig uit tegen "eremisdaden" en ander geweld tegen vrouwen, waarbij ze dergelijk misbruik "on-islamitisch" noemden.
Vluchtelingen en migranten
Voortdurende conflicten en mensenrechtenschendingen leidden ertoe dat nog eens duizenden Irakezen hun huizen ontvluchtten. Meer dan twee miljoen Irakezen waren ontheemd in eigen land; nog eens twee miljoen Irakezen waren vluchtelingen. Binnen Irak sloten sommige provincies naar verluidt hun grenzen voor de ontheemden, terwijl vooral Syrië en Jordanië de druk voelden van de vluchtelingencrisis. De internationale reactie op het verzoek van de Hoge VN-Commissaris voor de Vluchtelingen om humanitaire hulp was onvoldoende, hoewel sommige landen hervestigingsprogramma's opzetten om een klein aantal van de meest kwetsbare vluchtelingen op te nemen.Enkele honderdduizenden Palestijnse vluchtelingen zaten nog steeds geïsoleerd in verpauperde kampen in Libanon, waar hun families ten tijde van de oprichting van Israël in 1948 heen waren gevlucht. Ze waren nog steeds het slachtoffer van discriminatie en hadden geen toegang tot gezondheidszorg, onderwijs en werk, hoewel velen van hen al hun hele leven in Libanon wonen. In mei kwam hun situatie in de publiciteit toen er in Nahr al-Bared, één van de grootste vluchtelingenkampen bij Tripoli, gevechten uitbraken tussen het Libanese leger en leden van een islamistische gewapende groepering die zich daar had gestationeerd. Zo’n dertigduizend Palestijnse bewoners moesten het kamp gedwongen ontvluchten.
Migranten, vluchtelingen en asielzoekers uit Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara hadden ernstige problemen in Marokko, Algerije en Libië, vooral als ze via deze landen naar zuidelijk Europa wilden reizen. In Marokko werden mensen, onder wie erkende vluchtelingen, willekeurig gedetineerd en zonder voldoende voedsel of water achtergelaten bij de onherbergzame landsgrens met Algerije. De Libische autoriteiten voerden massale arrestaties en deportaties uit zonder te controleren of het ging om vluchtelingen op de vlucht voor vervolging die bescherming nodig hadden, of om economische migranten van wie ze de mensenrechten ook moesten respecteren. Dit alles ging naar verluidt gepaard met marteling en andere vormen van mishandeling. In Egypte doodden veiligheidstroepen ten minste zes vluchtelingen of migranten die de grens met Israël probeerden over te steken.
In de golfstaten vervulden migrantenarbeiders essentiële maar laagbetaalde banen in de bouw of dienstensector en waren vooral vrouwen die in het huishouden werkten het slachtoffer van misbruik door werkgevers en anderen, waaronder verkrachting en ander seksueel geweld. Ze werden onvoldoende beschermd door de wet en regeringsinstanties toonden weinig betrokkenheid bij het handhaven van hun mensenrechten.


