Home > De bibliotheek: Landeninformatie > Regionaal overzicht – Europa en Centraal-Azië
In talloze landen werd het steeds moeilijker om onafhankelijke standpunten te verkondigen |
REGIONAAL OVERZICHT – EUROPA EN CENTRAAL-AZIË
Uit het Jaarboek 2008
De Universele Verklaring - zestig jaar later
Een terugblik op 2007 - veiligheid en mensenrechten
Vluchtelingen, asielzoekers en migranten
Racisme en discriminatie
Straffeloosheid
Doodstraf
Geweld tegen vrouwen
Mensenhandel
Onderdrukking van onwelgevallige meningen
Binnen tien jaar had West-Europa namelijk het fundament gelegd voor wat zou uitgroeien tot een pan-Europese institutionele architectuur – met een mensenrechtensysteem dat elders in de wereld zijn gelijke niet kende, en een lokale kolen- en staalgemeenschap die geleidelijk werd omgevormd tot een unie met wereldwijde economische en politieke macht.
In die tijd ontwierp de Raad van Europa het eerste internationale rechtsinstrument om de mensenrechten te beschermen. Het richtte het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op om het instrument te handhaven, en riep een Parlementaire Assemblee in het leven. Het mechanisme van de raad, die inmiddels 47 lidstaten telt, is uitgebreid met een Commissaris voor de Rechten van de Mens en diverse toezichthoudende organen. De visie op mensenrechten, pluralistische democratie en de rechtsstaat is dezelfde gebleven.
De economische gemeenschappen die in de jaren ’50 het licht zagen zijn uitgegroeid tot de Europese Unie. De EU is gegroeid in omvang – om nieuwe lidstaten uit het voormalige Oostblok op te nemen, en qua visie – tot een ‘waardengemeenschap’ met de ambitie om mensenrechten centraal te stellen in haar binnen- en buitenlandse beleid.
De naoorlogse politieke verhoudingen in Europa vormden ook de aanleiding voor de vorming van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). Dit is ’s werelds grootste regionale veiligheidsorganisatie, met 56 deelnemende staten, waaronder de landen in Centraal-Azië. De organisatie stamt uit de periode van ontspanning aan het begin van de jaren ’70, toen ze diende als een multilateraal forum voor dialoog en overleg tussen oost en west. Een van de mijlpalen van de OVSE was het ‘Helsinki Proces’, dat weer ten grondslag lag aan de oprichting van een groot aantal ngo’s om toe te zien op naleving van de voornaamste mensenrechtentoezeggingen die staten hadden gedaan aan hun burgers.
Het pad is echter niet over rozen gegaan. In de tussenliggende zestig jaar zijn militaire dictaturen aan de macht geweest in Griekenland, Portugal, Spanje, Turkije en repressieve Sovjetstaten. Gewapende groeperingen hebben de zaak van een bepaalde minderheid of ideologie met geweld bepleit. Barbaarse conflicten hebben delen van de voormalige Sovjetunie en Joegoslavië verscheurd toen deze uiteenvielen. Nieuwe staten zijn ontstaan, maar ook rechtspersonen zonder eenduidige status die nog altijd niet erkend worden door de internationale gemeenschap.
Er blijven grote problemen. De rust is grotendeels weergekeerd in Europa, maar straffeloosheid duurt voort voor misdrijven begaan tijdens recente conflicten, waarbij honderdduizenden mensen ontheemd zijn geraakt en weinig uitzicht hebben op een spoedige terugkeer. De welvaart in de regio is over het algemeen toegenomen, maar niet voor de mensen die als gevolg van racisme of andere vormen van discriminatie verstoken zijn van fundamentele economische en sociale rechten.
Europa trekt mensen aan die op de vlucht zijn voor vervolging, geweld of armoede, maar laat ze vervolgens in de kou staan door repressief beleid ten aanzien van illegale migratie. Veiligheid is een eerste vereiste voor landen in heel Europa, maar toch wordt die stelselmatig ondermijnd door regeringen die bereid zijn mensenrechten ervoor op te offeren, uit naam van terrorismebestrijding, of die verzet op grove wijze de kop indrukken om aan de macht te blijven.
De regio is nog altijd onveilig voor de talloze slachtoffers van huiselijk geweld.
Helaas moeten we ook constateren dat in Europa, dat zichzelf beschouwt als de bakermat van de mensenrechten, nog altijd een gapende kloof bestaat tussen retoriek en realiteit, tussen theorie en toepassing, tussen principes en praktijk.
Staten die zich vrijwillig hebben aangesloten bij de diverse intentieverklaringen van de Europese instellingen, hebben zich al net zo vrijwillig aan hun verplichtingen onttrokken – door mensenrechten te ondermijnen en niet het politieke draagvlak te creëren dat nodig is om de belangrijkste schendingen tegen te gaan.
Op talloze andere gebieden werd veiligheid verkozen boven fundamentele mensenrechten, hetgeen ten koste ging van beide. Kazachstan, Rusland en Oezbekistan bleven omwille van de regionale veiligheid en de “oorlog tegen terrorisme” samenwerken op manieren die indruisten tegen het internationaal humanitair recht en het vluchtelingenrecht – onder meer door mensen terug te sturen die mogelijk marteling of andere ernstige schendingen te wachten staan.
Zo bleef de Britse regering het universele verbod op marteling ondermijnen door mensen die golden als een gevaar voor de nationale veiligheid uit te zetten naar landen waar hen ernstige mensenrechtenschendingen boven het hoofd hingen, op grond van niet-afdwingbare “diplomatieke waarborgen”. Ook trachtte Groot-Brittannië andere Europese landen, en zelfs het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ervan te overtuigen dat dergelijke waarborgen rechtmatig waren.
Gevreesd werd dat mensen die in Turkije en Tadzjikistan werden aangeklaagd op grond van antiterreurwetgeving, geen eerlijk proces kregen.
Nieuwe wetgeving in onder meer België, Frankrijk en Zwitserland legde de rechten van asielzoekers en migranten verder aan banden.
Veel mensen werden gediscrimineerd op grond van hun wettelijke status, onder wie mensen die op de vlucht waren geweest voor conflicten in het voormalige Joegoslavië en de Sovjetunie. Bij kwesties die te maken hadden met registratie en vestiging werden van talloze van hen de rechten beperkt of gewoonweg genegeerd.
De autoriteiten in Litouwen, Moldavië, Polen en Rusland werkten een klimaat van onverdraagzaamheid tegen LGBT-gemeenschappen (lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders) in de hand. Zo sloeg een aantal hooggeplaatste politici openlijk homofobe taal uit en werden openbare LGBT-evenementen gedwarsboomd. In tegenstelling tot twee voorgaande jaren gaven de Letse autoriteiten toestemming voor een LGBT-mars en beschermde de politie de betogers naar behoren tegen demonstranten die hen vijandig gezind waren.
Marteling en mishandeling kwamen in heel Europa voor, vaak om bekentenissen af te dwingen, en vaak in een raciale context. Straffeloosheid voor dergelijke schendingen werd onder meer in stand gehouden doordat de politie waarborgen omzeilde, verdachten niet direct toegang kregen tot een advocaat, slachtoffers bang waren voor represailles, er geen onafhankelijk systeem bestond om klachten te registreren, alsmede door corruptie bij politie en justitie. In landen als Bosnië-Herzegovina, Moldavië, Spanje, Rusland, Turkije, Turkmenistan, Oekraïne en Oezbekistan verzuimden de autoriteiten directe, grondige en onpartijdige onderzoeken in te stellen, waardoor daders op vrije voeten bleven.
Wit-Rusland onttrok zich aan deze trend en bleef het laatste land in Europa waar terechtstellingen worden voltrokken. Net als in alle andere landen vormde geheimhouding daar een probleem. Familieleden kregen het lichaam van de geëxecuteerde persoon niet te zien en ontvingen ook geen informatie over de plaats waar deze begraven was; er werden geen cijfers bekendgemaakt over het aantal opgelegde doodvonnissen.
Ook hadden vrouwen er vaak geen vertrouwen in dat de autoriteiten het geweld zouden aanmerken als een misdrijf en niet zouden afdoen als een privé-aangelegenheid. Dit stond niet alleen gerechtigheid in de weg, maar ook pogingen om dergelijke wandaden tegen te gaan via sociale controle, aangezien de ware omvang en aard van het probleem verborgen bleven.
Ofschoon de wettelijke bescherming van slachtoffers op sommige punten verbeterde, bleven er cruciale tekortkomingen. Sommige landen hadden nog altijd geen wetten die huiselijk geweld specifiek strafbaar stellen, en het ontbreken van betrouwbare statistieken stond specifieke hulp en preventie in de weg, waardoor vrouwen nog meer aan hun lot werden overgelaten. Sinds de nieuwe wet inzake huiselijk geweld in 2006 van kracht werd in Georgië hebben politie en justitie in veel zaken beschermings- en dwangbevelen uitgevaardigd of goedgekeurd. Een aantal belangrijke bepalingen uit de wet werd echter niet direct of volledig doorgevoerd, en het aantal opvangcentra voor slachtoffers van huiselijk geweld bleef ontoereikend. In Spanje werden positieve maatregelen doorgevoerd, waaronder een protocol voor gezondheidswerkers die geconfronteerd worden met slachtoffers van huiselijk geweld. Vrouwelijke migranten werden echter nog altijd gediscrimineerd, bij wet en in de praktijk, wanneer ze probeerden in aanmerking te komen voor schadevergoeding en voor essentiële voorzieningen zoals financiële bijstand, psychologische hulpverlening of een plaats in een opvangcentrum.
In plaats van te worden behandeld als slachtoffers van verachtelijke misdrijven, waar ze recht op hadden, werden verhandelde mensen veelal bejegend als criminelen, illegale vreemdelingen of slechts nuttige getuigen in het strafrechtsysteem wanneer ze zich meldden bij de autoriteiten. Vaak kregen verhandelde mensen weliswaar hulp om te herstellen van de beproevingen die ze hadden doorstaan, maar op voorwaarde dat ze als getuigen zouden deelnemen aan rechtszaken tegen hun handelaren. Deze samenwerking bracht verhandelde personen en hun familieleden verder in gevaar.
Slachtoffers kregen zelden de gelegenheid om bij de rechter schadevergoeding, schadeloosstelling en eerherstel af te dwingen. Buitenlanders zonder verblijfsvergunning in het land waar ze werden aangetroffen werden veelvuldig uitgezet zonder rekening te houden met de gevaren die hen bij terugkeer mogelijk boven het hoofd hingen, zoals opnieuw verhandeld worden, wraakacties of andere vormen van geweld.
Talloze landen lapten de rechten van verhandelde personen aan hun laars. In Griekenland werden verreweg de meeste verhandelde vrouwen niet als zodanig erkend, waardoor ze niet in aanmerking kwamen voor bescherming of bijstand. In Zwitserland konden overlevenden van mensenhandel een tijdelijke verblijfsvergunning krijgen voor de duur van een eventueel proces waarin ze optraden als getuigen, maar zodra het proces voorbij was werden ze het land uitgezet.
Er waren echter ook lichtpuntjes: in 2007 sloot het tiende land zich aan bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel, waardoor het vanaf februari 2008 voor deze landen van kracht wordt. In Portugal werden slachtoffers van mensenhandel niet langer beschouwd als illegale migranten.
In Oezbekistan werd de vrijheid van meningsuiting en vergadering verder aan banden gelegd en de autoriteiten hielden mensenrechtenactivisten, activisten en onafhankelijke journalisten nog altijd in een ijzeren greep. In Wit-Rusland werden burgerbewegingen onderdrukt, en voor elke vorm van openbare activiteit die niet door de staat werd goedgekeurd, waaronder geloofsbelijdenis, kon vervolging worden ingesteld. De vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering werd met voeten getreden. Ofschoon de nieuwe president van Turkmenistan enkele door zijn voorgangers genomen maatregelen terugdraaide, was er geen wezenlijke verbetering van de mensenrechtensituatie. Dissidenten, onafhankelijke journalisten, burgeractivisten en leden van religieuze minderheden werden lastiggevallen, gedetineerd of gevangengezet. In Azerbeidzjan werden onafhankelijke en niet-regeringsgezinde journalisten aangeklaagd en veroordeeld wegens smaad, lastiggevallen door wetshandhavers en in sommige gevallen gemolesteerd door onbekende belagers. Twee veel gelezen oppositiekranten werden gesloten, en edities van oppositiekranten met politiek gevoelige verslaglegging werden in beslag genomen of uit de verkoop genomen door lokale overheidsinstanties.
De Russische autoriteiten stelden zich steeds onverdraagzamer op tegen onwelgevallige meningen of kritiek, die ze afschilderden als “onpatriottisch”. Burgerrechten en politieke rechten werden veelvuldig geschonden, met name in de aanloop naar de parlementsverkiezingen in december. Ngo’s werd het werken vrijwel onmogelijk gemaakt door nieuwe wetgeving die hen rapportageverplichtingen oplegde. In Tsjetsjenië en de Noordelijke Kaukasus kregen mensen die gerechtigheid eisten te maken met intimidatie en represailles.
Alle bedreigingen, intimidatie en detentie ten spijt bleven mensenrechtenactivisten in heel Europa trouw aan de gedachte van 1948. Ze lieten zich niet uit het veld slaan en bewogen anderen ertoe zich aan te sluiten bij hun streven naar blijvende veranderingen en eerbied voor de mensenrechten van iedereen.
Een terugblik op 2007 - veiligheid en mensenrechten
Vluchtelingen, asielzoekers en migranten
Racisme en discriminatie
Straffeloosheid
Doodstraf
Geweld tegen vrouwen
Mensenhandel
Onderdrukking van onwelgevallige meningen
De Universele Verklaring - zestig jaar later
In 1948 lag Europa in puin door de Tweede Wereldoorlog. Het continent zou kort daarna verder verscheurd worden door de Koude Oorlog. Deze ervaringen hebben in de zestig jaar daarna hun stempel gedrukt op de collectieve en individuele behoefte aan gemeenschappelijkheid, bij het streven naar welvaartsgroei, veiligheidswaarborgen en verankering van de rechtsstaat.Binnen tien jaar had West-Europa namelijk het fundament gelegd voor wat zou uitgroeien tot een pan-Europese institutionele architectuur – met een mensenrechtensysteem dat elders in de wereld zijn gelijke niet kende, en een lokale kolen- en staalgemeenschap die geleidelijk werd omgevormd tot een unie met wereldwijde economische en politieke macht.
In die tijd ontwierp de Raad van Europa het eerste internationale rechtsinstrument om de mensenrechten te beschermen. Het richtte het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op om het instrument te handhaven, en riep een Parlementaire Assemblee in het leven. Het mechanisme van de raad, die inmiddels 47 lidstaten telt, is uitgebreid met een Commissaris voor de Rechten van de Mens en diverse toezichthoudende organen. De visie op mensenrechten, pluralistische democratie en de rechtsstaat is dezelfde gebleven.
De economische gemeenschappen die in de jaren ’50 het licht zagen zijn uitgegroeid tot de Europese Unie. De EU is gegroeid in omvang – om nieuwe lidstaten uit het voormalige Oostblok op te nemen, en qua visie – tot een ‘waardengemeenschap’ met de ambitie om mensenrechten centraal te stellen in haar binnen- en buitenlandse beleid.
De naoorlogse politieke verhoudingen in Europa vormden ook de aanleiding voor de vorming van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). Dit is ’s werelds grootste regionale veiligheidsorganisatie, met 56 deelnemende staten, waaronder de landen in Centraal-Azië. De organisatie stamt uit de periode van ontspanning aan het begin van de jaren ’70, toen ze diende als een multilateraal forum voor dialoog en overleg tussen oost en west. Een van de mijlpalen van de OVSE was het ‘Helsinki Proces’, dat weer ten grondslag lag aan de oprichting van een groot aantal ngo’s om toe te zien op naleving van de voornaamste mensenrechtentoezeggingen die staten hadden gedaan aan hun burgers.
Het pad is echter niet over rozen gegaan. In de tussenliggende zestig jaar zijn militaire dictaturen aan de macht geweest in Griekenland, Portugal, Spanje, Turkije en repressieve Sovjetstaten. Gewapende groeperingen hebben de zaak van een bepaalde minderheid of ideologie met geweld bepleit. Barbaarse conflicten hebben delen van de voormalige Sovjetunie en Joegoslavië verscheurd toen deze uiteenvielen. Nieuwe staten zijn ontstaan, maar ook rechtspersonen zonder eenduidige status die nog altijd niet erkend worden door de internationale gemeenschap.
Er blijven grote problemen. De rust is grotendeels weergekeerd in Europa, maar straffeloosheid duurt voort voor misdrijven begaan tijdens recente conflicten, waarbij honderdduizenden mensen ontheemd zijn geraakt en weinig uitzicht hebben op een spoedige terugkeer. De welvaart in de regio is over het algemeen toegenomen, maar niet voor de mensen die als gevolg van racisme of andere vormen van discriminatie verstoken zijn van fundamentele economische en sociale rechten.
Europa trekt mensen aan die op de vlucht zijn voor vervolging, geweld of armoede, maar laat ze vervolgens in de kou staan door repressief beleid ten aanzien van illegale migratie. Veiligheid is een eerste vereiste voor landen in heel Europa, maar toch wordt die stelselmatig ondermijnd door regeringen die bereid zijn mensenrechten ervoor op te offeren, uit naam van terrorismebestrijding, of die verzet op grove wijze de kop indrukken om aan de macht te blijven.
De regio is nog altijd onveilig voor de talloze slachtoffers van huiselijk geweld.
Helaas moeten we ook constateren dat in Europa, dat zichzelf beschouwt als de bakermat van de mensenrechten, nog altijd een gapende kloof bestaat tussen retoriek en realiteit, tussen theorie en toepassing, tussen principes en praktijk.
Staten die zich vrijwillig hebben aangesloten bij de diverse intentieverklaringen van de Europese instellingen, hebben zich al net zo vrijwillig aan hun verplichtingen onttrokken – door mensenrechten te ondermijnen en niet het politieke draagvlak te creëren dat nodig is om de belangrijkste schendingen tegen te gaan.
Een terugblik op 2007 - veiligheid en mensenrechten
In 2007 kwamen bewijzen boven tafel waaruit onomstotelijk bleek dat Europese staten medewerking hadden verleend aan een door de VS geleid programma van geheime en onwettige detenties. Ook bleek dat regeringen stilzwijgend hun toestemming hadden gegeven voor het overbrengen van mensen naar landen waar de principes van de rechtsstaat niet worden nageleefd, aan gedwongen verdwijningen, evenals aan het martelen en mishandelen van uitgeleverde en op geheime plaatsen gedetineerde mensen. Ook de hiaten in de wetgeving, die onwettig handelen van buitenlandse en Europese inlichtingendiensten in de hand werkten en hen vrijwaarden van strafvervolging, zijn eenduidig aan het licht getreden – maar het vaste antwoord van staten is om er het zwijgen toe te doen en met de handen over elkaar te blijven zitten.Op talloze andere gebieden werd veiligheid verkozen boven fundamentele mensenrechten, hetgeen ten koste ging van beide. Kazachstan, Rusland en Oezbekistan bleven omwille van de regionale veiligheid en de “oorlog tegen terrorisme” samenwerken op manieren die indruisten tegen het internationaal humanitair recht en het vluchtelingenrecht – onder meer door mensen terug te sturen die mogelijk marteling of andere ernstige schendingen te wachten staan.
Zo bleef de Britse regering het universele verbod op marteling ondermijnen door mensen die golden als een gevaar voor de nationale veiligheid uit te zetten naar landen waar hen ernstige mensenrechtenschendingen boven het hoofd hingen, op grond van niet-afdwingbare “diplomatieke waarborgen”. Ook trachtte Groot-Brittannië andere Europese landen, en zelfs het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ervan te overtuigen dat dergelijke waarborgen rechtmatig waren.
Gevreesd werd dat mensen die in Turkije en Tadzjikistan werden aangeklaagd op grond van antiterreurwetgeving, geen eerlijk proces kregen.
Vluchtelingen, asielzoekers en migranten
Buitenlanders, onder wie mensen die internationale bescherming zochten, werden stelselmatig blootgesteld aan mensenrechtenschendingen. Mannen, vrouwen en kinderen kregen slechts mondjesmaat toegang tot asielprocedures, sommigen werden onwettig gedetineerd en anderen kregen niet de vereiste begeleiding en rechtshulp. Velen werden onrechtmatig uitgezet voordat ze hun verhaal hadden kunnen doen, en sommigen werden teruggestuurd naar landen waar hen mogelijk mensenrechtenschendingen te wachten stonden. In sommige plaatsen raakten uitgeprocedeerde asielzoekers noodgedwongen aan de bedelstaf.Nieuwe wetgeving in onder meer België, Frankrijk en Zwitserland legde de rechten van asielzoekers en migranten verder aan banden.
Racisme en discriminatie
In heel Europa kwam discriminatie van Roma veel voor. Roma werden op grote schaal geweerd uit het openbare leven en hadden niet dezelfde rechten op huisvesting, werkgelegenheid en medische zorg. In sommige landen boden de autoriteiten Roma-kinderen geen gelijke toegang tot scholen. Ze stonden de vorming van speciale klassen toe, en vaak stimuleerden ze deze zelfs, ook klassen waar het lesprogramma minder uitgebreid was. Roma werden daarnaast het slachtoffer van haatmisdrijven, net als joden en moslims. In Rusland waren gewelddadige racistische aanvallen schering en inslag.Veel mensen werden gediscrimineerd op grond van hun wettelijke status, onder wie mensen die op de vlucht waren geweest voor conflicten in het voormalige Joegoslavië en de Sovjetunie. Bij kwesties die te maken hadden met registratie en vestiging werden van talloze van hen de rechten beperkt of gewoonweg genegeerd.
De autoriteiten in Litouwen, Moldavië, Polen en Rusland werkten een klimaat van onverdraagzaamheid tegen LGBT-gemeenschappen (lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders) in de hand. Zo sloeg een aantal hooggeplaatste politici openlijk homofobe taal uit en werden openbare LGBT-evenementen gedwarsboomd. In tegenstelling tot twee voorgaande jaren gaven de Letse autoriteiten toestemming voor een LGBT-mars en beschermde de politie de betogers naar behoren tegen demonstranten die hen vijandig gezind waren.
Straffeloosheid
Ofschoon er enige vooruitgang werd geboekt bij het tegengaan van straffeloosheid voor misdrijven die in de jaren negentig werden begaan in het voormalige Joegoslavië, liepen talloze verantwoordelijken voor oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid nog vrij rond. Dit was te wijten aan een gebrekkige samenwerking van de betrokken autoriteiten met het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië, maar ook aan tekortkomingen binnen nationale rechtssystemen.Marteling en mishandeling kwamen in heel Europa voor, vaak om bekentenissen af te dwingen, en vaak in een raciale context. Straffeloosheid voor dergelijke schendingen werd onder meer in stand gehouden doordat de politie waarborgen omzeilde, verdachten niet direct toegang kregen tot een advocaat, slachtoffers bang waren voor represailles, er geen onafhankelijk systeem bestond om klachten te registreren, alsmede door corruptie bij politie en justitie. In landen als Bosnië-Herzegovina, Moldavië, Spanje, Rusland, Turkije, Turkmenistan, Oekraïne en Oezbekistan verzuimden de autoriteiten directe, grondige en onpartijdige onderzoeken in te stellen, waardoor daders op vrije voeten bleven.
Doodstraf
Er werden belangrijke stappen gezet om de doodstraf af te schaffen. In mei bracht Kazachstan het aantal halsmisdrijven terug tot één terroristisch delict en handhaafde het zijn moratorium op executies, evenals Tadzjikistan. In juni namen Kirgizstan en Oezbekistan amendementen aan die de doodstraf vervingen door levenslange of langdurige gevangenisstraffen. Oezbekistan weigerde echter een moratorium op terechtstellingen af te kondigen voordat de wetswijzigingen begin 2008 van kracht worden.Wit-Rusland onttrok zich aan deze trend en bleef het laatste land in Europa waar terechtstellingen worden voltrokken. Net als in alle andere landen vormde geheimhouding daar een probleem. Familieleden kregen het lichaam van de geëxecuteerde persoon niet te zien en ontvingen ook geen informatie over de plaats waar deze begraven was; er werden geen cijfers bekendgemaakt over het aantal opgelegde doodvonnissen.
Geweld tegen vrouwen
Huiselijk geweld tegen vrouwen en meisjes van alle leeftijden en uit alle sociale lagen kwam veel voor. Dit uitte zich in allerlei vormen van verbale en psychologische mishandeling, lichamelijk en seksueel geweld, economisch ondergeschiktheid en moord. Doorgaans deden maar weinig vrouwen aangifte, onder meer uit angst voor represailles door gewelddadige partners, angst voor vervolging wegens andere delicten, schuldgevoelens, angst om hun familie tot ‘schande’ te maken, financiële onzekerheid, onzekere immigratiestatus, of gebrek aan opvang of andere effectieve maatregelen zoals dwangbevelen om hun eigen veiligheid en die van hun kinderen te waarborgen. Maar de belangrijkste reden was dat verreweg de meeste daders niet vervolgd werden.Ook hadden vrouwen er vaak geen vertrouwen in dat de autoriteiten het geweld zouden aanmerken als een misdrijf en niet zouden afdoen als een privé-aangelegenheid. Dit stond niet alleen gerechtigheid in de weg, maar ook pogingen om dergelijke wandaden tegen te gaan via sociale controle, aangezien de ware omvang en aard van het probleem verborgen bleven.
Ofschoon de wettelijke bescherming van slachtoffers op sommige punten verbeterde, bleven er cruciale tekortkomingen. Sommige landen hadden nog altijd geen wetten die huiselijk geweld specifiek strafbaar stellen, en het ontbreken van betrouwbare statistieken stond specifieke hulp en preventie in de weg, waardoor vrouwen nog meer aan hun lot werden overgelaten. Sinds de nieuwe wet inzake huiselijk geweld in 2006 van kracht werd in Georgië hebben politie en justitie in veel zaken beschermings- en dwangbevelen uitgevaardigd of goedgekeurd. Een aantal belangrijke bepalingen uit de wet werd echter niet direct of volledig doorgevoerd, en het aantal opvangcentra voor slachtoffers van huiselijk geweld bleef ontoereikend. In Spanje werden positieve maatregelen doorgevoerd, waaronder een protocol voor gezondheidswerkers die geconfronteerd worden met slachtoffers van huiselijk geweld. Vrouwelijke migranten werden echter nog altijd gediscrimineerd, bij wet en in de praktijk, wanneer ze probeerden in aanmerking te komen voor schadevergoeding en voor essentiële voorzieningen zoals financiële bijstand, psychologische hulpverlening of een plaats in een opvangcentrum.
Mensenhandel
Binnen heel Europa werden vrouwen, mannen en kinderen verhandeld en uitgebuit in informele sectoren, zoals huishoudelijk werk, landbouw, fabrieken en bouwbedrijven, de horeca en de prostitutie. Dergelijke handel was wijdverbreid en profiteerde van armoede, corruptie, gebrek aan scholing en verpaupering.In plaats van te worden behandeld als slachtoffers van verachtelijke misdrijven, waar ze recht op hadden, werden verhandelde mensen veelal bejegend als criminelen, illegale vreemdelingen of slechts nuttige getuigen in het strafrechtsysteem wanneer ze zich meldden bij de autoriteiten. Vaak kregen verhandelde mensen weliswaar hulp om te herstellen van de beproevingen die ze hadden doorstaan, maar op voorwaarde dat ze als getuigen zouden deelnemen aan rechtszaken tegen hun handelaren. Deze samenwerking bracht verhandelde personen en hun familieleden verder in gevaar.
Slachtoffers kregen zelden de gelegenheid om bij de rechter schadevergoeding, schadeloosstelling en eerherstel af te dwingen. Buitenlanders zonder verblijfsvergunning in het land waar ze werden aangetroffen werden veelvuldig uitgezet zonder rekening te houden met de gevaren die hen bij terugkeer mogelijk boven het hoofd hingen, zoals opnieuw verhandeld worden, wraakacties of andere vormen van geweld.
Talloze landen lapten de rechten van verhandelde personen aan hun laars. In Griekenland werden verreweg de meeste verhandelde vrouwen niet als zodanig erkend, waardoor ze niet in aanmerking kwamen voor bescherming of bijstand. In Zwitserland konden overlevenden van mensenhandel een tijdelijke verblijfsvergunning krijgen voor de duur van een eventueel proces waarin ze optraden als getuigen, maar zodra het proces voorbij was werden ze het land uitgezet.
Er waren echter ook lichtpuntjes: in 2007 sloot het tiende land zich aan bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel, waardoor het vanaf februari 2008 voor deze landen van kracht wordt. In Portugal werden slachtoffers van mensenhandel niet langer beschouwd als illegale migranten.
Onderdrukking van onwelgevallige meningen
In talloze landen werd het steeds moeilijker om onafhankelijke standpunten te verkondigen doordat de vrijheid van meningsuiting en vereniging aan banden werd gelegd. In Turkije bleven wetten van kracht die het op vreedzame wijze uiten van onwelgevallige meningen verboden; advocaten, journalisten en mensenrechtenactivisten werden geïntimideerd, bedreigd, onrechtmatig vervolgd en gemolesteerd. Na het doodschieten van de Turks-Armeense journalist Hrant Dink in januari heerste in Turkije een sfeer van onverdraagzaamheid.In Oezbekistan werd de vrijheid van meningsuiting en vergadering verder aan banden gelegd en de autoriteiten hielden mensenrechtenactivisten, activisten en onafhankelijke journalisten nog altijd in een ijzeren greep. In Wit-Rusland werden burgerbewegingen onderdrukt, en voor elke vorm van openbare activiteit die niet door de staat werd goedgekeurd, waaronder geloofsbelijdenis, kon vervolging worden ingesteld. De vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering werd met voeten getreden. Ofschoon de nieuwe president van Turkmenistan enkele door zijn voorgangers genomen maatregelen terugdraaide, was er geen wezenlijke verbetering van de mensenrechtensituatie. Dissidenten, onafhankelijke journalisten, burgeractivisten en leden van religieuze minderheden werden lastiggevallen, gedetineerd of gevangengezet. In Azerbeidzjan werden onafhankelijke en niet-regeringsgezinde journalisten aangeklaagd en veroordeeld wegens smaad, lastiggevallen door wetshandhavers en in sommige gevallen gemolesteerd door onbekende belagers. Twee veel gelezen oppositiekranten werden gesloten, en edities van oppositiekranten met politiek gevoelige verslaglegging werden in beslag genomen of uit de verkoop genomen door lokale overheidsinstanties.
De Russische autoriteiten stelden zich steeds onverdraagzamer op tegen onwelgevallige meningen of kritiek, die ze afschilderden als “onpatriottisch”. Burgerrechten en politieke rechten werden veelvuldig geschonden, met name in de aanloop naar de parlementsverkiezingen in december. Ngo’s werd het werken vrijwel onmogelijk gemaakt door nieuwe wetgeving die hen rapportageverplichtingen oplegde. In Tsjetsjenië en de Noordelijke Kaukasus kregen mensen die gerechtigheid eisten te maken met intimidatie en represailles.
Alle bedreigingen, intimidatie en detentie ten spijt bleven mensenrechtenactivisten in heel Europa trouw aan de gedachte van 1948. Ze lieten zich niet uit het veld slaan en bewogen anderen ertoe zich aan te sluiten bij hun streven naar blijvende veranderingen en eerbied voor de mensenrechten van iedereen.


